Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:1917
Civiel recht; Internationaal privaatrecht, Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,186 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.346.928/01
arrest van 8 juli 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. E. El-Sharkawi te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] (Qatar),
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
op het bij exploot van dagvaarding van 25 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.
De zaak in het kort
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Volgens de vrouw is tussen hen sprake van
een huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht. Deze huwelijksgemeenschap moet nog worden verdeeld. Volgens de man is daarvan geen sprake omdat op het huwelijksregime van partijen (uitsluitend) Syrisch recht van toepassing is.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met productie 1 (het bestreden vonnis);
de memorie van grieven met de producties 1 (de beschikking van de rechtbank van 31 januari 2023 waarin de rechtbank zich – onder meer – onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het verzoekschrift tot echtscheiding) tot en met 4;
de memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel met producties 1 en 2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1
Het hof gaat uit van de volgende niet dan wel onvoldoende bestreden feiten en omstandigheden:
a. a) partijen zijn op 27 juli 2005 te [plaats] , Syrië, met elkaar gehuwd;
b) op de datum van de huwelijksvoltrekking had de man de Syrische en (sinds 7 juni 2005) de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Syrische nationaliteit; sinds 26 april 2012 heeft de vrouw ook de Nederlandse nationaliteit;
c) uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [kind 1] , op [geboortedatum ] te [geboorteplaats] , Syrië,
- [kind 2] , op [geboortedatum ] te [geboorteplaats] ;
d) op 5 december 2013 zijn partijen geëmigreerd naar [plaats] ;
e) op 31 augustus 2021 heeft de rechter in Syrië de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De Syrische echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag en op 14 september 2021 in Nederland rechtsgeldig geworden;
f) de man woont nog steeds in [plaats] en de vrouw en kinderen wonen sinds juli 2021 in [plaats] (Verenigde Arabische Emiraten).
Procesverloop
eis in conventie
3.2.1
In de onderhavige procedure vordert de vrouw in conventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
a. te bepalen dat de man binnen zes weken na heden de benodigde bescheiden, althans
afschriften daarvan, omtrent de echtelijke woning, de jaarstukken van de onderneming in [plaats] , de bankafschriften op de peildatum en de overige gemeenschappelijke goederen dient over te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
b. de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen in die zin dat de helft van de opbrengst (overwaarde) van de echtelijke woning, de helft van de waarde van de onderneming in [plaats] , de helft van de banktegoeden van de man en de helft van overige roerende zaken (auto’s) aan haar worden toegedeeld of dat de huwelijksgemeenschap aan de man wordt toegedeeld tegen vergoeding aan de vrouw van € 500.000,--.
3.2.2
De vrouw heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen partijen sprake is van een huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht en dat zij recht heeft op verdeling daarvan bij helfte.
eis in reconventie
3.2.3
De man vordert in reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang:
primair
te bepalen dat Syrisch recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen;
subsidiair
te bepalen dat vanaf 27 juli 2005 tot en met 25 april 2012 Syrisch recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en vanaf 26 april 2012 tot aan de datum van indiening van het Syrische verzoek tot echtscheiding, 31 augustus 2021, Nederlands recht.
het bestreden vonnis
3.2.4
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang:
in conventie:
- de vorderingen van de vrouw afgewezen en
in reconventie:
- bepaald dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Syrisch recht van toepassing is.
In conventie en reconventie heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.
Procesverloop
3.3
De vrouw is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis, en vordert bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen in die zin dat de helft van het opgebouwde vermogen van de man met ingang van 2 september 2008 aan haar wordt toegedeeld;
subsidiair: in geval de man de benodigde bescheiden inzake voornoemde gemeenschappelijke goederen niet heeft overgelegd:
II. te bepalen dat de huwelijksgemeenschap aan de man wordt toegedeeld tegen een vergoeding aan haar van € 500.000,--.
III. de man te veroordelen in de kosten van het proces in beide instanties.
3.4
De man voert verweer. Hij concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met inachtneming van hetgeen hij stelt in het voorwaardelijk incidenteel appel.
rechtsmacht
3.5
Omdat het geschil internationale aspecten heeft, moet het hof als eerste, ambtshalve, onderzoeken of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van het geschil.
Gelet op de datum van indiening van de inleidende vordering van de vrouw (23 november 2021) wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de vorderingen kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). De rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgt dan uit art. 6 sub d, van de HuwVermVo: beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
toepasselijk recht
3.6
Gelet op de datum van huwelijkssluiting (27 juli 2005) is op het huwelijksvermogensregime van partijen het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (hierna het Verdrag) van toepassing. Voor het geschil tussen partijen zijn de volgende artikelen relevant:
Artikel 4
1. Indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen.
2. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit:
1. indien door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;
2. indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:
a. in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of
b. in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;
3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
3. Bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden.
Artikel 7
1. Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.
2. Indien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk:
1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of
2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad;
3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime, uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.
3.7
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat op het huwelijksvermogensregime van partijen uitsluitend Syrisch recht van toepassing is (rov. 5.5.). De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen:
‘5.4.10. De rechtbank zal er verder hierna van uitgaan dat partijen na hun huwelijk niet in hetzelfde land zijn gaan wonen.
Volgens de vrouw zijn partijen na hun huwelijk op 27 juli 2005 in Syrië niet in hetzelfde land gaan wonen. Volgens de vrouw had de man na dit huwelijk zijn gewone verblijf in Nederland en had zij na dit huwelijk haar gewone verblijf in Syrië. De man (…) heeft deze stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan.
5.4.11.
Nu partijen vóór hun huwelijk de Syrische nationaliteit gemeenschappelijk hadden en na hun huwelijk niet in hetzelfde land zijn gaan wonen, is volgens het HHV het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit, en derhalve van Syrië, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime en wel vanaf de datum van hun huwelijk, zijnde 27 juli 2005.
5.4.12.
Nu de rechtbank van oordeel is dat Syrisch recht van toepassing is op het huwelijks-vermogensregime van partijen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire stelling van de vrouw dat het toepasselijke recht is gewijzigd nadat de vrouw is genaturaliseerd.
(…)
5.4.14.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat vanaf haar naturalisatie Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen. Om tot deze vérstrekkende door de vrouw gestelde conclusie te kunnen komen, had het op haar weg gelegen om deze door de man betwiste enkele stelling van haar voldoende feitelijk en concreet (nader) te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, komt de rechtbank niet toe aan het opdragen van bewijs aan de vrouw van die stelling. Het bewijsrecht strekt er immers niet toe om lacunes in de (nadere) stelplicht te repareren.
Bij een en ander is in aanmerking genomen dat, gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 1 van het HHV, als hoofdregel geldt dat het recht dat op grond van het HHV van toepassing is (hier: Syrisch recht) van toepassing blijft zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, “zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit” of gewone verblijfplaats. Uitzonderingen op deze hoofdregel zijn gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 2 van het HHV wel mogelijk, maar er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat en per wanneer daarvan in deze zaak sprake is.
Geschil
Het begrip gewone verblijfplaats moet volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. Voorts geldt volgens vaste rechtspraak, behoudens bijzondere omstandigheden, daarbij als uitgangspunt dat echtgenoten een eerste huwelijksdomicilie in de zin van art. 4 lid 1 van het Verdrag slechts gedurende de eerste zes maanden na hun huwelijk kunnen vestigen.
3.12
Volgens de vrouw hadden partijen na de huwelijkssluiting niet een gewone gezamenlijke verblijfplaats. De man, die destijds al de Nederlandse nationaliteit had, had zijn gewone verblijf in Nederland en zij in Syrië. In Nederland heeft hij een echtelijke woning gekocht en ingericht. De inboedel heeft hij uit Syrië naar Nederland gehaald, alwaar hij voor haar een aanvraagprocedure voor machtiging tot voorlopig verblijf/verblijfsvergunning is gestart. Partijen beoogden zich permanent in Nederland te vestigen (vzs vrouw in eerste aanleg, p. 3).
3.13
Het hof is van oordeel dat de man de stellingen van de vrouw – die worden ondersteund door het door haar overgelegde afschrift uit de Basisregistratie Personen (BRP) waaruit blijkt dat de man zich op 12 juli 2005 heeft ingeschreven in de gemeente Amsterdam (mvg prod. 4) – onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De man heeft daar namelijk enkel tegenover gesteld dat, voordat hij in 2007 naar Nederland vertrok, partijen gezamenlijk in zijn woning in Syrië hebben gewoond en [kind 1] daar is geboren. Mede in het licht van zijn op 7 juni 2005 verkregen Nederlandse nationaliteit en zijn inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam op 12 juli 2005, valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien dat de man na de huwelijkssluiting het permanente centrum van zijn belangen in Syrië heeft gevestigd. De omstandigheid dat hij (nog) een eigen woning in Syrië had en [kind 1] daar is geboren, kan wel leiden tot de aanname dat hij toen regelmatig naar Syrië is afgereisd en dan ook in zijn woning verbleef, maar uit niets blijkt dat zijn verblijf aldaar een permanent karakter heeft gehad. Het had op de weg van de man gelegen zich daarover nader (met relevante verificatoire stukken) uit te laten, maar dit heeft hij nagelaten, hetgeen voor zijn risico dient te blijven. De drie schriftelijke verklaringen (prod. 2 mva) die hij ter onderbouwing van zijn stelling heeft overgelegd, zijn daartoe onvoldoende. Zo daaraan al enige betekenis kan worden toegekend (de verklaringen zijn alle drie gelijkluidend en ondertekend door niet nader aangeduide personen), werpen ook die verklaringen geen nader licht op de aard van de verblijfsituatie van de man in Syrië destijds..
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat partijen samen niet een eerste gewone gezamenlijke verblijfplaats hebben gevestigd in de zin van art. 4 lid 1 van het Verdrag
3.14
Nu verder vaststaat dat partijen vóór hun huwelijk geen geldige rechtskeuze hebben gemaakt en ten tijde van de huwelijkssluiting de Syrische nationaliteit gemeenschappelijk hadden, is ingevolge art. 4 lid 2 onder 3 van het Verdrag vanaf de huwelijkssluiting Syrisch recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing. Op grond van art. 7 onder 3 van het Verdrag is vervolgens Nederlands recht van toepassing vanaf het tijdstip waarop de vrouw zich in Nederland heeft gevestigd. Volgens de vrouw was dit op 2 september 2008, hetgeen wordt bevestigd door het door haar overgelegde afschrift uit de BRP (bijlage 1 bij F9-formulier van 11 maart 2022).
3.15
Het voorgaande betekent dat de grief van de vrouw slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man is inhoudelijk gelijk aan zijn betwisting zoals hiervoor weergegeven en behoeft daarom geen bespreking.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap
3.16
Omdat vanaf 2 september 2008 het Nederlandse recht het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst, is ingevolge het Nederlandse huwelijksvermogensrecht een gemeenschap van goederen ontstaan. De (ontbonden) gemeenschap van goederen omvat de goederen die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan vanaf 2 september 2008. Op hetgeen partijen vóór die datum hebben verworven en de vóór die datum aangegane schulden blijft het Syrisch huwelijksvermogensrecht van toepassing.
3.17
Teneinde de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap vast te kunnen stellen, dienen partijen zich uit te laten over:
welke van de voor de vermogensafrekening van belang zijnde goederen zijn verkregen en schulden zijn aangegaan vóór respectievelijk na 2 september 2008, een en ander onderbouwd met stukken;
de peildatum voor de waarde van de te verdelen goederen die tot de huwelijksgemeenschap behoren;
de waarde van de vermogensbestanddelen per peildatum, onderbouwd met stukken.
Voorts dienen partijen een voorstel te doen voor de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap.
3.18
Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot na te melden pro forma-datum.
Proceskosten
3.19
Dictum
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de proceskostenveroordeling en,
opnieuw rechtdoende,
bepaalt dat op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is:
- vanaf de datum van huwelijkssluiting (27 juli 2005) tot 2 september 2008: het Syrische recht en
- met ingang van 2 september 2008: het Nederlandse recht;
verwijst de zaak naar de rol van 19 augustus 2025 voor akte aan de zijde van partijen (gelijktijdig) met de hiervoor in rechtsoverweging 3.17 vermelde doeleinden, waarna partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 juli 2025
griffier rolraadsheer