Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:1977
Strafrecht
Hoger beroep
4,786 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002521-23
Uitspraak : 7 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 september 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-076956-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht bij de reclassering en medewerking aan diagnostisch onderzoek bij een zorgverlener.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal omwille van redenen van efficiëntie worden vernietigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 februari 2023 te Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten in een kleedruimte van zwembad [zwembad] , terwijl een ander, te weten [aangever] , daarbij zijns/haars ondanks tegenwoordig was, door in een niet (deugdelijk) afgesloten kleedruimte in dat zwembad zijn, verdachtes, hand in zijn, verdachtes, broek en/of onderbroek te brengen en/of te houden en/of (vervolgens) te masturberen, althans zijn, verdachtes, hand en/of arm in zijn broek en/of onderbroek en/of over zijn, verdachtes, penis (heen en weer) te bewegen (terwijl hij, verdachte, door (een) opening(en) en/of gaatje(s) in de scheidingswand tussen twee kleedruimtes keek in de naastgelegen kleedruimte en/of naar een of meer (minderjarige) meisje(s), althans perso(o)n(en), die in de naastgelegen kleedruimte doende was/waren zich om en/of aan te kleden).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 februari 2023 te Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten in een kleedruimte van zwembad [zwembad] , terwijl een ander, te weten [aangever] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, door in een niet (deugdelijk) afgesloten kleedruimte in dat zwembad zijn, verdachtes, hand in zijn, verdachtes, broek en/of onderbroek te brengen en te houden en vervolgens zijn, verdachtes, hand en arm in zijn broek en/of onderbroek heen en weer te bewegen terwijl hij, verdachte, door een gaatje in de scheidingswand tussen twee kleedruimtes keek in de naastgelegen kleedruimte naar minderjarige meisjes, die in de naastgelegen kleedruimte doende waren zich om en/of aan te kleden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt - tenzij anders vermeld - steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023017150, gesloten d.d. 14 maart 2023 door [verbalisant] , brigadier van politie, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-38.
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 februari 2023 (dossierpagina’s 3-9), voor zover inhoudende als de verklaring van [aangever] :
V = Vraag verbalisanten
A = Antwoord aangeefster
(…)
V: Waarvan kom je aangifte doen?
A: Van een meneer (het hof begrijpt: de badmeester) met zichzelf bezig was terwijl hij naar mijn kinderen keek. Dat waren mijn dochter en haar vriendinnetje. De man was aan het gluren.
V: Wat is met "zichzelf bezig zijn?"
A: Toen ik het kleedhok in ging, zag ik een man gebukt voorover staan en ik zag dat
hij door een gaatje naar de kinderen keek. Ik zag dat hij zijn hand in zijn broek
had.
(…)
V: Op welke dag is dit gebeurd?
A: Dat was op woensdag 1 februari 2023. De kinderen hadden een studiedag.
V: Hoe laat is het gebeurd?
A: Rond 16.00 uur.
(…)
V: Waar is het gebeurd?
A: In het zwembad [zwembad] in Gulpen.
(…)
V: In welke familiekamer zaten de meisjes?
A: Vanuit de douche gezien de eerste waar je tegenaan loopt. Je loopt dan direct
tegen de deur aan van de familiekamer. Naast die familiekamer zit nog een
familiekamer en die zijn gescheiden door een plank waar de hokjes van gemaakt zijn.
(…)
V: Wie waren er allemaal in de familiekamer waar de meisje waren?
A: Alleen mijn dochter en haar vriendin.
(…)
A: Ik keek naar de andere familiekamer en ik zag dat die deur op slot was. Ik zag dat
aan de ronde knop dat die rood was. Ik dacht dat iemand vergeten was om de deur open
te maken. Ik heb geen idee waarom ik dat dacht. Ik dacht dat ik de deur beter open
kon gaan maken. Want in die achterste rij met kleedhokjes waren geen mensen.
Ik liep door het kleedhokje welke naast die tweede familiekamer lag. Via die zijde
kon ik de familiekamer binnenlopen. Ik liep vlot door en gooide de deur open. De deur was niet op slot anders kon ik hem niet open maken. Ik zag daar die badmeester in een gebogen houding staan.
V: Wat zag je precies?
A: Ik zag de achterkant van de badmeester. Hij stond voorovergebogen naar de
afscheiding tussen de twee familiekamers. Ik zag dat de badmeester een hand in zijn
broek had.
V: Wat is de afstand tussen de afscheiding en waar de badmeester stond?
A: Hij stond dicht op de scheiding met zijn gezicht.
(…)
V: Je zag dat hij een hand in zijn broek had. Hoe kon je dat zien?
A: Ik zag dat zijn linkerhand in zijn broek zat. Ik zag dat hij zijn hand onder de
elastiek had van zijn joggingbroek. Ik zag dat zijn arm bewoog terwijl hij zijn hand
in zijn broek had.
(…)
V: Welke badmeester heb je gezien in het kleedhokje?
A: Die met dat grijzig haar, die een beetje flinker was. De badmeester waar ik eerder
mee gesproken had.
V: En toen?
A: Ik liep naar de meisjes en ik klopte op de deur en vroeg aan de meisjes om open te
maken. Dat deden ze. Ik liep de familiekamer in en ik liep naar het tussenschot. De
scheiding tussen de twee familiekamers.
Dictum
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van schennis der eerbaarheid (artikel 239 oud van het Wetboek van Strafrecht) is in de kern vereist dat met de gedragingen van de verdachte de algemene eerbaarheid c.q. de algemene publieke moraal wordt geschaad (vgl. onder meer HR 1 december 1970, NJ 1971/374 en HR 28 oktober 1975, NJ 1976/120). Voor het aannemen van ”schennis van de eerbaarheid” is niet vereist dat het menselijk lichaam of delen daarvan onbekleed waarneembaar zijn. Onder omstandigheden kan ook de confrontatie met gedragingen waarbij het menselijk lichaam of delen ervan niet onbekleed waarneembaar zijn, voor het normaal ontwikkelde schaamtegevoel kwetsend zijn. Voor een bewezenverklaring ter zake van dit misdrijf is voorts vereist dat de verdacht opzet heeft gehad op het schenden van de eerbaarheid, waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen. De schennispleging dient blijkens de redactie van artikel 239 Sr plaats te hebben op een van de in dat artikel omschreven plaatsen. Zo wordt in het artikel onder meer een ‘niet-openbare’ plaats genoemd. Een niet-openbare plaats is een niet voor het publiek toegankelijke plaats (vgl. HR 11 juni 191, ECLI:NL:HR:1991:ZC8820).
Beslissend is de waarneembaarheid van het onzedelijke (want in strijd met de eerbaarheid gepleegde) gedrag (vgl. HR 29 juni 1942, ECLI:NL:HR:1942:22). Het begrip ‘zijns ondanks’ dient te worden opgevat als tegen de wil geconfronteerd worden met het vorenbedoelde gedrag, daaronder is een onverhoedse confrontatie begrepen.
Feitelijke vaststellingen
Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 1 februari 2023 de verdachte door een gaatje in de tussenwand van een familiekleedkamer (familiekleedkamer A) van het zwembad heeft zien kijken, terwijl hij ‘met zichzelf bezig was’. In de aangrenzende familiekleedkamer (familiekleedkamer B) bevonden zich op dat moment haar 10-jarige dochter en een eveneens 10-jarig vriendinnetje, die zich op dat moment aan het omkleden waren. Aangeefster verklaarde -samengevat- het volgende:
Kleedkamer A, waarin de verdachte zich bevond, heeft twee deuren. Omdat aangeefster, staande op het middenpad, had gezien dat het slot van de deur van familiekleedkamer A, die uitkwam op bedoeld middenpad (hierna deur 1), op rood stond, trok zij de conclusie dat deze was afgesloten en is zij via een eenpersoons kleedruimte omgelopen naar de tweede deur van familiekleedkamer A, gelegen aan de zijkant, de kant van de kluisjes (hierna: deur 2) om het slot van deur 1 te openen. Bij het betreden van familiekleedkamer A, middels de niet afgesloten deur 2, zag aangeefster dat de verdachte voorovergebogen stond, met zijn gezicht dicht tegen de tussenwand die familiekleedkamer A van familiekleedkamer B scheidt. Zij zag dat verdachte door een gaatje in die tussenwand keek naar familiekleedkamer B waar de meisjes zich aan het omkleden waren. Verdachte had daarbij zijn linkerhand in zijn broek onder het elastiek van zijn joggingbroek en hij bewoog zijn arm. Toen verdachte aangeefster hoorde, schrok hij waarneembaar, sprong hij weg in de rechterhoek van de kleedkamer en stond daar te bibberen. De verdachte heeft aangeefster niet aangekeken en bleef naar de vloer kijken.
De verdachte heeft -samengevat- verklaard dat hij, op weg naar het HDD-hok om daar nieuwe vuilniszakken te halen, een vieze lucht rook, een lucht die hem ‘niet beviel’, hetgeen maakte dat hij familiekleedkamer A is binnengegaan. Daar aangekomen zag hij twee poepluiers die met de vieze kant naar beneden op de vloer respectievelijk een bank lagen. Hij is via deur 1 familiekleedkamer A binnengegaan en heeft deze deur niet afgesloten. Vervolgens heeft hij zich daar enige tijd opgehouden om de kleedkamer te ontdoen van de twee poepluiers en de kleedkamer te poetsen. Op het moment dat aangeefster de bewuste familiekleedkamer binnenkwam, stond hij daar inderdaad nog voorovergebogen, maar dat was omdat hij doende was met het opruimen van het laatste gedeelte. Het schoonmaken deed hij met behulp van een spray en papier van een rol keukenpapier.
Het hof heeft aangeefster als getuige op zitting gehoord. Desgevraagd heeft de getuige ontkend voorafgaand aan het betreden van familiekleedkamer A iets vreemds te hebben waargenomen qua geur en/of geluid. Zij dacht dat familiekleedkamer A onbezet was. Toen zij de bewuste kleedkamer betrad, heeft zij de verdachte niet in de weer gezien met luiers en hem ook niet zien schoonmaken. Evenmin heeft zij een schoonmaakspray en/of (een rol) keukenpapier gezien. Zij verklaarde opnieuw dat zij verdachte voorovergebogen aantrof met zijn gezicht ter hoogte van het gaatje in de scheidingswand, met zijn linkerhand in zijn broek. Voorts heeft aangeefster verklaard dat het slot van de familiekleedkamer met een hendel wordt bediend door deze 180 graden te draaien. Haar ervaring is nooit geweest dat een dergelijke deur van het zwembad spontaan in het slot viel.
Oordeel hof
Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij zou hebben schoongemaakt niet aannemelijk geworden en gaat dan ook uit van de juistheid van de door andere bewijsmiddelen ondersteunde verklaring van aangeefster dat zij verdachte ter hoogte van het kijkgaatje met zijn linkerhand in zijn broek zag masturberen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de verdachte het slot van deur 1, anders dan hij heeft verklaard, zelf heeft bediend.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het masturberen in een omkleedruimte onder de omstandigheden zoals hiervoor beschreven valt aan te merken als schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns (in casu haars) ondanks tegenwoordig is als bedoeld in artikel 239, aanhef en onder 3o, Wetboek van Strafrecht (thans 254b Wetboek van Strafrecht). Voor een bewezenverklaring van schennis van de eerbaarheid in voornoemde zin moet het hof in de eerste plaats vaststellen dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het schenden van die eerbaarheid. Niet elk seksueel gedrag levert immers schennis van de eerbaarheid op.
Het hof is van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar haar aard seksueel was, vastgesteld is immers dat de verdachte heeft gemasturbeerd in een kleedhokje in een zwembad, een gedraging waarvan iemand ongevraagd in beginsel geen deelgenoot zou moeten worden, hetgeen wel tegen de wil van [aangever] is gebeurd.
Met het verrichten van voornoemde gedragingen op voornoemde plaats heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de eerbaarheid wordt geschonden. Het hof betrekt hierbij dat de kleedhokjes van een zwembad veelvuldig worden gebruikt en het niet ondenkbaar is dat bepaalde gedragingen (deels) zichtbaar zijn. Ook betrekt het hof daarbij het tijdstip, te weten 16:00 uur, waarop de gedragingen hebben plaatsgevonden, alsmede de dag, woensdag, zijnde een dag waarop schoolgaande kinderen meestal vrij zijn. De kennelijke bedoeling om onbespied te blijven – wat zou kunnen volgen uit het op slot draaien van een van de deuren van de familiekamer – sluit gelet op de feitelijke vaststellingen op zichzelf niet uit dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de openbare schennispleging.
Eveneens is het hof van oordeel dat de gedraging in dit geval op een niet openbare plaats heeft plaatsgevonden, nu een kleedhokje van een zwembad een niet voor het publiek toegankelijke plaats is.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich dan ook schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
Bijzondere voorwaarden:
verdachte meldt zich na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland via het telefoonnummer [telefoonnummer] . Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en houdt zich aan afspraken die hij zal maken met de medewerkers van Reclassering Nederland;
verdachte werkt mee aan diagnostisch onderzoek bij een zorgverlener, te bepalen door medewerkers van Reclassering Nederland, waarbij met name wordt onderzocht of bij verdachte sprake is van een pedofiele stoornis. Mocht uit diagnostisch onderzoek blijken dat ambulante behandeling noodzakelijk is, dan werkt verdachte mee aan de behandeladviezen, die voortkomen uit diagnostisch onderzoek. De verdachte laat zich (ambulant) behandelen voor de problematiek bij een zorgverlener, te bepalen door medewerkers van Reclassering Nederland. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 7 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mrs. Koning, Van Setten en Smits zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.