Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:1660
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,297 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 juni 2025
Zaaknummer: 200.344.765/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10574208 OV VERZ 23-5152
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. L.L. Ross,
tegen
[B.V. 1] B.V., voorheen [B.V. 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de bewindvoerder of [de bewindvoerder] ,
advocaat: mr. M.A.E. Wijnands.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , van 16 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2024, heeft [verzoekster] verzocht, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verduidelijkt, om eventueel onder verbetering en aanvulling van de gronden en met inachtneming van de inhoud van het beroepschrift vermelde zo nodig, voormelde beschikking gedeeltelijk vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [verzoekster] recht heeft op een (resterende) schadevergoeding van € 3.455,73.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 december 2024, heeft de bewindvoerder verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[verzoekster] , bijgestaan door mr. Ross;
namens de bewindvoerder, [medewerker] , bijgestaan door mr. Wijnands.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van [verzoekster] op 30 augustus 2024;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van [verzoekster] op 6 maart 2025;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van [verzoekster] op 9 april 2025;
de door de advocaat van de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van 11 juni 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam over de goederen die [verzoekster] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van [voormalige bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam]
tot bewindvoerder.
3.2.
Bij beschikking van 12 augustus 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam
[voormalige bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] per 1 oktober 2016 als bewindvoerder ontslagen en met ingang van die datum [B.V. 2] B.V. (hierna: [de bewindvoerder] ) tot opvolgend bewindvoerder benoemd.
Procesverloop
3.3.
Bij beschikking van 11 augustus 2022 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , het eerder ingestelde bewind over de goederen die aan [verzoekster] toebehoren of zullen toebehoren, met ingang van de dag na verzending van die beschikking, opgeheven.
3.4.
Op 11 oktober 2022 heeft de bewindvoerder de eindrekening en verantwoording over de
periode 1 januari 2022 tot en met 11 augustus 2022 bij de kantonrechter ingediend.
3.5.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat [verzoekster] in staat is om de eindrekening en verantwoording te begrijpen en voor akkoord te ondertekenen.
3.6.
Op 23 december 2022 heeft [verzoekster] de eindrekening en verantwoording ondertekend. [verzoekster] heeft het document wel van de nodige opmerkingen voorzien.
3.7.
Op 7 februari 2023 heeft de bewindvoerder op de opmerkingen van [verzoekster] op de eindrekening en verantwoording gereageerd.
3.8.
Omdat partijen het niet met elkaar eens waren over de eindrekening en verantwoording heeft er op 10 juli 2023 een mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden.
Tijdens die mondelinge behandeling heeft [verzoekster] kenbaar gemaakt dat zij schade heeft geleden door het handelen van de bewindvoerder. De kantonrechter heeft daarop [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om haar verzoek te specificeren en te voorzien van bewijsstukken.
3.9.
Bij brief met bijlagen van 10 oktober 2023 heeft [verzoekster] haar verzoek om een schadevergoeding nader gespecificeerd en van producties voorzien.
[verzoekster] stelt zich hierin op het standpunt dat zij schade heeft geleden omdat de bewindvoerder in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten. Zij verzoekt de kantonrechter om de bewindvoerder voor de door haar geleden schade aansprakelijk te stellen en de bewindvoerder te veroordelen tot vergoeding van de schade van € 4.475,13.
3.10.
Bij brief met bijlagen van 23 november 2023 heeft de bewindvoerder tegen de door [verzoekster] verzochte schadevergoeding verweer gevoerd en verzocht om de claims van [verzoekster] af te wijzen.
3.11.
De kantonrechter heeft op 5 februari 2024 opnieuw een mondelinge behandeling gehouden, omdat partijen het niet met elkaar eens waren. Tijdens die mondelinge behandeling is gebleken dat de laatste reactie van de bewindvoerder nog niet aan [verzoekster] was gestuurd. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek aangehouden en is er aan beide partijen de gelegenheid geboden om nog schriftelijk te reageren.
3.12.
De kantonrechter heeft op 29 februari 2024 per e-mail met bijlagen en op 4 maart 2024 per post en ondertekend de reactie van [verzoekster] ontvangen.
3.13.
Bij brief van 6 maart 2024 heeft de griffier de reactie [verzoekster] aan de bewindvoerder doorgestuurd en de bewindvoerder verzocht hierop te reageren.
3.14.
Bij brief met bijlagen van 15 maart 2024 heeft de bewindvoerder gereageerd.
3.15.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , de bewindvoerder ingevolge artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) veroordeeld, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] een bedrag van € 349,98 te betalen ten aanzien van het doorbetalen van de autoverzekering voor zes maanden. De kantonrechter heeft het door [verzoekster] meer of anders verzochte afgewezen.
Procesverloop
3.16.
[verzoekster] kan zich met deze beslissing van de kantonrechter niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.17.
[verzoekster] voert – samengevat – het volgende aan.
[verzoekster] stelt geen hoger beroep in tegen het door de kantonrechter afgewezen verzoek tot vergoeding van de extra rente en kosten inzake de Nota [Nota] (schuld aan [bedrijf] ). Het hoger beroep van [verzoekster] is enkel gericht tegen de door haar geleden schade inzake de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] . [verzoekster] heeft meer schade geleden dan de schadevergoeding die de kantonrechter in de bestreden beschikking heeft toegewezen. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat [verzoekster] zelf de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] had moeten stopzetten en dat de bewindvoerder niet tekort is geschoten. Primair stelt [verzoekster] dat de bewindvoerder onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] niet heeft opgezegd, terwijl voor de betaling ervan niet voldoende financiële middelen aanwezig waren. De bewindvoerder heeft voor het opzeggen van de autoverzekering geen toestemming van [verzoekster] nodig. Dat [verzoekster] de auto wilde behouden, doet daarom niet ter zake. Ook had de bewindvoerder de auto bij de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) kunnen laten schorsen; dan hoeft de auto niet verzekerd te zijn. Subsidiair stelt [verzoekster] dat de bewindvoerder te weinig heeft gedaan om een vermelding van [verzoekster] in het Externe Verwijzingsregister (hierna: EVR-registratie) te voorkomen. [verzekeringsmaatschappij 1] heeft de autoverzekering van [verzoekster] per 2 april 2018 – vanwege een betalingsachterstand – opgeschort. De bewindvoerder heeft in de periode van 2 april 2018 tot aan het royementsbericht op 5 juni 2018 nagelaten om te handelen. [verzoekster] was niet op de hoogte van de betalingsachterstand. Ook [verzekeringsmaatschappij 1] heeft meerdere malen tevergeefs geprobeerd om hierover contact met de bewindvoerder op te nemen. Daardoor kon er geen betalingsregeling worden afgesproken. Ook op dit punt is de bewindvoerder in de uitoefening van zijn taak tekortgeschoten. De door [verzoekster] in hoger beroep gevorderde (resterende) schadevergoeding bestaat uit het verschil tussen de premie van de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] en de hogere premie bij [verzekeringsmaatschappij 2] vanwege de EVR-registratie. Er is sprake van wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW. Aan de in artikel 6:74 BW genoemde voorwaarden wordt voldaan. De bewindvoerder is toerekenbaar tekortgeschoten. Bovendien is er sprake van een causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming van de bewindvoerder en de door [verzoekster] geleden schade. De door de bewindvoerder gemaakte fout kan niet meer worden hersteld omdat nakoming blijvend onmogelijk is geworden. [verzoekster] kan hierdoor direct een schadevergoeding vorderen.
3.18.
De bewindvoerder voert – samengevat – het volgende aan.
De bewindvoerder is niet tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder als omschreven in artikel 1:444 BW. Op grond van artikel 2 van de Wet Aansprakelijkheids-verzekering Motorrijtuigen (WAM) is het verplicht om een aansprakelijkheidsverzekering voor een motorrijtuig af te sluiten. Er kan op grond van artikel 30 WAM een forse straf worden opgelegd indien een motorrijtuig niet verzekerd is. De bewindvoerder heeft er alles aan gedaan om de autoverzekering in samenspraak met [verzoekster] op te zeggen. Zo heeft de bewindvoerder [verzoekster] duidelijk proberen te maken dat er geen financiële ruimte was om de auto te behouden. Bij de aanvang van het bewind was reeds sprake van een negatief budgetplan; de maandelijkse uitgaven waren structureel te hoog. De bewindvoerder heeft met [verzoekster] de aanwezige opties besproken, zoals de verkoop van de auto of om de premie van de autoverzekering door derden te laten betalen. [verzoekster] heeft toen aangegeven te onderzoeken of familie de verzekering zou kunnen betalen. Ook heeft de bewindvoerder nog de mogelijkheid voor een alternatief vervoersmiddel via de WMO onderzocht. Desondanks heeft [verzoekster] ervoor gekozen om de auto te behouden. De bewindvoerder heeft, gelet op de wettelijke verzekeringsplicht, juist gehandeld door de autoverzekering niet eerder stop te zetten dan het moment dat de financiële positie van [verzoekster] betaling echt niet meer toeliet. De betalingsachterstand bij [verzekeringsmaatschappij 1] was onvermijdelijk. De bewindvoerder was aanvankelijk niet op de hoogte van deze betalingsachterstand.. Mogelijk heeft de verzekeraar de adresgegevens van de bewindvoerder niet gebruikt. De transacties op de beheerrekening worden niet dagelijks door de bewindvoerder gecontroleerd. De bewindvoerder heeft [verzoekster] gewezen op de gevolgen van de betalingsachterstand, zodra hij hiermee bekend werd. De overgelegde telefoonnotities zijn geen integrale notities van wat de bewindvoerder met [verzoekster] heeft besproken. Dat er later, in november 2018, alsnog de financiële ruimte ontstond om de auto te behouden, kwam door een terugbetaling van de Belastingdienst. De autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] was toen al geroyeerd.
Motivering
3.19.
Het hof overweegt het volgende.
Het wettelijk kader
3.19.1.
Aan het hof ligt de vraag voor of de bewindvoerder in de zorg van een goed bewindvoerder toerekenbaar tekort is geschoten en of de bewindvoerder de als gevolg daarvan ontstane schade aan de rechthebbende dient te vergoeden.
Ingevolge artikel 1:444 BW is een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder, te kort schiet, tenzij de tekortkoming niet kan worden toegerekend.
Op grond van artikel 1:362 BW, volgens artikel 1:445 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing bij bewind, kan de rechter (ambtshalve) de schade vast stellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot een vergoeding daarvan veroordelen.
Daarbij dient sprake te zijn van een causaal verband tussen de handelwijze van de bewindvoerder en de beweerdelijk geleden schade van de rechthebbende.
3.19.2.
Uit artikel 2 lid 1 WAM volgt dat de bezitter van een motorrijtuig en degene op wiens naam dit in het kentekenregister is ingeschreven, verplicht zijn voor het motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden welke aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen voldoet, indien dat motorrijtuig op een weg wordt geplaatst of daarmee op een weg wordt gereden, indien buiten een weg met dat motorrijtuig aan het verkeer wordt deelgenomen of indien dat motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven en tenaamgesteld.
Omvang van het geschil
3.19.3.
In hoger beroep ligt enkel nog de vraag voor of de bewindvoerder aansprakelijk is voor de door [verzoekster] beweerdelijk geleden schade ten gevolge van het handelen/nalaten van de bewindvoerder inzake de autoverzekering van [verzoekster] bij [verzekeringsmaatschappij 1] . Dat de bewindvoerder ten onrechte na de beëindiging van de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] zes maanden de premie hiervan heeft doorbetaald (in totaal € 349,98) is in hoger beroep niet in geschil. [verzoekster] stelt echter dat de door haar geleden schade inzake de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] veel hoger is, te weten een bedrag van € 3.805,71.
Dit betekent dat het hof dient te beoordelen of [verzoekster] recht heeft op de door haar gevorderde resterende schadevergoeding van € 3.455,73.
De inhoudelijke beoordeling
3.19.4.
Het primaire standpunt van [verzoekster] gaat – naar het oordeel van het hof – niet op. Uit de stukken en ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat [verzoekster] – ondanks de bezwaren van de bewindvoerder vanwege het gebrek aan financiële middelen – de auto wilde behouden. Dit maakt dat de auto van [verzoekster] op grond van artikel 2 WAM verzekerd diende te zijn. De bewindvoerder heeft daarom terecht de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] niet opgezegd. Reeds om die reden is de bewindvoerder niet toerekenbaar tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. De bewindvoerder is immers in zijn taakuitoefening verplicht om zich aan de wettelijke verzekeringsplicht te houden.
3.19.5.
[verzoekster] voert subsidiair aan dat de bewindvoerder onvoldoende heeft gedaan om een EVR-registratie te voorkomen. [verzoekster] stelt dat zij door deze toerekenbare tekortkoming van de bewindvoerder schade heeft gelden. De door [verzoekster] geleden schade bestaat volgens haar uit het verschil tussen de premie van de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] en de hogere premie van de nieuwe autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 2] (vanwege een EVR-registratie).
3.19.6.
Het hof stelt voorop dat bij de aanvang van de bewindvoering door [de bewindvoerder] sprake was van een negatief budgetplan; de maandelijkse uitgaven van [verzoekster] waren hoger dan haar inkomsten. In hoger beroep is ook niet langer in geschil dat de betalingsachterstand inzake de premie van de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] tijdens de bewindvoering door [de bewindvoerder] is ontstaan. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken. Uit bijlage 6 en 7 bij de brief van [de bewindvoerder] aan de rechtbank d.d. 23 november 2023 volgt dat over de periode 1 december 2017 tot en met maart 2018 de premie van de autoverzekering van [verzoekster] niet is voldaan. [verzekeringsmaatschappij 1] heeft vanwege wanbetaling de autoverzekering van [verzoekster] per 2 april 2018 opgeschort. [verzekeringsmaatschappij 1] heeft vervolgens bij brief van 5 juni 2018 de bewindvoerder bericht dat de autoverzekering van [verzoekster] (met terugwerkende kracht) per 2 april 2018 – in verband met wanbetaling – is geroyeerd.
3.19.7.
De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden is of de ontstane premieachterstand bij [verzekeringsmaatschappij 1] aan de bewindvoerder is toe te rekenen. Vast staat dat de premie van de autoverzekering van [verzoekster] via de beheerrekening van de bewindvoerder werd betaald. Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder op dit punt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder omdat de bewindvoerder pas omstreeks 29 maart 2018, derhalve pas na vier maanden, in de gaten had dat sprake was van een premieachterstand. Het is immers de taak van de bewindvoerder om erop toe te zien dat alle vaste lasten van [verzoekster] , waaronder de premie van de autoverzekering, tijdig worden voldaan en om op het moment dat de premie niet wordt geïncasseerd om tijdig actie te ondernemen.
3.19.8.
De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of de bewindvoerder na het ontdekken van de premieachterstand omstreeks 29 maart 2018, vervolgens in de periode april 2018 tot en met juni 2018 voldoende heeft gedaan om een royement van de autoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] (en de daarmee voor [verzoekster] gepaard gaande consequenties) te voorkomen. Op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zo heeft de bewindvoerder in een e-mailbericht van 5 april 2018 [verzoekster] dringend geadviseerd om de auto bij de RDW te laten schorsen, omdat de verzekering was opgeschort. Ook blijkt uit de overgelegde telefoonnotitie van 9 april 2018 dat er contact tussen [verzoekster] en de bewindvoerder heeft plaatsgevonden, waarbij [verzoekster] heeft aangegeven dat zij wilde onderzoeken of de premie van de autoverzekering en de overige kosten van de auto door haar familie konden worden betaald. De bewindvoerder heeft daarna op 9 april 2018 per e-mail een overzicht van de totale kosten van de auto naar [verzoekster] verzonden. Op 11 april 2018 heeft de bewindvoerder [verzoekster] opnieuw een e-mail gestuurd met de vraag of haar familie de maandelijkse kosten van de autoverzekering plus de premieachterstand gaat betalen. Ook heeft de bewindvoerder in deze e-mail [verzoekster] gewezen op de mogelijke nadelige consequenties van de premieachterstand zoals een boete. Dat de bewindvoerder [verzoekster] kennelijk niet heeft gewezen op de mogelijke gevolgen voor toekomstige premies vanwege een eventuele EVR-registratie, maakt niet dat de bewindvoerder niet adequaat heeft gehandeld. Op die e-mail heeft de bewindvoerder kennelijk geen reactie ontvangen. Ook is de premie van de autoverzekering inclusief de achterstand kennelijk onbetaald gebleven, getuige het royementsbericht van [verzekeringsmaatschappij 1] op 5 juni 2018.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , van 16 mei 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en M.L.F.J. Schyns en is op 12 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.