Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:1918
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
5,297 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.722/01
arrest van 8 juli 2025
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van
1
[appellant],
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
eisers in het incident,
advocaat: mr. T.G.G. Raijmakers te Eindhoven,
tegen
1
[geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. S.M.E. Janssen te Helmond,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 februari 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/392209/HA ZA 23-256 gewezen vonnis van 31 juli 2024.
5Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie;
het tussenarrest van 18 februari 2025 waarbij het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voorlopig - tot deze uitspraak - heeft geschorst en een mondelinge behandeling in het incident heeft gelast;
de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
de akte overleggen productie in het incident van [appellant] van 6 mei 2025, met een productie;
het proces-verbaal van mondelinge behandeling in het incident van 7 mei 2025;
de antwoordakte in het incident van [geïntimeerde 1] van 27 mei 2025, tevens akte aanpassing proces-verbaal;
de akte aanpassing proces-verbaal van [appellant] van 10 juni 2025.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
Beide partijen hebben opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident op 7 mei 2025 en verzocht om aanpassing van het proces-verbaal. Het hof ziet, mede nu partijen geen bezwaar hebben geuit tegen de door de andere partij voorgestelde wijziging, aanleiding om de verzochte wijzigingen over te nemen. Het hof heeft een hersteld proces-verbaal opgesteld dat zal worden verzonden aan partijen tegelijkertijd met dit arrest.
Het gaat in dit incident om het volgende.
3.2.1.
Partijen, melkveehouders, hebben vanaf oktober 2018 gesproken over een samenwerking, gericht op de uiteindelijke overname door [geïntimeerde 1] van de onderneming van [appellant]. Partijen hebben op 23 september 2019 een maatschapsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarin wat betreft de opzegging van de maatschap en voortzetting/overname van het bedrijf onder meer het volgende is opgenomen:
"(…)
Aanvang en duur
Artikel 1
1.1
De overeenkomst van maatschap is aangegaan voor een onbepaalde tijd. Vanaf 1 januari 2019 (hierna: aanvangsdatum) oefenen de vennoten het bedrijf voor gezamenlijke rekening en risico uit. (…)
Einde van de overeenkomst
Artikel 12
12.1
De overeenkomst van maatschap eindigt:
12.1.1
door opzegging als bedoeld in artikel 13 van deze akte; (…).
Opzegging
Artikel 13
13.1
Een vennoot kan de maatschap opzeggen met een opzegtermijn van ten minste zes maanden en uitsluitend tegen het einde van een boekjaar, met dien verstande dat de maatschap in de periode van drie jaar na aanvangsdatum niet kan worden opgezegd en in de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 januari 2026 alleen door de vennoot sub 2 [[geïntimeerde 1]]. In onderling overleg kan de maatschap tussentijds worden beëindigd.
13.2
De opzegging dient op zodanige wijze te geschieden dat het voor de andere vennoot kenbaar is dat de opzeggende vennoot uit de maatschap wenst te treden.
Voortzettings- en overnamerecht
Artikel 14
14.1
Bij het einde van de overeenkomst van de maatschap en ingeval van het uittreden van de vennoot sub 2 [[geïntimeerde 1]], in de eerste drie jaren na aanvangsdatum als ook vanaf 1 januari 2026 heeft de vennoot sub 1 [[appellant]] het recht het bedrijf van maatschap voort te zetten en het aandeel van de vennoot sub 2 [[geïntimeerde 1]] in het bedrijf over te nemen.
14.2
De vennoot sub 2 [[geïntimeerde 1]] het recht heeft om in de periode na 1 januari 2022 tot en met 31 december 2025 het bedrijf van de maatschap voort te zetten en het aandeel van de vennoot sub 1 over te nemen.
14.3
Dit recht tot voortzetting moet binnen twee maanden nadat de maatschap is geëindigd, dan wel door een vennoot is opgezegd of dat een vennoot geacht wordt uit de maatschap te zijn getreden, worden uitgeoefend door het op behoorlijke wijze in kennis stellen van deze vennoot dan wel de rechtverkrijgende(n).
14.4
Door de uitoefening van dit voortzettingsrecht treden voor de voortzettende vennoot tevens de verdelings- en overnemingsrechten en -plichten in werking, zoals hierna opgenomen.
(…)
Geschil
Artikel 23
Ingeval een vennoot een verplichting, die uit deze overeenkomst voortvloeit, niet nakomt, of ingeval de samenwerking duurzaam ontwricht is, kan ontbinding van de overeenkomst van maatschap worden gevorderd.
(…)"
3.2.2.
Bij e-mail van 4 januari 2023 en brief van 20 januari 2023 heeft [geïntimeerde 1] [appellant] laten weten dat hij de maatschap opzegt tegen 31 december 2023 en dat hij het bedrijf overneemt en voortzet.
3.3.1.
Bij het bestreden vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft de rechtbank op vordering van [geïntimeerde 1] (samengevat) in conventie:
voor recht verklaard dat [geïntimeerde 1] de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, de maatschap per 31 december 2023 is geëindigd en [geïntimeerde 1] bij uitsluiting gerechtigd is om de onderneming van de maatschap voort te zetten;
[appellant] geboden om medewerking te verlenen aan de voorzetting van de onderneming door [geïntimeerde 1];
het [appellant] verboden om namens de maatschap te handelen of de maatschap anderszins te vertegenwoordigen;
[appellant] geboden om zich te onthouden van al hetgeen het voortzetten en besturen van de maatschap zou kunnen frustreren of belemmeren.
Voorts is [appellant] in conventie veroordeeld om:
mee te werken aan een slotbalans per 31 december 2023;
over te gaan tot de financiële afwikkeling van de maatschap overeenkomstig de op te stellen slotbalans;
binnen vier maanden na de uitspraak van het vonnis volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van de op de slotbalans geactiveerde zaken en rechten, alsmede de onroerende zaken, productie- en betalingsrechten waarvan het gebruik en genot door [appellant] in de maatschap is ingebracht, alsmede de tijdens de looptijd van de maatschap opgekomen vergunningen, productierechten en goodwill, en de overdracht van het woonhuis met ondergrond, tuin en erf, aan de [adres] in [plaats], onder de voorwaarden en tegen de waarde van € 1,2 miljoen zoals in de akte van maatschap is bepaald, op straffe van de contractuele boete van € 500,- per dag dat [appellant] in gebreke blijft aan de overdracht mee te werken vanaf zes maanden nadat de verdeling van het vermogen heeft plaatsgevonden;
buitengerechtelijke incassokosten te betalen ten bedrage van € 6.775,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
De (voorwaardelijke) vordering van [appellant] in reconventie, strekkende tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, heeft de rechtbank niet toegewezen.
3.3.2.
De rechtbank heeft overwogen dat artikel 14 van de overeenkomst in drie fasen voorziet:
- fase 1 (2019 tot en met 2021) waarin [appellant] kon beslissen dat er tussen partijen geen klik was en de onderneming niet aan [geïntimeerde 1] zou worden overgedragen, en waarin dus uitsluitend [appellant] de maatschap kon opzeggen en voorzetten;
- na fase 1, als [appellant] de maatschap niet zou hebben opgezegd, was het vertrouwen door [geïntimeerde 1] verdiend en mocht uitsluitend [geïntimeerde 1] in deze fase 2 (2022 tot en met 2025) de maatschap opzeggen en de onderneming overnemen en voortzetten;
- in fase 3 (de periode vanaf 2026), als [geïntimeerde 1] de maatschap niet in fase 2 zou hebben opgezegd, mocht uitsluitend [appellant] nog opzeggen en voortzetten, om een andere opvolger te zoeken.
Op 4 januari 2023, in fase 2, kon [geïntimeerde 1], aldus de rechtbank, op grond van artikel 14 van de overeenkomst beslissen om de overeenkomst van maatschap op te zeggen en de onderneming voort te zetten, zoals hij heeft gedaan. Daarom kunnen de vorderingen in conventie (grotendeels) worden toegewezen en moeten die in reconventie worden afgewezen, aldus de rechtbank.
3.4.1.
[appellant] vordert in het incident de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte artikel 23 van de overeenkomst buiten beschouwing gelaten, waarin staat dat ieder van partijen de overeenkomst kan doen ontbinden indien er sprake is van duurzame ontwrichting van de samenwerking tussen partijen. Van een dergelijke ontwrichting was volgens [appellant] onmiskenbaar sprake, omdat partijen het niet eens konden worden over de wijze waarop de onderneming bestierd moest worden, wat tot een onhoudbare situatie leidde. [appellant] heeft tegen deze achtergrond onder meer de volgende e-mails aan [geïntimeerde 1] gestuurd:
"Ik wil jullie niet meer zien." (15 december 2021);
"Ik had het ZO goed voor met jullie maar als jullie precies de andere kant op willen dan ik dan werkt het niet. Accepteer dat het voorbij is. Het heeft ONS meer dan genoeg gekost, dus ik hoop dat jullie het daarbij laten. Ga begin volgend jaar a.u.b. naar de KvK om jullie weer uit te laten schrijven uit onze maatschap. (…)." (16 december 2021);
"Er staat toch een beëindigingsclausule in. Sinds jullie hier kwamen vertellen dat je onze stal plat wilde gooien had het vertrouwen al een flinke deuk opgelopen. Toen afgelopen zomer duidelijk werd dat jullie de SABE tegoedbon niet hadden aangevraagd, terwijl Hans [geïntimeerde sub 1] had toegezegd dat wel te doen, was het vertrouwen helemaal OVER. Als jullie voor 30 januari niet doorgemaild hebben wanneer jullie uitgeschreven worden bij de KvK schakel ik de rechtsbijstand in. Het heeft meer dan lang genoeg geduurd." (21 januari 2021);
"Als jullie mij dood willen hebben, moet je zo doorgaan. En in tegenstelling tot Hans doe IK WEL wat ik zeg. Ik ga mijn bedrijf ECHT niet overdragen aan 2 gekken zonder verstand, die ALLEEN maar aan VEEL koeien denken en dan ook nog onnozel doen dat ze niet weten waarom ik van hun af wil." (5 mei 2022).
[appellant] voert aan dat in eerste aanleg ten onrechte geen debat heeft plaatsgevonden over de in artikel 23 van de overeenkomst opgenomen mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst en het feit dat [appellant], zoals blijkt uit de e-mails, van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, althans nog gebruik kan maken.
3.4.2.
Verder heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn vordering in het incident aangevoerd dat een afweging van de wederzijdse belangen van partijen in zijn voordeel dient uit te vallen. Indien de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis niet wordt geschorst, heeft dat tot gevolg dat [appellant] huis en haard dient te verlaten. Gedurende meer dan 46 jaar heeft [appellant] zijn ziel en zaligheid gelegd in het bedrijf, dat hij nu dreigt te verliezen. Daarbij komt dat [geïntimeerde 1] niet of nauwelijks arbeidsinspanningen heeft geleverd, dat [geïntimeerde 1] slechts zeer korte tijd bij de onderneming betrokken is geweest en dat de beoogde samenwerking nog geen jaar heeft geduurd. [geïntimeerde 1] kwam slechts af en toe op het bedrijf. Vanaf het najaar van 2021 is [geïntimeerde 1] in het geheel niet meer op het bedrijf geweest, aldus [appellant]. Deze redenen rechtvaardigen volgens [appellant] dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst en dat de uitkomst van het hoger beroep moet kunnen worden afgewacht.
3.4.3.
[geïntimeerde 1] heeft geen antwoordconclusie in het incident genomen.
Dictum
In de hoofdzaak
3.12.
De zaak is naar de rol van vandaag verwezen voor partijberaad.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van heden voor partijberaad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, J.M.H. Schoenmakers en B.E.L.J.C. Verbunt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 juli 2025.
griffier rolraadsheer
Geschil
3.5.
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.6.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag. Van een dergelijke misslag kan pas sprake zijn indien de misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Dat dit het geval zou zijn volgt niet uit de stellingen van [appellant] en blijkt ook niet anderszins. In ieder geval blijkt uit de stukken niet dat [appellant] in eerste aanleg voldoende duidelijk al een beroep heeft gedaan op artikel 23 van de overeenkomst en het inroepen van die bepaling door [appellant]. Niet kan daarom worden gezegd dat de rechtbank een (evidente) fout heeft gemaakt door aan dat standpunt geen overwegingen te wijden en daarop niet te beslissen.
3.7.
In rechtsoverweging 4.1 onder h van het bestreden vonnis heeft de rechtbank gemotiveerd dat en waarom zij het vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Gelet op de maatstaf geformuleerd in rechtsoverweging 3.5, onder c, van de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2019, kunnen bij de te verrichten belangenafweging daarom in beginsel alleen feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis nog niet aan de orde waren en die in voldoende mate kunnen afdoen aan de door de rechtbank uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.8.
In eerste aanleg heeft [appellant] aangevoerd dat de kinderen van [appellant] geen ambitie hadden om het bedrijf van hun ouders voor te zetten, reden waarom [appellant] toen op zoek is gegaan naar andere opvolgers. Ter zitting van het hof is evenwel gebleken dat [appellant] het bedrijf toch aan één van de drie kinderen wil gaan overdragen, dat zijn jongste zoon in ieder geval op de boerderij wil blijven wonen en dat deze eventueel op termijn grond wil gaan verhuren. Dit is een nieuw gebleken omstandigheid waarmee ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis nog geen rekening is gehouden.
3.9.
Verder overweegt het hof dat [geïntimeerde 1] de feiten en omstandigheden die [appellant] aan zijn vordering tot schorsing ten grondslag heeft gelegd, niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Niet alleen heeft [geïntimeerde 1] geen antwoordconclusie in het incident genomen, maar ook heeft [geïntimeerde 1] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de hiervoor in rechtsoverweging 3.4.2 genoemde, door [appellant] opgeworpen feiten en omstandigheden als zodanig niet bestreden. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant], die meer dan vier decennia op het bedrijf heeft gewerkt, nog in de boerderij woont en kennelijk geen vervangende woonruimte heeft, op straat zal komen te staan als het bestreden vonnis nu ten uitvoer wordt gelegd. Ook gaat het hof er bij de belangenafweging vanuit, zoals [appellant] heeft aangevoerd en door [geïntimeerde 1] als zodanig niet is betwist, dat [geïntimeerde 1] - afgezien van de vraag aan wie dat te wijten is geweest - slechts zeer korte tijd bij de onderneming betrokken is geweest, dat de beoogde samenwerking nog geen jaar heeft geduurd, dat [geïntimeerde 1] slechts af en toe op het bedrijf kwam en dat [geïntimeerde 1] vanaf het najaar van 2021 in het geheel niet meer op het bedrijf is geweest.
[geïntimeerde 1] heeft zijnerzijds aangevoerd dat er nu sprake is van een onduidelijke en onzekere situatie, dat dit voorlopig zo blijft als het bestreden vonnis niet kan worden tenuitvoergelegd en dat de ontwikkeling van zijn bedrijf nu stilligt.
3.10.
De argumenten van [geïntimeerde 1] kunnen naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate afdoen aan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vordering. Gelet op de verstrekkende gevolgen die de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op dit moment voor [appellant] zal hebben, valt de belangenafweging in het voordeel van [appellant] uit.
De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is derhalve toewijsbaar.
3.11.