Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:1766
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
6,559 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/74
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
met gekozen domicilie in [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 november 2022, nummer BRE 21/2301, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 26 september 2024 verzocht om uitstel van de zitting die op dezelfde dag plaats zou vinden. Dat uitstelverzoek is toegewezen. Belanghebbende heeft op 17 december 2024 verzocht om uitstel van de zitting van 19 december 2024. Dat uitstelverzoek is toegewezen. Belanghebbende heeft op 30 april 2025 verzocht om uitstel van de zitting van 15 mei 2025. Dat uitstelverzoek is afgewezen.
1.6.
Belanghebbende heeft op 14 mei 2025 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) strekkende tot wraking van C.W.M.M. Verkoijen, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn. De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek van belanghebbende op 15 mei 2025, nog voorafgaande aan de zitting, niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.8.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof. De pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.10.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
Feiten
2.1.
Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar in Nederland.
2.2.
Het beroep van belanghebbende is veiligheidsdeskundige.
2.3.
Belanghebbende bezit alle aandelen in [bedrijf 1] die op haar beurt alle aandelen in [bedrijf 2] bezit.
2.4.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een nihilaangifte IB/PVV ingediend.
2.5.
[bedrijf 2] en [bedrijf 1] hebben voor het jaar 2018 geen aangiften vennootschapsbelasting en loonbelasting gedaan. [bedrijf 2] heeft voor de omzetbelasting nihilaangiften ingediend.
2.6.
De inspecteur heeft in het kader van een derdenonderzoek bankgegevens opgevraagd bij [C] en [D] . [C] heeft op 13 april 2020 aan de inspecteur banksaldo- en transactiegegevens verstrekt ten name van (onder meer) [bedrijf 2] Uit de bankafschriften volgt dat [bedrijf 2] in het jaar 2018 een totaalbedrag van € 218.307,16 heeft ontvangen van een detacheringsbureau genaamd [detacheringsbureau] (hierna: het detacheringsbureau).
2.7.
Uit de bankgegevens blijkt dat op bankrekening [bankrekening] , rekeninghouder [belanghebbende] , op 26 juni 2018 € 3.842 is bijgeschreven met als omschrijving ‘salaris juni 2018’ en als tenaamstelling tegenrekening ‘ [bedrijf 2] ’. Op 24 juli 2018 is een zelfde bedrag bijgeschreven met als omschrijving ‘salaris juli 2018’ van dezelfde tegenrekening. Ook zijn er gedurende 2018 veelvuldig bedragen tussen € 300 en € 1.500 op deze bankrekening ontvangen afkomstig van dezelfde tegenrekening.
2.8.
Uit de bankgegevens van [bedrijf 2] blijkt verder dat er onder andere overschrijvingen zijn gedaan naar de tegenrekeninghouders: [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 16] , [bedrijf 17] en [bedrijf 18] .
2.9.
De inspecteur heeft bij het detacheringsbureau een derdenonderzoek ingesteld. De inspecteur heeft op 14 mei 2020 een overzicht ontvangen van de gewerkte uren van ‘contractor [belanghebbende] ’ met bijbehorende uurtarieven en onder vermelding van de bedrijven waar de werkzaamheden voor waren. De inspecteur heeft daarnaast de beschikking gekregen over de door [bedrijf 2] aan het detacheringsbureau uitgereikte facturen. In de hierop weergegeven omschrijving staat vermeld: "For Consultancy Services Provided by: [belanghebbende]". Het totaal aantal gefactureerde uren over 2018 bedraagt 1.832. Door [bedrijf 2] is een uurtarief gehanteerd van € 90. Ook zijn er diverse onkostenvergoedingen verstrekt.
2.10.
De inspecteur heeft op 10 november 2022 twee projectovereenkomsten ontvangen die [bedrijf 2] met het detacheringsbureau heeft gesloten. In deze overeenkomsten staat onder meer: ‘CONSULTANT: [belanghebbende] ’, ‘VERWACHTE AANTAL UREN PER WEEK: 40 uur’, ‘Uurtarief dat gehanteerd wordt voor alle uitvoerende werkzaamheden: € 90.00 per uur’ en ‘ONKOSTENVERGOEDING: Onkostenvergoedingen moeten vooraf door de manager worden goedgekeurd’. De ene overeenkomst heeft een startdatum van 23 december 2017 en een einddatum van 30 april 2018. De andere overeenkomst heeft een startdatum van 1 december 2018 en een einddatum van 30 juni 2019.
2.11.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De inspecteur heeft het loon van belanghebbende gecorrigeerd en vastgesteld op € 145.668. In zijn brief aan belanghebbende van 12 november 2020 waarin hij aankondigt voornemens te zijn af te wijken van de aangifte, heeft de inspecteur dit bedrag als volgt gemotiveerd: ‘Uit mijn informatie komt naar voren dat door de rechtspersoon een bruto omzet van € 195.844 is gegenereerd. Dit bedrag is uitsluitend gebaseerd op de betalingen van opdrachtgevers die op de bankafschriften zijn opgenomen. Na aftrek van omzetbelasting blijft er een bedrag van € 161.854 over. Dit bedrag moet met de aftrekbare kosten worden verminderd. Een kostenpercentage van 10% acht ik gelet op het dienstverlenende karakter van de werkzaamheden redelijk. Uitgaande van deze bedragen resteert er € 145.668,60 (afgerond: € 145.668). Dit bedrag dient als gebruikelijk loon te worden aangemerkt. Ik heb ervoor gekozen om dit loon in de inkomstenbelasting te corrigeren.’. Dit heeft geresulteerd in een bedrag van € 67.202 aan verschuldigde IB/PVV.
2.12.
De aanslag IB/PVV 2018 (hierna: de aanslag) is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 145.668. Tevens is bij beschikking € 3.615 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Geschil
1. Heeft de inspecteur artikel 8:42 Awb geschonden?
2. Dienen bepaalde door de inspecteur overgelegde stukken te worden uitgesloten als bewijs?
3. Is de behandeling bij de rechtbank onzorgvuldig geweest?
4. Zijn de personen die namens de inspecteur deze procedure voeren bevoegd om dat te doen?
5. Is de aanslag te hoog vastgesteld? Bij de beantwoording van deze vraag komen tevens de volgende (deel)vragen aan de orde:
a. Is sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast?
b. Heeft belanghebbende doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld?
c. Indien vraag a. bevestigend en vraag b. ontkennend worden beantwoord: Is sprake van een redelijke schatting?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag naar nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.0.
Belanghebbende heeft op 30 april 2025 verzocht om uitstel van de zitting van 15 mei 2025. Daarbij heeft hij een attest gevoegd van zijn behandeld arts. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting opnieuw uit te stellen. Bij het plannen van de behandeling van het door belanghebbende op 1 februari 2023 ingestelde hoger beroep dient het hof een afweging te maken tussen de verschillende belangen. Belanghebbende heeft reeds twee keer kort voor de geplande zittingsdatum vanwege medische redenen verzocht om uitstel van de zitting. Op 18 december 2024 is belanghebbendes verzoek om uitstel van de zitting voor de tweede maal ingewilligd. Hierbij is aangegeven dat een volgend verzoek om uitstel in beginsel zal worden afgewezen. Tevens is toen aan belanghebbende medegedeeld dat als hij verwacht langere tijd niet ter zitting te kunnen verschijnen, van hem verwacht wordt om een persoon te machtigen die hem ter zitting kan vertegenwoordigen. Ook heeft de griffier belanghebbende op 18 december 2024 bericht dat het hof het hoger beroep op 15 mei 2025 zal behandelen. Belanghebbende heeft op 30 april 2025 wederom kort voor de geplande zittingsdatum verzocht om uitstel van de zitting. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de voortgang van de zaak en het belang van de wederpartij zwaarder wegen dan belanghebbes belang om op zitting te worden gehoord en heeft het verzoek om de zitting wederom te verdagen dan ook afgewezen. Het hof heeft in hetgeen belanghebbende in zijn wrakingsverzoek van 14 mei 2025 heeft vermeld ook geen aanleiding gezien om de zitting alsnog uit te stellen of het onderzoek te schorsen.
Ten aanzien van het geschil
1. Heeft de inspecteur artikel 8:42 Awb geschonden?
4.1.
Belanghebbende klaagt dat de inspecteur niet alle documenten heeft geleverd waar de rechtbank om had gevraagd. De inspecteur heeft gesteld dat hij alle op de zaak betrekkende stukken heeft verstrekt.
4.2
Het is het hof niet duidelijk welke stukken volgens belanghebbende ontbreken in het procesdossier en welke consequenties het hof hier volgens belanghebbende aan moet verbinden. Dat artikel 8:42 Awb zou zijn geschonden is niet gebleken.
2. Dienen bepaalde door de inspecteur overgelegde stukken te worden uitgesloten als bewijs?
4.3.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur documenten heeft aangepast of vervalst. De inspecteur heeft die stelling betwist.
4.4.
Het is het hof niet duidelijk welke stukken volgens belanghebbende door de inspecteur zouden zijn aangepast of zijn vervalst. Het is het hof ook niet gebleken dat hiervan sprake is. Er is dan ook geen enkele aanleiding om bepaalde door de inspecteur overgelegde stukken uit te sluiten als bewijs.
3. Is de behandeling bij de rechtbank onzorgvuldig geweest?
4.5.
Belanghebbende klaagt over de behandeling van de zaak bij de rechtbank. Zo is volgens hem de zitting vervroegd afgebroken en klaagt hij over de beslissing van rechtbank om zijn verzoek om uitstel van de zitting af te wijzen.
4.6.
Het hof ziet in het procesdossier geen aanwijzingen voor een onzorgvuldige behandeling van de zaak door de rechtbank. Belanghebbende heeft overigens ook niet aangegeven welke gevolgen het hof aan zijn klacht zou moeten verbinden, indien die zou slagen. Het wel of niet honoreren van een verzoek om uitstel van de zitting is voorbehouden aan de rechter die de zaak behandelt.
4. Zijn de personen die namens de inspecteur deze procedure voeren bevoegd om dat te doen?
4.7.
Het hof heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de personen die namens de inspecteur deze procedure voeren, ook bevoegd zijn om dat te doen.
5. Is de aanslag te hoog vastgesteld?
a. Is sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast?
4.8.
De rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast als volgt overwogen:
‘3.3. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).
3.4.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.2
3.5.
De inspecteur heeft aangevoerd dat [bedrijf 2] in het jaar 2018 via het detacheringsbureau een aanzienlijke omzet heeft gegenereerd. De facturen die zijn uitgereikt door [bedrijf 2] betreffen uitsluitend urendeclaraties voor werkzaamheden die belanghebbende in eigen persoon heeft verricht. Daar moet salaris voor belanghebbende tegenover staan. Gelet op het aantal door belanghebbende op basis van de facturen gewerkte uren van 1.832 en het gehanteerde uurtarief van € 90 exclusief omzetbelasting, bedraagt de gefactureerde omzet van [bedrijf 2] in het jaar 2018 € 164.880 exclusief omzetbelasting. De inspecteur heeft verder aangevoerd dat uit de verstrekte bankgegevens blijkt dat belanghebbende de bankrekeningen van de vennootschappen hoofdzakelijk heeft gebruikt om privé-uitgaven te doen. Er worden ook onduidelijke overboekingen naar de privébankrekeningen van belanghebbende gedaan. Daarnaast is er contant geld van de zakelijke bankrekeningen opgenomen in Colombia en zijn er pinbetalingen gedaan in Dubai, waar geen zakelijke activiteit is gebleken. Door geen loon aan te geven als inkomsten in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 moet belanghebbende zich er volgens de inspecteur van bewust zijn geweest dat door zijn handelen een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
3.6.
Niet in geschil is dat belanghebbende (in)direct 100% belang heeft in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483; Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.
Geschil
Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 2018 tenminste 1.832 uren arbeid heeft verricht, waarvoor [bedrijf 2] een beloning heeft ontvangen van € 164.880. De stelling van belanghebbende dat hij in verband met de ziekte van zijn vader in het jaar 2018 geen werkzaamheden zou hebben verricht, komt niet overeen met de uit de derdenonderzoeken door de inspecteur verkregen informatie en is daarom – voor het gedeelte dat belanghebbende niet zou hebben gewerkt – ongeloofwaardig. Dit geldt ook voor belanghebbendes blote stelling dat hij kortgezegd iemand heeft ingehuurd om onder zijn naam de werkzaamheden te verrichten voor het detacheringsbureau.
3.7.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 überhaupt geen (loon)inkomsten aangegeven. Dat is sowieso onjuist reeds omdat belanghebbende een aanzienlijk maandelijks salaris ontving (zie 2.7). De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van het geheel niet is geheven op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk is. Gelet op de hoogte van de niet aangegeven (loon)inkomsten wist of had belanghebbende zich er ten tijde van het doen van de aangifte bewust van moeten zijn geweest dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV niet zou worden geheven.
3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 niet heeft gedaan. Er is dan sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast.’.
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
‘2. Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.’.
4.9.
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. In aanvulling op overweging 3.6. van de rechtbank merkt het hof op dat ook op basis van de projectovereenkomsten zoals genoemd onder 2.10 – die de inspecteur pas na het sluiten van het onderzoek bij de rechtbank heeft ontvangen – het aannemelijk is dat belanghebbende in 2018 arbeid heeft verricht voor [bedrijf 2] In aanvulling op overweging 3.7. merkt het hof op dat belanghebbende op zijn minst een gebruikelijk loon van € 45.000 had moeten verantwoorden aangezien de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2018 arbeid heeft verricht voor [bedrijf 2] , een vennootschap waarin belanghebbende in 2018 een aanmerkelijk belang hield.
b. Heeft belanghebbende doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld?
4.10.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd te doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Dat belanghebbende in 2018 helemaal niet heeft gewerkt vanwege de ziekte en het overlijden van zijn vader en daarom geen (gebruikelijk) loon in aanmerking hoeft te worden genomen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond. Datzelfde geldt voor zijn stelling dat hij iemand heeft ingehuurd om onder zijn naam de werkzaamheden te verrichten voor het detacheringsbureau.
c. Is sprake van een redelijke schatting?
4.11.
Dat sprake is van omkering van de bewijslast en dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld, neemt niet weg dat de rechter nog dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de schatting moet redelijk (niet willekeurig) zijn. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.
4.12.
De rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van een redelijk schatting van het belastbare inkomen als volgt overwogen:
‘3.10. De inspecteur heeft zich voor de berekening van de inkomsten van belanghebbende gebaseerd op de omzet van [bedrijf 1] (hof: bedoeld zal zijn [bedrijf 2] ) die belanghebbende met zijn eigen werkzaamheden heeft gerealiseerd en rekening houdende met een kostenpercentage van tien procent. De inspecteur heeft verder aangevoerd dat de schatting van het inkomen eerder te laag dan te hoog is. [bedrijf 2] heeft een onkostenvergoeding ontvangen van het detacheringsbureau. Door bij de berekening van het inkomen nogmaals een kostenaftrek van tien procent in aanmerking te nemen, is volgens de inspecteur sprake van een dubbele aftrekpost. Door hem is bij de schatting van het loon verder geen rekening gehouden met overige door belanghebbende voor [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden, waaronder het opstellen van facturen voor het detacheringsbureau, de controle van de ontvangsten van het detacheringsbureau en het indienen van aangiften omzetbelasting. De inspecteur heeft in dit kader aangevoerd dat uit ontvangen bank saldo- en transactiegegevens blijkt dat er nauwelijks uitgaven met een zakelijke karakter worden gedaan en deze bankrekeningen hoofdzakelijk worden gebruikt voor privé-uitgaven van belanghebbende.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat de schatting van de inspecteur van het niet opgegeven inkomen van belanghebbende redelijk is. De inspecteur is aangesloten bij concrete en verifieerbare gegevens: de bank saldo- en transactiegegevens van [bedrijf 2] en van belanghebbende en de van het detacheringsbureau in het kader van het derdenonderzoek ontvangen informatie. Belanghebbende heeft gesteld dat de verkregen gegevens gemanipuleerd zijn door de inspecteur en daardoor onjuist zijn. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Het door de inspecteur vastgestelde inkomen van € 145.668 berust naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke, niet willekeurige schatting.’.
4.13.
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en neemt deze over.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.