Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:1663
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,597 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 juni 2025
Zaaknummer: 200.346.438/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/306886 / FA RK 22-2474
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. Engwegen,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen [minderjarige] ),
geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 27 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over [minderjarige] alsnog af te wijzen en verder een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] één dag per twee weken bij de vader verblijft en het verzoek van de vader ter zake de zorgregeling voor het overige alsnog af te wijzen. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 december 2024, heeft de vader verzocht de grieven van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling van de gronden.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-de moeder, bijgestaan door mr. Engwegen;
-de vader, bijgestaan door mr. Hendriks;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
2.3.1.
De GI is door het hof als informant gehoord.
De GI werd tijdens de mondelinge vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg op 7 november 2022, 19 oktober 2023 en 30 mei 2024;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 11 april 2025.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is verbroken voordat [minderjarige] werd geboren.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 13 juni 2024 onder toezicht van de GI tot 13 juni 2025. De GI heeft op de mondelinge behandeling medegedeeld dat een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is ingediend en dat op 6 juni 2025 hiervoor een mondelinge behandeling bij de rechtbank staat gepland.
Procesverloop
3.3.
De vader heeft bij verzoekschrift d.d. 1 juli 2022 de rechtbank in de bodemzaak verzocht:
- aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] ;
- hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
- een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, conform een nog nader in te brengen schema.
3.4.
De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en de rechtbank, bij wege van zelfstandig verzoek, verzocht om met ingang van 1 augustus 2022 een door de vader aan de moeder ten behoeve van [minderjarige] te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 239,57 per maand.
3.5.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , mr. D.P.A.M. Haerkens-Vlemmix tot bijzondere curator benoemd.
3.6.
Bij beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank:
- aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] ;
- bepaald dat voorlopig de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] zal gelden:
twee keer per week één uur bij de moeder thuis totdat [instantie] de omgang gaat begeleiden, waarbij de regie dan in handen is van [instantie] en waarbij [instantie] bepaalt in hoeverre deze omgang nog (deels) onder begeleiding dient plaats te vinden en waarbij [instantie] bepaalt of, en op welke manier, uitbreiding plaatsvindt;
- bepaald dat de vader met ingang van 1 augustus 2022 aan de moeder ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 195,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen;
- vastgesteld dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de vader de kinderalimentatie voor het eerst aan de moeder dient te voldoen per 1 maart 2023 en dat de vader daarnaast ter zake de achterstand over de periode van 1 augustus 2022 tot 1 maart 2023 een bedrag van € 100,- per maand aan de moeder zal voldoen totdat de achterstand geheel is ingelopen;
- iedere verdere beslissing op de overige verzoeken aangehouden in afwachting van het verloop van de omgang en de effecten van de hulpverlening, pro forma, voor de duur van zes maanden, aldus tot 5 juni 2023.
3.7.
De vader heeft [minderjarige] op 3 april 2023 erkend.
3.8.
De vader heeft op 18 oktober 2023 zijn verzoek in de bodemprocedure gewijzigd c.q. vermeerderd, in die zin, dat hij de rechtbank thans verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] in de oneven weken na werktijd van de vader twee uren bij de vader verblijft en in de even weken van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagavond 18:00 uur bij de vader verblijft alsmede de vakanties bij helfte te verdelen.
3.9.
Bij beschikking van 2 november 2023 heeft de rechtbank in de bodemprocedure:
- bepaald dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden in het kader van een BOR 2-traject onder volledige leiding en regie van professionals voor de duur van acht maanden te rekenen vanaf de datum van de beschikking;
- de raad verzocht, parallel aan het BOR 2-traject, een onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen over een passende omgangsregeling en de vraag of gezamenlijk gezag al dan niet in het belang van [minderjarige] is;
- de beslissing over de (definitieve) omgangsregeling en het gezag aangehouden.
3.10.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:
- bepaald dat beide ouders voortaan belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald, waarbij de begeleiding bij de zorgregeling onder regie van de GI wordt afgebouwd en voor eind 2024 wordt gewerkt naar onbegeleid contact, waarbij [minderjarige] :
in de oneven weken op woensdagmiddag/avond twee uur bij de vader verblijft;
in de even weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18:00 uur bij de vader verblijft;
vanaf 2025 de helft van alle vakanties bij de vader verblijft, waarbij er in de zomervakantie dient te worden gekeken naar een regeling die passend is voor
[minderjarige] . De ouders dienen de vakantie in goed overleg te verdelen;
op de verjaardag van de moeder en op Moederdag bij de moeder verblijft;
op de verjaardag van de vader en op Vaderdag bij de vader verblijft.
Procesverloop
3.11.
De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Gezag
3.12.
De moeder voert omtrent het gezag – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van een uitzonderingsgrond waardoor partijen gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast. De vader en de betrokken instanties, de raad en [instantie], hebben onvoldoende oog gehad voor de wijze waarop partijen uit elkaar zijn gegaan en welke impact dit op de moeder heeft gehad. De moeder heeft al het vertrouwen in de vader verloren. Dit is een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. De vader heeft zich op geen enkele wijze ingespannen om ervoor te zorgen dat dit vertrouwen weer wordt hersteld. De moeder betwist dat zij de vader diskwalificeert. Tussen partijen is sinds het verbreken van de relatie eigenlijk geen (directe) communicatie meer mogelijk. De rechtbank heeft in 2023 overwogen dat binnen het BOR 2-traject bij [instantie] aandacht diende te worden besteed aan gezamenlijke gesprekken tussen partijen. Deze gesprekken hebben vervolgens niet plaatsgevonden omdat [instantie] dit weigerde. De moeder heeft ook tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank aangegeven dat zij graag haar medewerking wil verlenen aan een ouderschapsreorganisatietraject. De rechtbank heeft overwogen dat het van belang is dat partijen aan hun onderlinge verstandhouding gaan werken, maar heeft dit aan de GI overgelaten. De GI heeft vervolgens aangegeven dit niet te gaan doen omdat hier bij partijen geen basis voor aanwezig is. Ook laat de vader geen verbetering in zijn gedrag zien. De situatie tussen partijen blijft ongewijzigd. Er bestaat daardoor een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering optreedt.
Verder kunnen partijen op dit moment op geen enkele wijze samen gezagsbeslissingen over [minderjarige] nemen. [minderjarige] kampt met een ontwikkelingsachterstand. Er is nog geen verdere diagnose bij [minderjarige] gesteld. Er lopen nu geen medische onderzoeken meer. Het is nu afwachten hoe [minderjarige] zich verder gaat ontwikkelen. Over een jaar of drie zullen opnieuw onderzoeken bij [minderjarige] worden gedaan. Genoemde medische situatie van [minderjarige] maakt dat partijen meer gezagsbeslissingen over [minderjarige] zullen moeten nemen dan gemiddeld. De afgelopen periode heeft uitgewezen dat het gezamenlijk gezag niet werkt. De moeder erkent dat de vader geen gezagsbeslissingen heeft tegengehouden. De vader is echter passief en onvoldoende betrokken bij [minderjarige] . De moeder heeft de vader geïnformeerd over medische afspraken van [minderjarige] . De vader verschijnt echter niet op deze afspraken en informeert ook niet achteraf naar het verloop van de afspraken. Hij kan op die manier geen goede bijdrage leveren aan de te nemen gezagsbeslissingen omdat de vader niet weet wat er speelt. De vader kan daardoor ook niet aansluiten bij de behoeftes en leefwereld van [minderjarige] . Het is daardoor ook om die reden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] belast blijft. Er is geen risico aanwezig dat de vader op een ‘zijspoor’ zal worden gezet, omdat de moeder de vader steeds tijdig en volledig informeert. De moeder communiceert met de vader via een groepsapp, per telefoon, via WhatsApp en bij de overdracht van [minderjarige] . Verder heeft de vader volgens artikel 1:377c van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op informatie van derden over [minderjarige] .
3.13.
De vader voert omtrent het gezag – samengevat – het volgende aan.
Gemeenschappelijk gezag is het uitgangspunt. Er is geen contra-indicatie of uitzonderingsgrond aanwezig. De vader betwist dat de relatie tussen partijen is geëindigd door wangedrag van de vader, dat hij zich tijdens de zwangerschap niet heeft geïnteresseerd voor de baby en dat hij de moeder vlak voor de bevalling de deur heeft gewezen. De moeder heeft deze stellingen niet onderbouwd. De vader is nog steeds bereid om mee te werken aan het verbeteren van de communicatie met de moeder. Het feit dat een dergelijk traject niet is opgestart, vormt evenmin een contra-indicatie voor het toewijzen van het gezamenlijk gezag. Bovendien is de communicatie tussen partijen de afgelopen periode verbeterd. Niet valt in te zien dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen. Verder is niet vast komen te staan dat de vader niet in staat zou zijn om samen met de moeder gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De vader heeft laten zien dat hij bereid en in staat is om in het belang van [minderjarige] te handelen. De vader kan – gelet op de zorgregeling – aansluiten bij de behoeftes en de leefwereld van [minderjarige] . De rechtbank heeft terecht overwogen dat het risico bestaat dat de vader – bij het in stand laten van het eenhoofdig gezag van de moeder – op een ‘zijspoor’ wordt gezet. De verplichting van de moeder om de vader over [minderjarige] te informeren is geen alternatief voor gezamenlijk gezag. Ondanks de communicatie via een groepsapp is gebleken dat de vader in het verleden niet of niet tijdig over [minderjarige] is geïnformeerd. De vader wordt niet, of veel te laat uitgenodigd voor de medische afspraken van [minderjarige] . Hij is bereid om samen met de moeder naar medische afspraken te gaan, maar hij moet hiervan dan wel tijdig op de hoogte worden gesteld. De vader is oprecht geïnteresseerd in [minderjarige] .
3.14.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het eerder gegeven advies omtrent het gezamenlijk gezag wordt gehandhaafd. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vader een rol in zijn leven heeft. De raad constateert dat het vertrouwen van de moeder in de vader nog niet is toegenomen. De vader kan het ‘niet snel goed doen’. Het is belangrijk dat binnen de ondertoezichtstelling aandacht wordt besteed aan hoe de ouders met elkaar communiceren, wat de ouders van elkaar mogen verwachten, of die verwachtingen ook reëel zijn, en of je als ouder een keer iets niet mag weten. Een ouder mag ook nog dingen moeten leren.
3.15.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende verklaard.
De vader moet het gezag behouden. De GI hoort van de betrokken hulpverlening dat de vader goed kan aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en dat hij hierin stappen maakt. [instantie] zet ook in op de communicatie tussen de ouders. Er is een groepsapp opgezet. Op dit moment communiceren de ouders ook buiten deze groepsapp met elkaar. De ouders hebben tijdens het laatste overleg met de GI verklaard dat zij communiceren waar nodig en dat dit werkt. Het standpunt van de moeder op de mondelinge behandeling omtrent de communicatie tussen ouders komt daarom als een verrassing voor de GI. De GI heeft inmiddels een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling bij de rechtbank ingediend.
Motivering
3.16.
Het hof overweegt het volgende.
3.16.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.16.2.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat een verzoek tot gezamenlijk gezag zoals het onderhavige wordt toegewezen. Een afwijzing van een dergelijk verzoek geschiedt slechts in de twee in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen.
3.16.3.
Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.
3.16.4.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat partijen tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] in staat zijn. De raad en de GI hebben dit tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd. Vast staat dat de vader – sinds er sprake is van gezamenlijk gezag – geen gezagsbeslissingen over [minderjarige] heeft geblokkeerd. Dat de moeder bij de mededelingen aan de vader over medische afspraken van [minderjarige] wellicht andere verwachtingen van de vader heeft, maakt niet dat de vader gezagsbeslissingen blokkeert en/of dat de vader niet bij [minderjarige] betrokken is. Integendeel, uit de lange geschiedenis van de procedure in eerste aanleg volgt juist dat de vader strijdt om een rol van betekenis in het leven van [minderjarige] te krijgen. Ook is het niet ongebruikelijk dat de moeder, als de hoofdverzorgende ouder van [minderjarige] , meer leidend is bij medische afspraken. De moeder dient bij zaken, daar waar zij meer betrokkenheid van de vader verwacht, dit – al dan niet met behulp van de GI en/of [instantie] – duidelijk en tijdig naar de vader toe uit te spreken, zodat hij de kans krijgt om hierbij aan te sluiten. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat het medische traject van [minderjarige] voorlopig geëindigd is, zodat er in de aankomende periode geen gezagsbeslissingen door partijen op dit vlak hoeven te worden genomen.
Daarbij komt dat de communicatie tussen partijen sinds de bestreden beschikking is verbeterd. Daar waar eerder alleen sprake was van communicatie en/of het delen van informatie via een groepsapp, is er nu tevens sprake van rechtstreekse communicatie tussen partijen. Dit heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook bevestigd. Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [minderjarige] door het gezamenlijk gezag niet klem of verloren zal raken tussen partijen.
3.16.5.
Het hof is verder van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag ook anderszins niet in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Er is inmiddels sprake van een onbegeleide zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] , die door partijen wordt nagekomen. Verder hebben de GI en [instantie] geconstateerd dat de vader goed bij de behoeftes en de leefwereld van [minderjarige] kan aansluiten. Dit maakt dat de vader in staat moet worden geacht om op een verantwoorde wijze (gezags)beslissingen van enig belang over [minderjarige] te nemen die aansluiten bij zijn ontwikkeling(sfase).
3.16.6.
Van de in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen is derhalve geen sprake. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , bekrachtigen.
Zorgregeling
De standpunten
3.17.
De moeder voert omtrent de zorgregeling – samengevat – het volgende aan.
De moeder verzet zich niet tegen het contact tussen de vader en [minderjarige] . Zij heeft wel bezwaren tegen de door de raad geadviseerde en de door de rechtbank vastgestelde uitgebreide (opbouwende) zorgregeling. Deze zorgregeling gaat te snel omdat er stappen worden overgeslagen. Er is door de raad en de rechtbank niet gekeken naar wat [minderjarige] aankan en zij hebben ook geen rekening gehouden met de medische situatie van [minderjarige] . [minderjarige] is pas twee jaar oud. Hij verblijft sinds zijn geboorte bij de moeder en hij kampt met een ontwikkelingsachterstand. Het is op dit moment nog niet precies duidelijk wat er met [minderjarige] aan de hand is. Dit dient eerst duidelijk te worden. Gedurende het BOR-traject hebben – vanwege de medische problemen van [minderjarige] – slechts korte en begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Ook hebben de raad en de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de zorgen die de moeder over de contacten tussen de vader en [minderjarige] heeft geuit. De moeder is de zorgregeling wel nagekomen. Het contactmoment op woensdag verloopt niet goed. [minderjarige] wil op woensdag niet naar de vader; hij huilt en schreeuwt dan. Het is onduidelijk wat hiervan de oorzaak is. Uiteindelijk is [minderjarige] een aantal keren op woensdag niet naar de vader geweest. De moeder heeft dit met de GI besproken. De GI heeft geadviseerd om [instantie] mee te laten kijken. De moeder is echter van mening dat het contactmoment op woensdag niet moet worden gehandhaafd omdat dit te belastend is voor [minderjarige] . [minderjarige] is ook na de andere contactmomenten met de vader onrustig en volledig ontregeld. Hij heeft dan last van driftbuien en hij slaapt niet goed. Deze gedragsverandering is zorgelijk in het licht van de medische situatie van [minderjarige] . Bovendien is de vader niet in staat om op een juiste wijze voor [minderjarige] zorg te dragen. De vader doet in de weekenden wanneer [minderjarige] bij hem verblijft en overnacht, vaak een beroep op de moeder. Zo durft de vader [minderjarige] geen zetpil toe te dienen en weet de vader niet wat hij moet doen wanneer [minderjarige] een huilbui heeft of moet overgeven. De moeder moet daardoor altijd stand-by staan. Zij heeft haar zorgen bij de betrokken instanties aangekaart, maar hier wordt niets mee gedaan. Verder klaagt [minderjarige] sinds juni 2024 over pijn aan zijn geslachtsdeel. De moeder is hiervoor naar de huisarts geweest. Zij heeft – op advies van de huisarts – een melding bij Veilig Thuis gedaan. Veilig Thuis heeft deze melding inmiddels zonder vervolg afgesloten.
Motivering
3.21.
Het hof overweegt het volgende.
3.21.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.21.2.
Tussen partijen is de omvang en de frequentie van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] in geschil.
3.21.3.
Het hof stelt voorop dat de door rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] door partijen wordt uitgevoerd. Partijen hebben een weg gevonden om die zorgregeling te realiseren ondanks de bij de moeder aanwezige zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] , hetgeen het hof een compliment waard vindt.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] is. De zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is na een langdurig BOR 2-traject op een zorgvuldige wijze en onder begeleiding van professionals tot stand gekomen, waarbij het belang van [minderjarige] altijd voorop heeft gestaan.
3.21.4.
Niet in geschil is dat het contactmoment tussen de vader en [minderjarige] op woensdag soms niet goed verloopt, omdat [minderjarige] dan niet naar de vader toe wil gaan. Dit maakt echter niet dat dit contactmoment direct moet komen te vervallen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat over het contactmoment op woensdag tussen partijen overleg bestaat, dat de vader bereid is om een pas op de plaats te maken door [minderjarige] soms bij de moeder te laten blijven en dat partijen met de GI reeds in gesprek zijn over een oplossing voor het contactmoment op woensdag. Ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI verklaard dat er nog verschillende opties zijn om te proberen de weerstand van [minderjarige] tegen het contactmoment op woensdag te laten verminderen. Zo zou volgens de GI het contactmoment op woensdag op een ander tijdstip kunnen plaatsvinden of zou het helpend kunnen zijn wanneer de moeder [minderjarige] naar de vader brengt, zodat [minderjarige] emotionele toestemming van de moeder voor het contact met de vader ervaart. Daarbij komt dat de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , belangrijk is dat er een frequent contact tussen de vader en [minderjarige] bestaat, hetgeen het hof onderschrijft. Het voorgaande maakt dat het hof het contactmoment op woensdag – ondanks de weerstand van [minderjarige] – nog steeds in het belang van [minderjarige] acht.
3.21.5.
Voor zover de moeder in hoger beroep nog heeft gesteld dat de vader niet in staat is om op een juiste wijze voor [minderjarige] te zorgen en dat hij in het weekend vaak een beroep op de moeder doet, heeft de vader al deze stellingen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gemotiveerd weersproken. Zo heeft de vader onweersproken verklaard dat de moeder zelf heeft aangeboden om [minderjarige] een zetpil te komen geven omdat de vader dat nog nooit had gedaan en dat hij de moeder – nadat [minderjarige] veelvuldig had overgegeven – enkel had gebeld over schone kleding voor [minderjarige] . Dát de vader de moeder in zo’n situatie belt en ook dat de moeder dan bereid is te helpen, vindt het hof overigens positief. Verder constateert het hof dat de stellingen van de moeder geen steun vinden in de overgelegde stukken, waaronder de rapportage van [instantie] van 12 mei 2023 en het rapport van de raad van 25 maart 2024. Uit deze stukken blijkt juist dat de vader tijdens de contactmomenten goed kan aansluiten bij [minderjarige] , dat hij de veiligheid van [minderjarige] waarborgt en dat hij [minderjarige] aanspreekt wanneer iets niet mag. Daarmee is in hoger beroep niet komen vast te staan dat de vader handelingsverlegen is wanneer hij de zorg over [minderjarige] heeft en dat de vader niet weet hoe hij voor [minderjarige] moet zorgen. Dat laat onverlet dat de vader als ouder nog verder dient te groeien. Dit is inherent aan de omstandigheid dat de vader tot nu toe slechts een beperkte rol in het leven van [minderjarige] heeft kunnen spelen. Ook voor het overige is het hof niet van contra-indicaties gebleken tegen het contactmoment in het weekend met overnachting. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de door de moeder gedane melding bij Veilig Thuis zonder verder vervolg is afgesloten en dat het medisch traject rondom [minderjarige] voorlopig is beëindigd.
3.21.6.
Gelet op genoemde feiten en omstandigheden zal het hof de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] bekrachtigen.
De slotsom
3.22.
Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.
Proceskosten
3.23.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 27 juni 2024;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin en M.L.F.J. Schyns en is op 12 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Een zorgregeling waarbij er één dag per twee weken – zonder overnachting – contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt, vindt de moeder het hoogst haalbare.
3.18.
De vader voert omtrent de zorgregeling – samengevat – het volgende aan.
De vader betwist dat de door de raad geadviseerde en door de rechtbank vastgestelde opbouwende zorgregeling te snel is gegaan. Het BOR 2-traject is reeds in 2022 gestart en de zorgregeling is geleidelijk uitgebreid. Het tempo van [minderjarige] heeft daarbij altijd centraal gestaan. [instantie] had een goede indruk van de vader. De huidige zorgregeling verloopt goed. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig die maken dat deze zorgregeling moet worden teruggebracht in omvang en frequentie. De moeder heeft de door haar gestelde contra-indicaties niet aangetoond. De moeder verwijst steeds naar de medische situatie van [minderjarige] . De vader noch [instantie] worden over de medische situatie van [minderjarige] geïnformeerd. De vader erkent dat [minderjarige] op woensdag soms overstuur is en niet naar hem toe wil. Dit is echter niet iedere woensdag het geval. Er dient wel met de betrokken hulpverlening naar een oplossing hiervoor te worden gekeken. In de weekenden wil [minderjarige] wel naar de vader toe. De moeder blijft de vader diskwalificeren. De vader betwist dat de verzorging van [minderjarige] door hem te wensen over laat en/of dat hij niet weet hoe hij voor [minderjarige] moet zorgen. Hij heeft de moeder één keer gebeld over het toedienen van een zetpil omdat hij dat nog nooit had gedaan. De moeder heeft daarop aangeboden om zelf de zetpil te komen geven. De vader betwist dat hij de moeder heeft gebeld om de zorg voor [minderjarige] over te nemen. [minderjarige] had veelvuldig overgegeven en de vader had geen schone kleding meer voor [minderjarige] ; de vader heeft daarover contact met de moeder opgenomen. Dat de vader contact met de moeder opneemt en de moeder vervolgens actie onderneemt, is positief en vormt geen contra-indicatie voor de huidige zorgregeling. Hieruit blijkt dat partijen in staat zijn om over hun eigen schaduw heen te stappen en in het belang van [minderjarige] te handelen.
3.19.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de raad het eerder gegeven advies omtrent de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] handhaaft. De in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling is in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft er belang bij om een band met de vader op te bouwen. Zowel [minderjarige] als de vader hebben hier de mogelijkheden voor. De raad vindt het positief dat de vastgestelde zorgregeling – ondanks de bezwaren van de moeder – wordt nagekomen. Dat er tussen partijen een verschil in zienswijze bestaat over het verloop van de zorgregeling is wel een punt van zorg. De GI, de raad en de betrokken hulpverlening hebben oog voor de door de moeder over [minderjarige] geuite zorgen en daar wordt door hen ook naar gehandeld. Deze zorgen worden echter niet bevestigd. Dit maakt dat de moeder zich niet serieus genomen en niet gehoord voelt.
3.20.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende verklaard.
Er zijn geen redenen aanwezig om een wijziging aan te brengen in de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. [minderjarige] kan op dit moment nog niet overzien wanneer hij de vader de volgende keer gaat zien. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat sprake is van een frequent contact tussen [minderjarige] en de vader, zodat hun band behouden blijft. De GI heeft van [instantie] vernomen dat de vader goed aansluit bij [minderjarige] en dat hij hierin stappen zet. Dat [minderjarige] niet altijd goed reageert op het contactmoment op woensdag, maakt niet dat de zorgregeling direct moet worden aangepast. Daarvoor zijn verschillende oplossingen – in samenspraak – met de hulpverlening mogelijk. Zo zou het contactmoment op een ander tijdstip kunnen plaatsvinden of zou het helpend kunnen zijn wanneer de moeder [minderjarige] naar de vader brengt, zodat [minderjarige] emotionele toestemming van de moeder ervaart.