Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-07-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:2059
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.311.947/01 arrest van 22 juli 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.J. Spijk te Middelburg, tegen Onderlinge Verzekering Maatschappij ZLM U.A., gevestigd te Goes, geïntimeerde, hierna aan te duiden als ZLM, advocaat: mr. L.A. Godwaldt te Amsterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 augustus 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/376863 / HA ZA 20-554 gewezen vonnis van 16 februari 2022. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 9 augustus 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de op 22 december 2022 gehouden mondelinge behandeling na aanbrengen; de memorie van grieven met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6 De beoordeling 6.1. Deze zaak gaat over de hoogte van de schade die [appellant] lijdt als gevolg van een ongeval waarvoor ZLM aansprakelijkheid heeft erkend. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dan [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn schade meer bedraagt dan wat ZLM al heeft betaald. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en dat hierna toelichten. De feiten 6.2. In overweging 2.1.1. tot en met 2.1.4. heeft de rechtbank in eerste aanleg vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep. 6.2.1. Op 24 maart 2013 is [appellant] betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hij was op dat moment 27 jaar oud. [appellant] stond in de berm van een naast de weg gelegen fietspad, toen hij werd aangereden door een van de weg geraakte auto. 6.2.2. De auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ZLM. ZLM heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval en de gevolgen ervan. 6.2.3. Als gevolg van het ongeval heeft [appellant] ernstig letsel opgelopen bestaande uit schedel-hersenletsel, fracturen van de linker schouder en het linker sleutelbeen, wervelfracturen van de borstwervelkolom en twee ribfracturen. [appellant] heeft vier dagen op de intensive care afdeling van het Erasmus Medisch Centrum gelegen en is daarna tot 18 april 2013 opgenomen geweest op de afdeling Heelkunde-Traumatologie van dat ziekenhuis. Vervolgens is hij tot 31 mei 2013 opgenomen geweest bij revalidatiecentrum Revant. De revalidatiebehandelingen duurden tot en met september 2013. 6.2.4. Ten tijde van het ongeval werkte [appellant] op basis van een tijdelijk contract van gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ. Zijn aanvangssalaris bedroeg € 1.775,- x deeltijdfactor 66,67% bruto per maand. Het contract liep van rechtswege af op 29 mei 2013. De personeelsfunctionaris van Arduin schreef hierover: ‘(…) Je jaarcontract van rechtswege afgelopen en vooralsnog niet verlengd. Zoals al besproken met Lennard in het gesprek voor je ongeluk was hij voornemens om de manager te adviseren je een vast dienst verband toe te kennen. Daarnaast ook de vraag om ophoging van je contract naar 28 uur (ophoging tijdelijk voor duur van inzet op die werkplek is gebruikelijk binnen Arduin). (…)' 6.2.5. Vanaf juni 2013 heeft [appellant] een ziektewetuitkering ontvangen van € 927,- netto inclusief vakantiegeldtoeslag. In december 2013 is hij opnieuw bij Arduin in dienst getreden op basis van een jaarcontract voor 18 uur per week tegen een basissalaris van € Ook acht ik betrokkene licht beperkt voor tillen, duwen en trekken. 1i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Zoals ik in mijn overwegingen heb aangegeven m.b.t. de wervelkolom en de wervelfracturen is de röntgenologische situatie, d.w.z. de mate van inzakking, een eindtoestand. Dat geldt ook voor de toegenomen kyfose van de wervelkolom. Zoals ik heb aangegeven in mijn overwegingen kunnen er in de toekomst veranderingen t.a.v. de gevolgen van het letsel plaatsvinden. 1j. t/m 1l. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? Zoals ik heb vermeld, zal de mate van inzakking en de mate van kyfose die betrokkene heeft als gevolg van het ongeval, niet meer veranderen. Echter, zijn klachtenpatroon, m.n. de functionele anamnese, kan in de toekomst veranderen. Het zou kunnen verergeren maar het zou ook kunnen verbeteren wanneer de wervelkolom met het klimmen der jaren ook meer verstijft. Betrokkene is echter jong en derhalve zal dit eerder leiden tot een verergering van de klachten, m.n. bij inspanning. Ik kan niet aangeven op welke termijn dit plaatsvindt. In welke mate er verslechtering optreedt, kan ik wel zeggen. De functionele anamnese van betrokkene zal mogelijk veranderen, maar de Key-factor zal hetzelfde blijven. Betrokkene blijft, t.a.v. zijn functieverlies, in klasse 3 waarbij het functieverlies bepaald is tussen de 12% en 16% van de gehele persoon. T.a.v. de beperkingen kan het zo zijn dat, wanneer betrokkene meer klachten aangeeft, dat dan ook zijn beperkingen zullen toenemen. Ik kan niet zeggen in welke mate en wanneer. 2De situatie zonder ongeval. 2a Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? Neen. (…) 2c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? Ja. Betrokkene klaagt over zijn linker pols en bij onderzoek wordt er een licht functieverlies van de linker pols gevonden en er zijn aanwijzingen voor een ganglion. (…)’ 6.2.10. [appellant] is op 21 januari 2015 onderzocht door neuropsycholoog [persoon B] (hierna: [persoon B] ). In het rapport van [persoon B] van 23 februari 2015 staat onder meer: ‘(…) Samenvatting en conclusie: Op verzoek van [persoon C] , werd [appellant] , geboren op 04 februari 1986 onderzocht, teneinde mogelijke restgevolgen te objectiveren ten gevolgen van het ongeval op 24 maart 2014. Hierbij liep hij een hoog-energetisch trauma op. Een CT scan toonde een contusie-haard links temporaal met een spoortje bloed in occipitaalhoorn links. Bij aanvullend MRI onderzoek werden er aanwijzingen gevonden voor diffuse axonal injury. Zijn klachtenpatroon imponeert met onzekerheid over zijn cognitief functioneren, in het bijzonder zijn intellectueel vermogen; hij is bang dat hij dommer is geworden. Hij ervaart lichte concentratieproblemen bij vermoeidheid, hij schrijft alles op en twijfelt vaak. Hij voelt zich met vlagen somber en neerslachtig. Hij moet sinds het ongeval vaker bijslapen vanwege vermoeidheid. Er zijn slaapproblemen en hij meldt “wakend” te slapen. Hierdoor bestaan aanwijzingen voor acceptatie-en/of verwerkingsproblemen die passen bij hetgeen hij over zijn werk vertelt. Sinds het ongeval is hij van werkplek verandert, maar hij mist de uitdaging die hij daarvoor had. Betrokkene is coöperatief en zijn prestatie-motivatie is goed, zowel bij observatie als op basis van objectieve testmethoden: er zijn bij symptoom-validiteitstests geen aanwijzingen voor onderpresteren. De goede uitslag op symptoom validiteittests maken het mogelijk dat zijn testresultaten betrouwbaar kunnen worden geïnterpreteerd; verondersteld mag worden dat de onderzoeksresultaten een betr aanleren van nieuwe informatie door beperkingen in het werkgeheugen. De beperkingen in het volhouden van de aandacht kunnen ertoe leiden dat hij vergissingen maakt of niet goed in staat is een taak of activiteit te continueren. De kans is groter bij monotone activiteiten / taken waarbij hij gedurende langere tijd alert moet blijven. (…)’ 6.2.11. [appellant] en ZLM hebben tevens gezamenlijk opdracht gegeven voor een neurologische expertise, waaronder een neuropsychologisch onderzoek. Op 30 maart 2015 heeft neuroloog [persoon C] (hierna: [persoon C] ) haar expertiserapport uitgebracht. De bevindingen van [persoon B] zijn daarin tevens verwerkt. In het rapport van [persoon C] staat onder meer: (…) Diagnose f. Wat is de diagnose op een vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven f. Antwoord: Betrokkene is een 28 jarige, rechts dominante man die een HET doormaakte op 24 maart 2014 met een amnesie voor het trauma en een kortdurende retrograde amnesie van enkele uren. Vanwege een lage EMV score werd hij geïntubeerd en gesedeerd. Er was sprake van uitgebreide fracturen (clavicula links, costa 1 en 2 fractuur links, scapula fractuur links, fractuur Th 6 en 7) met een contusio cerebri links temporaal en enig boed occipitaal met tevens een DAI beeld op de MRI scan van de hersenen, met tevens een dysfunctie van de linkser arm het meest waarschijnlijk berustend op een contusie van de plexusbrachialis links. Betrokkene maakte op alle fronten een goed herstel door. Er resteert nu 1,5 jaar na het ongeval een minimale restuitval in de linkerarm (lichte ulnair gelocaliseerde sensibele restklacht, met een geringe sensibiliteitsklacht in de handpalm, verder een lichte zwakte van de biceps en polsextensoren links) en het idee bij betrokkene mogelijk in neurocognitief opzicht iets trager te zijn dan voorheen. Dit laatste werd middels aanvullend neuropsychologisch onderzoek van 21 januari met een beperkt werkgeheugen en een beperkte volgehouden aandacht aangetoond. Blijvende invaliditeit g. Wilt u de mate van functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage blijvende invaliditeit van de gehele mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene van voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association (AMA) zoals verwoord in de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment, 6de druk, eventueel aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging van neurologie? Wilt u hierbij zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd, en indien van toepassing links en rechts vergelijken? g. Antwoord: Volgens de richtlijnen van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment,6de druk, is er een functionele invaliditeit van 8 procent van de gehele mens. Dit werd als volgt bekeken: (…) Beperkingen h. Welke beperking op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij betrokkene in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperking zou uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? h. Antwoord: Bij betrokkene is er een beperking in het hanteren van zware boven schouderhoogte belastende arbeid aan de linker zijde. Medische eindsituatie i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat de beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? i. Antwoord: Gezien de tijd verstreken sedert het ongeval is hier sprake van een toestand. Er is geen belangrijke verbetering of verslechtering te verwachten. (…)’ 6.2.12. Naar aanleiding van de uitgevoerde expertises heeft de medisch adviseur van [appellant] geconcludeerd dat sprake is van een percentage blijvende invaliditeit van de gehele persoon (BI) van De werkgever heeft betrokkene gedurende de re-integratieperiode kunnen observeren en op basis van risico inventarisatie mogelijk betrokkene niet durven aanstellen in de oorspronkelijke functie. Ook hier sluit ik niet uit dat betrokkene vanwege de beperkingen na het ongeval de kans heeft gemist om ervaring en kennis op te doen in het beroep supportmedewerker BOPZ op mbo-niveau. • De supportmedewerker BOPZ op mbo-niveau is meer uitvoerend zorgverlener. Betrokkene heeft een brede scoop in zijn beroep. Op het hbo is hij opgeleid om mee te denken over behandelplannen en kennisoverdracht. Betrokkene had op termijn de mogelijkheid kunnen krijgen om op hbo-niveau bij Arduin een passende functie te bemachtigen. Teamleider was een theoretisch mogelijkheid geweest (FGW 45). Het ongeval en de restbeperkingen die blijvend worden geacht gezien de vastgestelde medische eindsituatie, hebben mijns inziens een beperkende rol gespeeld in: • Opdoen van kennis en ervaring in de branche GGZ om te komen tot volwassenheid in het beroep. De vertraging hierin is meerdere jaren. Feitelijk heeft dit een vervolg gekregen in 2017 bij Emergis. • Carrièrekansen binnen Arduin, tegenwoordig 's Heeren Loo. Hij werkte in een functie op mbo-niveau. Vanwege krapte op de arbeidsmarkt voor afgestudeerde SPH'ers vanaf 2015 waren en mogelijk intern of extern arbeidsmarktkansen ontstaan op hbo-niveau. • De huidige functie van betrokkene bij Emergis sluit aan bij wensen en mogelijkheden van betrokkene. Een promotie naar de afdeling High Care bij Emergis ambieert hij wel, maar hij durft dit niet. • Hij mist vertrouwen in zichzelf (angst dingen te vergeten en twijfel over waarnemingen) en heeft geen vertrouwen in de goodwill van de werkgever. Uit voorzichtigheid om niet afgewezen te worden, heeft hij Emergis nooit verteld over het hem overkomen ongeval en de beperkingen die hij nog ervaart. Dit beperkt hem nu in een volgende carrièrestap. Het ambitieniveau van betrokkene ligt op hbo-niveau, meer verdiepend dan organisatorisch of strategisch. Bestuurlijk heeft hij geen ambitie. Hij heeft wel de behoefte om bij te dragen aan een cliëntgerichte aanpak, waarbij hij ook een rol ziet in opleiden, coachen en sturen van hulpverleners. Uitgaande van de beperkingen die nu ook van toepassing zijn, zijn er theoretisch minder mogelijkheden om te functioneren op werkplekken waar alertheid en volcontinue concentratie vereist zijn. De voorzichtigheid die betrokkene uit en het gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen komen voort uit eigen waarneming en onzekerheden. Dit sluit echter wel aan bij beperkingen die zijn benoemd in de expertises, dan bedoel ik de mentale beperkingen. (…)” 6.2.14. Op 3 januari 2023 heeft [persoon E] , verzekeringsarts, op basis van het dossier een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld conform de door [persoon F] opgestelde FML van 25 september 2015. Daarin staat onder meer dat [appellant] (licht) beperkt is in: - Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (Het aanleren van nieuwe informatie, b.v. in het kader van een opleiding/bijscholing, is wel mogelijk maar verloopt vertraagd. Schattenderwijs is 30 - 50 % meer tijd nodig dan normaal) - Trillingsbelasting op de wervelkolom - Flexie en extensie van de linker pols - Bedienen van een toetsenbord en hanteren van een muis (links vertraagd) - Werken met een toetsenbord en muis licht beperkt (de helft van de dag) - Schroefbewegingen maken met hand en arm (links) - Frequent reiken tijdens het werk (links) - Frequent buigen tijdens het werk (ongeveer een uur per werkdag) - Torderen (alleen incidenteel) - Duwen of trekken (kan tot ongeveer 10kg duwen of trekken, een volle vuilniscontainer) - Tillen of dragen (tot ongeveer 10kg, peuter) - Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk - Lopen tijdens het werk licht beperkt (ongeveer 4 uur beperkt lopen of 1 uur lopen) - Zitten tijdens het werk licht beperkt (ongeveer 6-8 uur) - Staan (ongeveer een kwartier achter elkaar, bijvoorbeeld afwassen, 1 Deze vordering volgt volgens [appellant] uit het verschil tussen het inkomen in de feitelijke situatie met het ongeval en het inkomen dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. 6.5.2. Het hof stelt het volgende voorop. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654, NJ 1998/624; HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Verschenen verlies aan verdienvermogen 6.5.3. Ten tijde van het ongeval werkte [appellant] op basis van een tijdelijk contract tot 29 mei 2013 van gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ (een MBO functie) en werkte hij structureel over. Evenals de rechtbank, acht het hof aannemelijk dat [appellant] zonder ongeval een vast contract zou hebben gekregen voor 28 uur per week. Dat dit voornemen bestond bij Stichting Arduin blijkt uit een e-mail van de personeelsfunctionaris. Evenals de rechtbank acht het hof het feit dat [appellant] structureel overwerkte toen hij een contract had van 24 uur per week onvoldoende voor de redelijke verwachting dat hij ook na de uitbreiding van zijn contract naar 28 uur bovenop dat vermeerderd urenaantal nog structureel zou hebben overgewerkt. Dat 71% van de werknemers wel eens overwerkt waarvan 29% regelmatig en dat mensen in hogere functies meer overwerken, zoals [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, acht het hof evenmin voldoende. Dit zijn te algemene en daarmee onvoldoende op de persoon van [appellant] toegespitste gegevens. Los daarvan wordt niet duidelijk of de werknemers waarop de stelling betrekking heeft, ook voor het overwerk worden betaald. De stelling dat structureel overwerk bij Arduin mogelijk en gebruikelijk was, is eveneens te algemeen en niet op de persoon van [appellant] toegespitst. Zo is niet onderbouwd hoeveel personeel bij Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ met een contract van 28 uur gemiddeld overwerkt en om hoeveel uur dat gemiddeld zou gaan. 6.5.4. Dat [appellant] na vijf jaar promotie zou hebben gemaakt is redelijkerwijs te verwachten, gezien de inzet en HBO-opleiding van [appellant] . Volgens [appellant] viel te verwachten dat hij als senior support medewerker zou zijn gaan werken. Dat [appellant] na vijf jaar 36 uur zou zijn gaan werken, acht het hof geen redelijke verwachting. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat 36 uur een fulltime dienstverband is volgens de cao, dat [appellant] niet heeft aangetoond eerder zoveel te hebben gewerkt en dat een uitbreiding van 28 naar 36 uur behoorlijk is. Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellant] heeft verklaard dat zijn huidige functie bij Emergis een mentaal pittige functie is, waarbij in wisselende diensten wordt gewerkt en dat een dienstverband van 36 uur niet gebruikelijk is (zie p. 8 van de door [persoon D] opgemaakte would be rapportage, rov. 6.2.13). Dat en waarom dat in de functie van senior support medewerker BOPZ anders zou zijn, heeft [appellant] niet toegelicht. Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat [appella [appellant] stelt in de situatie met ongeval vanwege de restbeperkingen te worden beperkt in een volgende carrièrestap en dat zijn beperkingen in de toekomst zullen toenemen. Voor de hypothetische situatie zonder ongeval stelt [appellant] dat hij op termijn bij Arduin een functie op HBO niveau, zoals Teamleider, zou hebben gekregen. Toekomstige schade - de situatie met ongeval 6.5.10. [appellant] heeft de stelling dat zijn beperkingen in de toekomst zullen toenemen onvoldoende onderbouwd, hetgeen het hof hierna zal toelichten. In 2015 heeft orthopedisch chirurg [persoon A] ten aanzien van het letsel rond de wervelkolom opgemerkt dat er in de toekomst veranderingen ten aanzien van de gevolgen van het letsel kunnen plaatsvinden in die zin dat het klachtenpatroon, m.n. de functionele anamnese, in de toekomst kan veranderen. Het zou kunnen verergeren maar het zou ook kunnen verbeteren wanneer de wervelkolom met het klimmen der jaren ook meer verstijft, aldus [persoon A] . Omdat [appellant] ten tijde van het ongeval jong was, verwachtte [persoon A] eerder verergering van de klachten, met name bij inspanning. Hij kon niet aangeven op welke termijn dit zou kunnen plaatsvinden. In welke mate er verslechtering zou kunnen optreden kon hij wel zeggen. De functionele anamnese van betrokkene kon mogelijk veranderen, maar de Key-factor blijft hetzelfde, zodat het functieverlies uitkomt tussen de 12% en 16% van de gehele persoon. Wanneer [appellant] meer klachten krijgt, zou het kunnen dat zijn beperkingen toenemen. In welke mate en wanneer kon [persoon A] niet zeggen. Ten aanzien van de vastgestelde beperkingen rond het werkgeheugen en de concentratie/leervermogen heeft [persoon A] opgemerkt dat [appellant] in een arbeidssituatie meer moeite zal kunnen hebben met het opnemen, c.q. aanleren van nieuwe informatie door beperkingen in het werkgeheugen. De beperkingen in het volhouden van de aandacht kunnen ertoe leiden dat hij vergissingen maakt of niet goed in staat is een taak of activiteit te continueren. Die kans is groter bij monotone activiteiten / taken waarbij hij gedurende langere tijd alert moet blijven. De klachten van [appellant] op dat moment in 2015 bestonden uit onzekerheid over zijn cognitief functioneren en lichte concentratieproblemen bij vermoeidheid. [appellant] gaf aan alles op te schrijven en vaak te twijfelen, zich met vlagen somber te voelen en sinds het ongeval vaker te moeten bijslapen vanwege vermoeidheid. Volgens [persoon A] viel geen belangrijke verbetering of verslechtering op deze gebieden te verwachten. 6.5.11. In juli 2022 heeft [persoon D] onder meer de klachten op dat moment met [appellant] besproken. Daarbij gaf [appellant] aan dat hij zijn nachtdiensten nagenoeg allemaal wegruilt vanwege onregelmatige diensten die extra energie vragen, dat hij zichzelf dwingt om gedurende een dienst meerdere keren een deelrapportage te schrijven wat normaal gesproken in zijn geheel aan het einde van de dienst gebeurt omdat hij anders geen kwalitatief goede rapportage kan leveren en dat hij soms bang is om dingen te vergeten en soms twijfelt over eigen waarnemingen. In 2023 heeft [persoon E] , verzekeringsarts, geconcludeerd dat de functionele mogelijkheden van [appellant] gelijk zijn aan zijn functionele mogelijkheden in 2015. De beperkingen en functionele mogelijkheden van [appellant] zijn in die verstreken acht jaren dus niet gewijzigd. 6.5.12. Het hof kan uit de rapportage van [persoon D] niet afleiden dat het klachtenpatroon van [appellant] is verergerd. De daarin genoemde eerdere vermoeidheid, het vaker zaken opschrijven en de eerdere twijfel aan het eigen geheugen, staan ook al in het rapport van [persoon A] van 2015. Dit duidt er juist op dat de klachten gelijk zijn gebleven. [appellant] heeft zijn nachtdiensten weggeruild, maar dat dit werd veroorzaakt door de restbeperkingen en dat dit geen eigen, vrijwillige keuze betreft, is niet onderbouwd. Er is geen medisch advies overgelegd over de nachtdiensten en ook de comm Los daarvan staat in het rapport van [persoon D] dat deze functie van teamleider wordt gewaardeerd op de bijbehorende loontabel bij FWG 45 (pagina 10 van het rapport). Waarom desondanks zou moeten worden uitgegaan van het loon behorend bij FWG 60 heeft [appellant] onvoldoende toegelicht. Slotsom verlies verdienvermogen 6.5.15. De slotsom is dat het hof met inachtneming van de maatstaf uit onder meer het molenaarszoon-arrest de door [appellant] gehanteerde uitgangspunten niet volgt. Toekomstig verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval kan thans niet worden vastgesteld omdat daarvoor onvoldoende is aangevoerd en het verschenen verlies aan verdienvermogen is al vergoed. [appellant] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende onderbouwde stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Zonder verminderd arbeidsvermogen is er ook geen pensioenschade. De grieven 1 tot en met 7 slagen niet. Verlies aan zelfwerkzaamheid – grief 8 6.6.1. De rechtbank heeft bepaald dat [appellant] niet volledig, maar voor de helft is uitgevallen voor de werkzaamheden in en om het huis. De lichamelijke beperkingen waar [appellant] mee kampt zijn direct van invloed op zijn mogelijkheid tot het verrichten van de werkzaamheden waar het hier om gaat (reparatiewerkzaamheden, schilderwerkzaamheden en tuinonderhoud), maar onvoldoende is onderbouwd dat [appellant] voor deze werkzaamheden volledig is uitgevallen, ook omdat bijvoorbeeld uit het bezoekverslag van de schade-expert van ZLM van 6 maart 2019 blijkt dat hij nog in staat is tot het uitvoeren van normaal schilderwerk. [appellant] heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat het huisbezoek van de verzekeraar een inbreuk vormt op zijn huisrecht. [appellant] heeft medegedeeld dat de achtertuin niet veel onderhoud vergt, maar het onderhoud wordt wel uitgevoerd door een tuinbedrijf. Ook reparatie- en schilderwerkzaamheden kan [appellant] niet meer zelf verrichten. Dit blijkt volgens [appellant] uit de would be rapportage en de FML. 6.6.2. Zoals hiervoor overwogen is onvoldoende onderbouwd dat de beperkingen en klachten van [appellant] zijn verergerd sinds 2015. De FML waarnaar [appellant] verwijst is gelijk aan die uit 2015 en dat de klachten zijn verergerd blijkt niet uit de would be rapportage. Deze rapportage ziet bovendien op de gevolgen van de beperkingen in verband met de beroepsmatige arbeid van [appellant] (het verlies aan verdienvermogen) en daarmee niet op tuinieren, reparatie- of schilderwerkzaamheden. Ook als het verslag van de schade-expert buiten beschouwing zou worden gelaten, is het aan [appellant] om aan te tonen dat hij in het geheel geen tuin- reparatie of schilderwerkzaamheden meer kan uitvoeren. Dat [appellant] niet in staat is lichtere werkzaamheden uit te voeren, blijkt onvoldoende uit de overgelegde FML. Daarin staat bijvoorbeeld ook: “ Geknield of gehurkt actief zijn: normaal, kan tenminste 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief zijn (tuinieren)” Van [appellant] had - zeker in hoger beroep gezien het oordeel van de rechtbank - mogen worden verwacht dat hij een oordeel van een (partij)deskundige had ingebracht waaruit blijkt in hoeverre zijn beperkingen en klachten maken dat hij reparatiewerkzaamheden, schilderwerkzaamheden en tuinonderhoud niet meer kan uitvoeren. [appellant] heeft zijn stelling dat hij in het geheel geen reparatie-, schilder- en tuinwerkzaamheden meer kan uitvoeren onvoldoende onderbouwd. 6.6.3. [appellant] heeft onder overlegging van een berekening (productie 34 bij memorie van grieven) aangevoerd dat de rechtbank een onjuist normbedrag heeft gehanteerd vanaf 2021 (de rechtbank heeft € 599,00 gehanteerd, terwijl dat vanaf 2021 € 643,00 had moeten zijn en vanaf 2023 tot en met zeventigjarige leeftijd in 2056, zijnde een periode van 33 jaar, een bedrag van € 677). Volgens deze berekening bedraagt de schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden indien wordt uitgegaan van gehele uitval € 2.019,83 aan versc Zoals hiervoor overwogen staat thans niet vast dat de beperkingen of klachten in de toekomst zullen verergeren. Los daarvan is het hof van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat het smartengeld € 20.000,00 bedraagt. [appellant] heeft via een e-mail van zijn advocaat van 9 maart 2016 voorgesteld “om het smartengeld definitief te begroten op € 20.000,00”. Een voorbehoud is daarbij niet gemaakt. ZLM heeft hierop akkoord gegeven in de e-mail van 8 april 2016. In latere correspondentie heeft [appellant] alleen achter de schadepost smartengeld van € 20.000,00 “definitief” gezet. In hoger beroep maakt [appellant] zonder enige onderbouwing aanspraak op € 10.000,00 schadevergoeding ter zake secundaire victimisatie. Welk handelen van ZLM hieraan ten grondslag ligt is niet toegelicht, waarmee dit onderdeel van de vordering feitelijke grondslag mist. Het hof wijst deze vordering dan ook af. Belastingschade en kosten vermogensbeheer – grieven 13 en 14 6.10. [appellant] maakt aanspraak op belastingschade en kosten vermogensbeheer over het toewijsbare deel van zijn vorderingen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat zijn vorderingen worden afgewezen zodat er ook geen belastingschade of kosten vermogensbeheer kunnen ontstaan in verband met toegewezen vorderingen. Overigens geldt nog het volgende. Anders dan [appellant] stelt is het niet nodig om kosten te maken voor vermogensbeheer om in de toekomst een groot verlies van koopkracht ten aanzien van het schadebedrag te voorkomen. Bij vergoeding ineens van toekomstige schade wordt het toegewezen schadebedrag aan de hand van een bepaalde rekenrente gekapitaliseerd. Partijen waren het er reeds over eens de rekenrente te hanteren zoals die volgt uit de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van de Expertgroep Personenschade. Deze gaat uit van een redelijke inschatting van de te verwachten inflatie en het te verwachten rendement in de toekomst. Omdat dus al rekening wordt gehouden met te verwachten koopkrachtverlies, kan het schadebedrag risicoloos worden vastgezet, zodat het niet nodig is om kosten te maken voor vermogensbeheer. Een eventuele keuze om dat toch te doen, kan dan niet voor rekening van de verzekeraar worden gebracht. Buitengerechtelijke kosten - grieven 15 tot en met 19 6.11.1. [appellant] vordert een bedrag van € 95.311,38 aan buitengerechtelijke kosten. Hiervan heeft ZLM een bedrag van € 27.504,27 voldaan. Zowel het maken van de kosten als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn om voor vergoeding van de kosten in aanmerking te komen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet redelijk was om kosten te maken voor schikkingsonderhandelingen vanaf het moment dat mr. Boogaard het dossier overnam. ZLM was in augustus met de eerder toegezonden schadestaat van € 559.140,93 (exclusief buitengerechtelijke kosten) al niet akkoord (en bood aan nog een slotbetaling van € 11.000,00 te doen). [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom het gezien het grote verschil tussen partijen daarna nog zin had om verder te onderhandelen op basis van een nog hogere schadestaat en daarvoor kosten te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat van de zeven resterende facturen (van 26 november 2018, 21 december 2018, 25 februari 2019, 15 maart 2019, 9 april 2019, 26 juni 2019 en 11 juli 2019) ongeveer driekwart van de werkzaamheden betrekking heeft op het schikkingsvoorstel van 18 juni 2019. Deze werkzaamheden komen volgens de rechtbank niet in aanmerking omdat de waarde van de schadestaat gering was. Ook het hof acht dit geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Hetgeen partijen voornamelijk verdeeld hield was de opgevoerde hoge schadepost wegens verlies aan verdienvermogen. Het uitgangspunt dat sprake is van 22% verlies aan verdienvermogen omdat sprake is van 22% blijvende invaliditeit (waarop het schikkingsvoorstel van 18 juni 2019 was gebaseerd) is binnen de letselschadebranche juridisc