Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:1846
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep kort geding
10,396 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.886/01
arrest van 1 juli 2025
in de zaak van
1
[appellant],wonende te [woonplaats],
2. [appellante],wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten],
advocaat: mr. W.E. Widdershoven te Maastricht,
tegen
1
[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden],
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 juni 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties 47 tot en met 50;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling van 20 mei 2025, waarbij partij [geïntimeerden] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
de bij H3-formulier van 10 april 2025 door [appellanten] toegezonden producties 51 tot en met 56, die bij de mondelinge behandeling door het hof aan de gedingstukken zijn toegevoegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort en de beslissing van het hof
[appellanten] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar. Volgens [appellanten] maken [geïntimeerden] heimelijk geluidsopnames van privégesprekken die [geïntimeerden] op hun eigen perceel (buiten en in hun woning) voeren en hebben zij ook opnames gedeeld met derden. Dit is een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] vorderen in deze procedure dat [geïntimeerden] de camera's met geluidopnamefunctie rondom hun woning moeten verwijderen en dat hun wordt verboden om heimelijk geluidsopnames van [appellanten] te maken en te delen met derden. Ook vorderen zij dat [geïntimeerden] alle gemaakte opnames aan [appellanten] overhandigen of verwijderen. Net als de voorzieningenrechter komt het hof tot het oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] privégesprekken op het terrein van [appellanten] hebben opgenomen of met hun apparatuur kunnen opnemen, zodat de vorderingen worden afgewezen.
Beoordeling
De voor deze zaak relevante feiten
3.1.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Volgens [appellanten] is de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis in rov. 2.3. buiten de rechtsstrijd van partijen getreden (grief 1). Het hof zal hierna een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
3.1.1.
[appellanten] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar.
3.1.2.
[appellanten] zijn sinds januari 2020 eigenaren van de woning met inpandige garage
aan de [adres 1] te [plaats]. [geïntimeerden] zijn
sinds april 2018 eigenaren van de woning aan de [adres 2] te [plaats].
3.1.3.
Het perceel van [appellanten] is hoger gelegen dan de openbare weg en het perceel van
[geïntimeerden] Het perceel van [appellanten] kan vanaf de openbare weg met de auto alleen bereikt
worden via een pad dat vanaf de openbare weg omhoog loopt langs de woningen aan de
[adres 3], [adres 4] en de woning van [geïntimeerden] (hierna: het pad). Het pad zelf is
geen openbare weg. Het begin van het pad ligt op grond van de gemeente en het maakt
vervolgens deel uit van successievelijk de percelen [adres 3], [adres 4] en van het
perceel van [geïntimeerden] Het perceel [adres 4] is lager gelegen dan het perceel van [geïntimeerden] en is in eigendom van de familie [[-]] (hierna: [[-]]).
3.1.4.
Partijen zijn sinds 2021 verwikkeld in een geschil over enerzijds de rechten die
[appellanten] hebben ter zake van het gebruik van het pad en anderzijds de camera’s die ieder der partijen aan hun woning heeft bevestigd. Partijen hebben ten aanzien van het gebruik van het pad een drietal procedures gevoerd, waarbij de procedure in hoger beroep nog aanhangig is.
3.1.5.
[geïntimeerden] hebben aan hun woning vier camera’s bevestigd van het merk Google Nest
Outdoor (deze camera’s zullen hierna overeenkomstig de nummering in productie 4 van
[geïntimeerden] afzonderlijk worden aangeduid met de nummers 1 tot en met 4).
3.1.6.
De advocaat van [appellanten] heeft bij e-mail van 4 maart 2024 contact gezocht met de advocaat van [geïntimeerden] over de camera’s van de woning van [geïntimeerden] Hij schrijft als volgt:
"(...) Op vrijdag 1 maart 2024 ontving ik van mr. Willemsen (de advocaat van de familie [[-]]) een geluidsopname van een privégesprek die [appellante] voerde met [appellant] op privéterrein. De familie [[-]] gaf aan dat zij deze privégesprekken tussen mijn cliënten heeft ontvangen van uw cliënten. Het zal u niet verbazen dat mijn cliënten het niet op prijs stellen dat uw cliënten op heimelijke wijze privégesprekken tussen mijn cliënten opnemen, bewaren en zelfs delen met derden. (...)"
3.1.7.
De advocaat van [geïntimeerden] heeft bij e-mail van 5 maart 2024 (onder andere) als volgt gereageerd:
"(...) Ten eerste vraag ik mij af of u de geluidsopnames wel hebt beluisterd? Uit beide geluidopnames blijkt namelijk een volstrekt ongepaste scheldkanonnade richting de familie [[-]]. (...) De geluidopnames zijn afkomstig van de camera’(s) van mijn cliënten, welke gericht zijn op hun eigen perceel. Cliënten betwisten dan ook dat het gaat om 'privégesprekken'. Het zijn juist incidenten die zich allemaal voordoen op het erf van mijn cliënten.
(...) In ieder geval ziet u in bijgevoegde akte wat de camera(s) van mijn cliënten registreren. Zoals u kunt zien zijn de camera’s dus op het perceel van mijn cliënten gericht. (...)"
3.1.8.
De advocaat van [geïntimeerden] heeft in dezelfde e-mail de advocaat van [appellanten] geïnformeerd over het indienen van (onder andere) productie 44 in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof aanhangig is. Deze productie bevat 76 beeld- en/of geluidsopnames.
Procesverloop
3.2.
In de onderhavige procedure vorderen [appellanten], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [geïntimeerden] te gebieden om camera’s rondom hun woning met geluidopnamefunctie binnen 48 uur na het in deze zaak te wijzen vonnis, althans betekening daarvan, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 75.000,--,
II. [geïntimeerden] te gebieden om alle geluidopnames van [appellanten] die zich op een gegevensdrager bevinden, binnen 48 uur na het in deze zaak te wijzen vonnis, althans betekening daarvan, aan [appellanten] te overhandigen, althans te verwijderen en daarvan een schriftelijke ondertekende bevestiging aan [appellanten] toe te zenden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 75.000,--,
III. [geïntimeerden] te verbieden om heimelijk geluidopnames van [appellanten] te maken, hebben, houden en/of op te slaan op een gegevensdrager en/of te delen met derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per keer dat [geïntimeerden]
in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 75.000,--,
IV. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat [geïntimeerden] de wettelijke rente hierover verschuldigd zijn indien deze kosten niet binnen zeven dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis, althans de betekening daarvan, aan [appellanten] zijn betaald.
3.2.1.
Aan deze vorderingen hebben [appellanten] het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerden] hebben gedurende anderhalf jaar zonder toestemming en op heimelijke wijze privégesprekken van [appellanten] – die door hen op hun eigen perceel (buiten en in hun woning) werden gevoerd – afgeluisterd, opgenomen, opgeslagen en gedeeld met derden. Dit blijkt volgens [appellanten] uit de door [geïntimeerden] ingediende 76 geluidsopnames in de hoger beroepprocedure (in deze procedure overgelegd als productie 37 van de inleidende dagvaarding). Het blijkt ook uit de geluidsopname van privégesprekken van [appellanten] die de advocaat van [[-]] aan de advocaat van [appellanten] heeft toegezonden en die door [geïntimeerden] aan [[-]] is verstrekt. Volgens [appellanten] wordt hun standpunt ondersteund door het onderzoek dat mr. Widdershoven met de (door hem gekochte) camera's van hetzelfde merk en type als de camera's van [geïntimeerden] heeft verricht naar de reikwijdte van de microfoon en de geluidsopnamefunctie van de camera’s. Uit dit onderzoek blijkt dat de camera’s van [geïntimeerden] geluiden tot 31 meter verderop kunnen opnemen en daarmee ook geluiden c.q. privégesprekken op het perceel van [appellanten], aldus [appellanten] Gelet op het voorgaande voeren [appellanten] aan dat [geïntimeerden] door het opnemen van deze geluidsopnames jegens hen onrechtmatig handelen door zonder enige rechtvaardigingsgrond inbreuk te maken op hun (recht op eerbiediging van de) persoonlijke levenssfeer.
3.2.2.
[geïntimeerden] hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.3.
In het bestreden vonnis van 13 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat voorshands niet aannemelijk is dat [geïntimeerden] door het opnemen van geluid een onrechtmatige inbreuk maken op het recht van privacy van [appellanten]
Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.
Procesverloop
3.3.
[appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.
3.3.1.
[geïntimeerden] bestrijden de grieven. Zij hebben geconcludeerd tot verwerping van de grieven en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de werkelijke kosten in beide instanties.
3.3.2.
Met de grieven beogen [appellanten] dat hun vorderingen alsnog integraal worden toegewezen. De grieven richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands niet aannemelijk is dat:
- de camera's van [geïntimeerden] in staat zijn om geluiden op te nemen tot een afstand van ten minste 31 meter;
- [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen;
- [geïntimeerden] door hen opgenomen beeld- en/of geluidsfragmenten hebben gedeeld met derden.
Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.
Beoordeling
spoedeisend belang
3.4.
Het hof overweegt allereerst ambtshalve dat de aard van de vorderingen van [appellanten] (onrechtmatige inbreuk op het recht op privacy) en hetgeen zij daaraan ten grondslag hebben gelegd meebrengen dat [appellanten] ook in hoger beroep spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben.
maatstaf
3.5.
[appellanten] hebben geen grief aangevoerd tegen de door de voorzieningenrechter gehanteerde maatstaf. Het hof stelt, evenals de voorzieningenrechter, het volgende voorop.
3.5.1.
De aard van de onderhavige procedure, die erop is gericht om met spoed een voorlopige voorziening te verkrijgen, brengt mee dat er geen ruimte bestaat voor een uitvoerig onderzoek naar de juistheid van de door partijen ter onderbouwing van hun standpunten aangevoerde feiten en/of omstandigheden. Op basis van de op dit moment beschikbare gedingstukken dient beoordeeld te worden of de vorderingen van [appellanten] in een te voeren bodemprocedure een dermate grote kans van slagen zullen hebben dat – mede gelet op de over en weer bestaande belangen van partijen – vooruitlopend op die beslissing toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
3.5.2.
Als uitgangspunt geldt dat een ieder in beginsel gerechtigd is tot het plaatsen van camera’s op zijn perceel, mits deze zodanig zijn geplaatst dat daarmee niet de privacy van derden wordt geschonden. Van een dergelijke schending kan sprake zijn indien gesprekken die derden op normale conversatietoon voeren op eigen terrein, door de microfoon van een camera worden opgenomen.
3.5.3.
Een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer levert in beginsel een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609).
3.6.
Het hof dient dus als eerste te beoordelen of [geïntimeerden] inbreuk maken op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] Als een dergelijke inbreuk voldoende aannemelijk is, dient vervolgens te worden beoordeeld of het beroep van [geïntimeerden] op een rechtvaardigingsgrond slaagt. Slechts als dat niet het geval is, komen de vorderingen van [appellanten] voor toewijzing in aanmerking.
inbreuk recht op privacy?
3.7.
In deze procedure staat de rechtmatigheid van de door [geïntimeerden] opgenomen geluidsfragmenten ter discussie. De rechtmatigheid van de beeldopnames van de camera's van [geïntimeerden] is niet in geschil.
3.8.
[appellanten] stellen een tweetal gedragingen van [geïntimeerden] die volgens hen inbreuk maken op hun recht op privacy:
1.- het maken van geluidsopnames van privégesprekken op het perceel van [appellanten];
2.- het verstrekken van geluidsopnames van privégesprekken van [appellanten] aan derden, te weten [[-]].
Ad 1: opnemen van privégesprekken op het perceel van [appellanten]
3.9.
[appellanten] stellen dat [geïntimeerden] met hun camera's gesprekken kunnen opnemen op het perceel van [appellanten] en dat zij dat ook hebben gedaan. Zij onderbouwen dit als volgt.
Uit een door mr. Widdershoven uitgevoerde test met twee camera's van hetzelfde merk en typenummer als de camera's van [geïntimeerden] volgt dat de camera's geluid (gesproken woorden) kunnen opnemen tot een afstand van ten minste 31 meter. De camera's van [appellanten] zijn bevestigd op maximaal twaalf meter afstand van het perceel van [appellanten] Daaruit volgt dat de camera's in staat zijn om geluidsopnames te maken van gesprekken op het perceel van [appellanten]
Dat [geïntimeerden] ook gebruikmaken van deze functie en daadwerkelijk gesprekken op het perceel en in de woning van [appellanten] hebben opgenomen, blijkt uit de geluidsopnames gemaakt door de camera's van [geïntimeerden], die door [appellanten] in de procedure zijn ingebracht (productie 37 bij inleidende dagvaarding: 76 verschillende beeld- en geluidsfragmenten, afkomstig van de camera's 1 tot en met 4 van [geïntimeerden]).
3.10.
Het hof is voorshands van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen. Daartoe is het volgende redengevend.
3.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerden] op hun perceel vier camera's van het merk en type Google Nest Outdoor met beeld- en geluidsopnamefunctie hebben bevestigd. Camera 1, 2 en 3 behoren tot de zogenoemde 'eerste generatie', camera 4 behoort tot de 'tweede generatie'. Camera 4 is gericht op het gedeelte van de erfgrens tussen de woningen van [geïntimeerden] en [[-]] dat in de breedte over het pad loopt. [appellanten] stellen dat camera’s 1, 2 en 3 zodanig staan afgesteld dat het beeld reikt tot aan erfgrens met [appellanten] Daaruit volgt volgens [appellanten] dat wanneer er op een bepaalde opname geluid hoorbaar is, maar de geluidsbron op het beeld niet zichtbaar is, deze zich dus op het perceel van [appellanten] bevindt. Hoewel uit de beelden van de camera’s 1 en 2 niet met zekerheid kan worden opgemaakt dat zij helemaal tot aan de erfgrens filmen, zal het hof er voor de beoordeling veronderstellenderwijs van uitgaan dat voor camera's 1, 2 en 3 geldt dat, zodra de geluidsbron op de beelden niet zichtbaar is, deze zich bevindt op het perceel van [appellanten], overeenkomstig de stelling van [appellanten]
3.12.
Ten aanzien van de 76 door [appellanten] ingebrachte beeld- en geluidsfragmenten (productie 37 bij inleidende dagvaarding) overweegt het hof als volgt. Vast staat – zoals [appellanten] ook ter mondelinge behandeling van het hof hebben erkend – dat niet alle fragmenten relevant zijn en kunnen dienen ter onderbouwing van hun stellingen. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om het hof te wijzen op de fragmenten waaruit de onderbouwing voor hun stelling blijkt. Ook desgevraagd ter mondelinge behandeling bij het hof hebben [appellanten] niet concreet gemaakt met welke specifieke fragmenten zij hun stellingen onderbouwen. Aangezien het niet aan het hof is om in 76 beeld- en geluidsfragmenten zelf op zoek te gaan naar welke fragmenten relevant zijn voor de vorderingen, hebben [appellanten] hiermee hun stellingen onvoldoende onderbouwd. Hierbij komt dat de 76 beeld- en geluidfragmenten niet leiden tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen. Het hof zal dit hierna toelichten.
niet relevante fragmenten
3.13.
Op een deel van de beeldfragmenten is geen geluid hoorbaar. Deze fragmenten kunnen niet dienen ter onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen.
3.14.
Een deel van de fragmenten betreft enkel geluidsfragmenten, waarop geen beeld zichtbaar is.
Conclusie
3.23.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het handelen van [geïntimeerden], voor zover dat bestaat uit het hebben en gebruiken van camera's van het merk Google Nest Outdoor met de mogelijkheid om beeld- en geluidsopnames te maken, onrechtmatig is jegens [appellanten] In het kader van dit kort geding is geen ruimte voor bewijslevering.
Ad 2 delen van geluidsfragmenten
3.24.
[appellanten] stellen verder dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door de opgenomen geluidsfragmenten te delen met derden, te weten [[-]]. De advocaat van [geïntimeerden] heeft volgens [appellanten] erkend dat [geïntimeerden] geluidsopnames van hun camera's, waarop geluiden afkomstig van het perceel van [appellanten] hoorbaar zijn, aan [[-]] hebben verstrekt.
3.25.
[geïntimeerden] betwisten dat zij geluidsfragmenten hebben gedeeld met [[-]]. Zij hebben aangevoerd dat de door [appellanten] bedoelde fragmenten afkomstig zijn van camera 4. Camera 4 filmt de gezamenlijke erfgrens van [geïntimeerden] en [[-]]. [[-]] is mede-eigenaar van camera 4, zodat zij zelf toegang hebben tot de beeld- en geluidsfragmenten van camera 4. Zij hebben een verklaring ingebracht van [persoon A], waarin hij verklaart dat camera 4 gezamenlijk eigendom is van [geïntimeerden] en [[-]] en dat zij daarom zelf de beschikking hebben over de beeld- en geluidsfragmenten.
3.26.
Gezien de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden], had het op de weg van [appellanten] gelegen om op zijn minst te stellen van welke camera de geluidsfragmenten dan wel afkomstig zijn. De enkele opmerking dat zij niet weten van welke camera de geluids-fragmenten afkomstig zijn en hun vermoeden dat de fragmenten mogelijk van een van de andere camera's afkomstig zijn, zonder concrete aanknopingspunten daarvoor te noemen, is onvoldoende. Het hof gaat er daarom voorshands van uit dat de geluidsfragmenten in het bezit van [[-]] afkomstig zijn van camera 4. [persoon A] verklaart dat hij mede-eigenaar is van camera 4. Dit mede-eigendom is niet in tegenspraak met hetgeen de advocaat van [geïntimeerden] aan [appellanten] schrijft: "De geluidsopnames zijn afkomstig van de camera's van mijn cliënten, welke gericht zijn op hun eigen perceel". Daarbij komt dat hiervoor onder 3.15. reeds is overwogen dat van de geluidsfragmenten afkomstig van camera 4 niet kan worden vastgesteld dat de geluidsbron zich bevindt op het perceel van [geïntimeerden] en dus ook niet dat op de geluidsfragmenten geluiden hoorbaar zijn afkomstig van het perceel van [appellanten]
Conclusie
3.27.
Dit alles maakt dat naar het oordeel van het hof voorshands niet aannemelijk is dat [geïntimeerden] op onrechtmatige wijze geluidsfragmenten van camera 4 met [[-]] hebben gedeeld. Hierbij is van belang dat in het kader van een kort geding geen ruimte is voor bewijslevering.
De slotsom
3.28.
[appellanten] hebben voorshands niet aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerden] inbreuk maken op hun recht op eerbiediging van hun levenssfeer. Dit betekent dat de grieven falen en dat de vorderingen van [appellanten] terecht zijn afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
proceskosten
3.29.
[geïntimeerden] vorderen in hoger beroep [appellanten] te veroordelen in de door hen werkelijk gemaakte kosten in beide instanties.
De artikelen 237-240 Rv bevatten een limitatieve en exclusieve regeling ten aanzien van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Op grond van vaste rechtspraak is een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten alleen mogelijk onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Van een dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig instellen van een procedure is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarbij past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (ECLI:NL:HR:2017:2366).
3.30.
[geïntimeerden] hebben hun vordering niet toegelicht. Zij hebben niet gesteld dat, en zo ja welke, bewuste onjuistheden [appellanten] naar voren hebben gebracht of welke stellingen zij hebben ingenomen waarvan zij moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten zal worden afgewezen.
3.31.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld worden op:
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.428,00 (2 punt(en) x tarief II)
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.955,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten eerst vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen.
3.32.
[appellanten] zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, zoals door [geïntimeerden] gevorderd. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om anders te bepalen (ECLI:NL:HR:2022:1942).
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 juni 2024,
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 1.955,--, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.C. Alink-Steinberg, N.W.M. van den Heuvel en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juli 2025.
griffier rolraadsheer
camera 3: fragment 50/53/56/59.1/59.2/63/66/67/68/69.1/69/95/96/112/114/115/119/120/121/122 – camera 4: fragment 52, 64, 65
fragment 1, 2 10 en 15
camera 1: fragment 5/9 – camera 2: fragment 6/14/18, camera 3: 11/13/16/17/21/26/34/45/47/48/51
camera 4: fragment 19/20/23/25/29/30/35/37/40/46/52/54/62/64/65/93/97
camera 1: fragment 118 – camera 2: fragment 92 – camera 3: fragment 39/90/91/94/116/117
camera 1: fragment 5 – camera 3: fragment 24/27/31/32/33/113
camera 1: fragment 3 – camera 3: fragment 22/28/36/38
Beoordeling
Nu uit deze fragmenten niet kan worden afgeleid dat de geluidsbron zich op het perceel van [appellanten] bevindt, kunnen deze fragmenten ook niet dienen ter onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel of in de woning van [appellanten] hebben opgenomen.
3.15.
Op een deel van de fragmenten is de geluidsbron steeds zichtbaar op de beelden. Dat brengt – overeenkomstig de stelling van [appellanten] – mee dat de geluidsbron zich op het perceel van [geïntimeerden] bevindt. Deze fragmenten kunnen dan ook niet dienen ter onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] heeft opgenomen. Dit geldt ook voor alle beelden van camera 4, nu onbetwist is dat deze camera is gericht op de erfgrens tussen de percelen van [geïntimeerden] en [[-]] en dus niet vastgesteld kan worden dat de geluidsbron, voor zover die zich al buiten het beeld bevindt, zich op het perceel van [appellanten] en niet (nog) op het perceel van [geïntimeerden] bevindt.
3.16.
Op een deel van de overige fragmenten is buiten beeld (en dus veronderstellenderwijs op het perceel van [appellanten]) weliswaar geluid hoorbaar, maar geen stemgeluid. Het gaat bijvoorbeeld om autogeluiden (motor, toeteren, autodeur), muziek, fluiten, geklapper van het deksel van een afvalbak, de wind. Het hof is van oordeel dat andere geluiden dan stemgeluid niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen. Slechts indien sprake is van het opnemen van gesproken, verstaanbare woorden, kan naar het oordeel van het hof mogelijk sprake kan zijn van een inbreuk op het recht op privacy. Willekeurige geluiden zijn niet zonder meer vergelijkbaar met verstaanbaar stemgeluid. Zonder nadere toelichting is onvoldoende aannemelijk dat het enkele feit dat een bepaald geluid hoorbaar is op het perceel van [appellanten] meebrengt dat stemgeluid dus ook hoorbaar en verstaanbaar is. [appellanten] hebben in hoger beroep productie 54 ingebracht, waaruit blijkt dat hun auto, stationair draaiend, een geluidsniveau bereikt van 76 decibel. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben zij betoogd dat een gesprek ongeveer 67-68 decibel bereikt. Hieruit volgt volgens hen, zo begrijpt het hof, dat aangezien het motorgeluid van hun auto hoorbaar is op de opnames, een gesprek dus ook hoorbaar is. Het hof is echter van oordeel dat hieruit nog niet volgt dat stemgeluid ook verstaanbaar is. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de fragmenten 5 en 113, waarop zowel autogeluiden als het stemgeluid van mw. Brouwers hoorbaar is, maar de woorden van mw. Brouwers (in fragment 5 door het open raam van de auto, in fragment 113 nadat zij is uitgestapt) niet verstaanbaar zijn. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om hun stelling op dit punt nader te onderbouwen, hetgeen zij niet hebben gedaan. De vraag wat voor soort auto (sportief of niet) met welke soort motor (benzine of diesel) op de opnames hoorbaar is, is in het licht van het voorgaande niet relevant. Het hof komt tot het oordeel dat de fragmenten waarop geen stemgeluid hoorbaar is, niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen.
3.17.
Voor zover op de opnames wel stemgeluid hoorbaar is, is op een deel van deze opnames onverstaanbaar wat er wordt gezegd. De fragmenten waarop enkel onverstaanbaar stemgeluid hoorbaar is, kunnen gelet op het hiervoor onder 3.16. overwogene niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat [geïntimeerden] op onrechtmatige wijze privégesprekken op het perceel van [appellanten] hebben opgenomen.
3.17.1.
[appellanten] hebben nog aangevoerd dat, voor zover het stemgeluid op de opnames niet verstaanbaar is, dat komt omdat de bestanden door [geïntimeerden] gecomprimeerd zijn. Dit blijkt volgens hen uit het feit dat [geïntimeerden] in de procedure met betrekking tot het pad de slecht verstaanbare opnames hebben voorzien van een transcriptie. [geïntimeerden] betwisten dat zij de bestanden hebben gecomprimeerd en stellen dat zij de opnames hebben ingebracht zoals door hun camera's opgenomen. Daarnaast stellen zij dat het comprimeren van geluidsbestanden geen afbreuk doet aan de kwaliteit (en verstaanbaarheid), omdat bij het comprimeren enkel de hoge en lage tonen worden weggelaten, die het menselijk oor sowieso niet kan horen.
3.17.2.
[geïntimeerden] hebben gemotiveerd betwist dat zij de bestanden gecomprimeerd hebben. [appellanten] hebben niet inhoudelijk gereageerd op het gemotiveerde standpunt van [geïntimeerden] dat bij het comprimeren van geluidsbestanden geen kwaliteitsverlies optreedt. De transcriptie waarnaar zij hebben verwezen, hebben zij niet in het geding gebracht. Bewijslevering is in deze procedure ook niet aan de orde. Daarbij komt dat, zelfs als zou komen vast te staan dat de bestanden gecomprimeerd zijn, daaruit nog niet zonder meer volgt dat als deze bestanden niet waren gecomprimeerd, de gesproken woorden wél verstaanbaar waren. Het is aan [appellanten] om hun stelling voldoende aannemelijk te maken en daarin zijn zij niet geslaagd.
fragmenten met verstaanbaar stemgeluid
3.18.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat alleen geluidsfragmenten afkomstig van de camera’s 1, 2 en 3, waarop buiten beeld stemgeluid hoorbaar is en tevens verstaanbaar is wat er wordt gezegd, mogelijk kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van [appellanten] Het gaat daarbij om fragment 3 van camera 1 en de fragmenten 22, 28, 36 en 38 van camera 3. Op nagenoeg al deze fragmenten is alleen de stem van mw. Brouwers hoorbaar, waarbij duidelijk is dat zij alleen is en haar – zonder uitzondering scheldende en opzettelijk beledigende – woorden niet gericht zijn tegen een aanwezige persoon. Slechts op één fragment, fragment 28 van camera 3, is (naast de eenzijdige woorden van mw. Brouwers) ook een – onverstaanbaar – gesprek tussen twee personen waarneembaar.
3.18.1.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat fragmenten met stemgeluid op normaal of zacht volume onverstaanbaar zijn en dat bij alle fragmenten waarop verstaanbaar stemgeluid te onderscheiden is, sprake is van luid praten of roepen, bedoeld om door de camera's te worden opgenomen. [appellanten] acht dit onbegrijpelijk en stelt zich op het standpunt dat het onderscheid tussen schreeuwen of luid spreken en normaal of zacht spreken (mompelen, fluisteren) alleen gemaakt kan worden ten aanzien van verstaanbaar stemgeluid.
3.18.2.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft mw. Brouwers verklaard dat zij aan PTSS lijdt en dat zij de gewoonte heeft om tegen zichzelf of haar partner te schelden, maar dat het kan zijn dat haar woorden ook wel eens aan (het perceel en de camera's van) [geïntimeerden] waren gericht. Het hof is van oordeel dat, voor zover op het perceel van [appellanten] gesproken wordt met de bedoeling dat dit door de camera's wordt opgenomen, dit niet kwalificeert als privégesprek. Hoe hard of zacht daarbij gesproken wordt, is verder niet relevant. [appellanten] hebben niet gespecificeerd op welke fragmenten mw. Brouwers haar woorden naar de camera's heeft gericht en op welke fragmenten zij volgens hen tegen zichzelf of haar partner scheldt. Het hof kan dit gestelde onderscheid niet maken, zodat [appellanten] ook met deze fragmenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerden] privégesprekken hebben opgenomen.
Beoordeling
3.18.3.
Het hof stelt verder vast dat op slechts één fragment (fragment 28 van camera 3) een gesprek (in de zin van een conversatie tussen (ten minste) twee personen op normale gesprekstoon) op het perceel van [appellanten] waarneembaar is, maar dat juist deze conversatie niet verstaanbaar is. Dit is ter mondelinge behandeling bij het hof aan [appellanten] voorgehouden en door hen niet weersproken. Naast al hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof van belang dat op alle 76 fragmenten slechts één privégesprek hoorbaar is waarvan vaststaat dat dat in ieder geval niet gericht was naar de camera, terwijl dat gesprek nu juist niet verstaanbaar is en de stellingen van [appellanten] niet onderbouwt.
technische mogelijkheden van de camera's
3.19.
[appellanten] hebben vervolgens verwezen naar het door mr. Widdershoven verrichte onderzoek, daaruit zou blijken dat het technisch mogelijk is om met de camera's van [geïntimeerden] privégesprekken op het perceel van [appellanten] op te nemen. Op de door [appellanten] ingebrachte opnames van de testcamera's is te zien dat een persoon in beeld vanaf de positie van de camera in een rechte lijn een bepaalde afstand loopt en een aantal keren "test, test" uitspreekt. Bij beide camera's zijn op het verste punt – volgens [appellanten] 31 meter vanaf de positie van de camera – de woorden "test, test" goed hoorbaar en verstaanbaar. Hieruit volgt volgens [appellanten] dat (ook) alle camera's van [geïntimeerden] technisch in staat zijn om op een afstand van 31 meter afstand gesprekken verstaanbaar op te nemen. Nu de camera's op maximaal 12,75 meter van het perceel van [appellanten] geplaatst zijn, kunnen daarmee dus gesprekken op hun perceel worden opgenomen, aldus [appellanten]
3.20.
[geïntimeerden] betwisten dat de door mr. Widdershoven geteste camera's over dezelfde specificaties beschikken als de camera's van [geïntimeerden] De camera's 1, 2 en 3 zijn uit 2019 en camera 4 is uit 2021, terwijl mr. Widdershoven "de meest recente camera" heeft gekocht. [appellanten] hebben geen informatie verschaft over de specificaties van de door hen geteste camera's, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze camera's beschikken over dezelfde specificaties als de camera’s van [geïntimeerden], ook al zijn zij van dezelfde generatie. Mr. Widdershoven is geen geluidsdeskundige en zijn onderzoek voldoet volgens [geïntimeerden] niet aan de eisen van onpartijdig en onafhankelijk onderzoek.
3.21.
Anders dan [appellanten] kennelijk menen, is het aan [appellanten] om in deze kort geding procedure voldoende aannemelijk te maken dat het bereik van de camera's van [geïntimeerden] ten minste 31 meter bedraagt. Zij beroepen zich immers op het rechtsgevolg daarvan, namelijk dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hen handelen door te beschikken over camera's die technisch in staat zijn om privégesprekken op het perceel van [appellanten] op te nemen. Dat [geïntimeerden] betwisten dat hun camera's een bereik hebben van 31 meter en betwisten dat de testcamera's over dezelfde specificaties als hun camera's beschikken, maakt niet dat zij aannemelijk moeten maken dat de testcamera's níet hetzelfde bereik hebben als de camera's van [geïntimeerden]
3.22.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellanten] met de door mr. Widdershoven uitgevoerde tests onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het technisch mogelijk is om met de camera's van [geïntimeerden] privégesprekken op perceel [appellanten] op te nemen. Ook al zijn de geteste camera's van dezelfde generatie als de camera's van [geïntimeerden] en zijn de microfoons van de eerste en tweede generatie camera's identiek, zoals [appellanten] (ongemotiveerd) stellen, is onvoldoende duidelijk dat de geteste camera's over dezelfde specificaties beschikken als de camera's van [geïntimeerden] Daartoe hebben [appellanten],te weinig informatie verstrekt, tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] [appellanten] hebben geen specificaties van de door hen geteste camera's hebben overgelegd. Hun onderzoek is niet uitgevoerd door een geluidsdeskundige. De omstandigheden en omgevingsfactoren op het testfilmpje verschillen van die van de camera's van [geïntimeerden]: de testcamera staat gericht naar de bron van het geluid, de hoogte, ondergrond, bebouwing en beplanting verschillen. Het enkele feit dat op de testfilmpjes de woorden "test, test" hoorbaar en verstaanbaar zijn, zegt daarom onvoldoende over de vraag of de door [geïntimeerden] geplaatste camera's technisch in staat zijn om een op normale gesprekstoon gevoerd gesprek op het perceel van [appellanten] op te nemen. Ook hierbij acht het hof van belang dat, hoewel op de testfilm de uitgesproken woorden "test, test" duidelijk hoorbaar zijn, in het enige geluidsfragment van een privégesprek op het perceel van [appellanten] (fragment 28 van camera 3) dit gesprek nu juist onverstaanbaar is.