Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:1670
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
2,239 tokens
Dictum
in de hoofdzaak met zaaknummer 200.335.034/01 (hierna: de hoofdzaak) van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde sub 1] ,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van verzoeker,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,
tegen:
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 1 in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van verzoeker,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,
2 [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 2 in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] , dan wel verzoeker,
advocaat: mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,
strekkende tot het nietig verklaren van de wrakingsbeslissing van 21 mei 2025 en het terugverwijzen van het wrakingsverzoek van 21 mei 2025 (het hof begrijpt: 17 april 2025) naar een andere wrakingskamer buiten het Gerechtshof ’s Hertogenbosch.
1Het procesverloop
De hoofdzaak (200.335.034/01)
1.1.
De behandelend raadsheren in de hoofdzaak waren: mrs. Korthuis-Becks, Van Lanen en Peters (hierna: de kamer). Op 4 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en de kamer was voornemens om op 22 april 2025 uitspraak te doen.
Het verzoek tot wraking (200.335.034/02)
1.2.
Op 17 april 2025 heeft mr. J.W. Damstra namens [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] een verzoek tot wraking van de kamer ingediend. Dit heeft geleid tot aanhouding van de uitspraak in de hoofdzaak. De wrakingskamer, bestaande uit mrs. De Haan, Van der Vegt en Bosch, heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 7 mei 2025 behandeld. Bij beslissing van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] afgewezen.
In de hoofdzaak is de uitspraakdatum vervolgens – opnieuw – bepaald op 27 mei 2025.
De appelprocedure (200.335.034/03)
1.3.
Vervolgens is bij e-mail van 27 mei 2025 om 8.25 uur het ‘appel tegen wrakingsbesluit’ van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] in persoon ingekomen ter griffie (incl. bijlagen bestaande uit 129 pagina’s, hierna de schriftuur), waarin hij op pagina 1 beroep aantekent tegen de in 1.2 genoemde wrakingsbeslissing van 21 mei 2025.
Vervolg in de hoofdzaak (200.335.034/01)
1.4.
Op dezelfde dag, op 27 mei 2025 om 10.00 uur, heeft de kamer, zoals eerder aangekondigd op de rol, uitspraak gedaan in de hoofdzaak.
Vervolg in de appelprocedure (200.335.034/03)
1.5.
Het hof heeft de schriftuur van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] zonder voorafgaande zitting behandeld in raadkamer. Daarbij passeert het hof het verzoek van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] (zoals gedaan op pagina 43 van zijn schriftuur) dat hij ‘ruim voor de hoorzitting in kennis wordt gesteld van welke personen zitting nemen in de wrakingskamer’; er is immers geen hoorzitting geweest.
Beoordeling
2.1.
Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer.
2.2.
Op grond van artikel 39 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open. Dit was op grond van oude rechtspraak slechts anders indien de wrakingskamer de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken (hierna ook: de doorbrekingsgronden). De Hoge Raad heeft in zijn recente arrest van 21 juni 2024 echter aanleiding gezien om op deze rechtspraak terug te komen. In het geval een partij een wrakingsverzoek heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft die partij de mogelijkheid in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van rechters geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking. Het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen legt immers onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang bij voortgang van de procedure (zie ECLI:NL:HR:2024:918). Deze nieuwe rechtspraak geldt voor alle zaken waarin op of na 21 juni 2024 een rechtsmiddel is ingesteld tegen een beslissing op een verzoek tot wraking (rov. 3.6 van genoemd arrest), dus ook in deze zaak.
2.3.
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep stuit de wrakingskamer op meerdere redenen die ertoe leiden dat [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof legt nu uit waarom.
- Ten eerste staat, zoals hiervoor uiteengezet, tegen een beslissing van de wrakingskamer sec geen rechtsmiddel open. [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] kan uitsluitend (bij advocaat bij de Hoge Raad) cassatieberoep in de hoofdzaak aantekenen en daar tevens de wrakingsbeslissing ter discussie stellen. Dit alleen al leidt tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] in zijn hoger beroep tegen sec de wrakingsbeslissing.
- Bovendien geldt dat als het instellen van een rechtsmiddel wél was toegestaan, [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] dit niet had moeten indienen bij dit gerechtshof maar bij de Hoge Raad. Ook dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] in zijn hoger beroep bij het hof.
- Ten derde heeft de wrakingskamer geconstateerd dat het hoger beroep van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] niet voldoet aan de vereisten voor het indienen daarvan, omdat het verzoek niet is ingediend / medeondertekend door een advocaat. Hoewel [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] hier zelf andere ideeën op nahoudt, zoals blijkt uit zijn schriftuur, gelden voor een procespartij in een civiele procedure die een rechter wraakt binnen de wrakingsprocedure dezelfde regels over verplichte procesvertegenwoordiging als voor de procedure in de hoofdzaak. Verplichte procesvertegenwoordiging houdt onder andere in dat een partij zelf geen proceshandelingen kan verrichten, zoals het indienen van stukken of het doen van nieuwe, gewijzigde of aanvullende verzoeken. Het hof stelt [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] niet op basis van artikel 281 lid 1 Rv (dat conform artikel 362 Rv ook in hoger beroep van toepassing is) in de gelegenheid om dit verzuim te herstellen, omdat hij in zijn hoger beroep (ook) op voornoemde gronden niet-ontvankelijk wordt verklaard. Herstel van dit verzuim zou niet tot een andere uitkomst van het hoger beroep leiden.
2.4.
Gelet op het voorgaande zal de wrakingskamer [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
3Geen schorsing van de hoofdzaak
3.1.
Het hof overweegt voor zover nodig dat dit ‘appel tegen wrakingsbesluit van 21 mei 2025’ van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] geen schorsende werking heeft gehad in de hoofdzaak. Dit komt omdat het hof in de schriftuur van [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] geen wrakingsverzoek en -gronden leest tegen de kamer in de hoofdzaak. De kamer heeft daarom niet nogmaals de uitspraak in de hoofdzaak hoeven aan te houden in afwachting van een uitspraak van de wrakingskamer. De kamer heeft daarmee terecht op 27 mei 2025 om 10.00 uur uitspraak gedaan in de hoofdzaak, ook al was het ‘appel tegen wrakingsbesluit van 21 mei 2025’ aanhangig.
Dictum
Het hof:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, A.M.G. Smit en A.L. Bervoets, in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025.