Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:166
Strafrecht
Hoger beroep
1,459 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000149-24
Uitspraak : 22 januari 2025
VERSTEK (dip)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 januari 2024 met parketnummer 02-085977-21, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België), opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer ETS-1-2020001782, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘witwassen’ (feit 1);
‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod (feit 2) en
‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening’ (feit 3),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Voorts is de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De rechtbank heeft de inbeslaggenomen goederen (waaronder begrepen diverse geldbedragen, een horloge van het merk Rolex, een gouden halsketting en telefoontoestellen) verbeurd verklaard. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen te Brugge van 3 juni 2019 opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden en 10 dagen. Ten slotte is bij vonnis waarvan beroep het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde 1] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft niet te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven, zodat deze vordering in hoger beroep niet aan de orde is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing over het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 140,00 met beslagnummer G2318504. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zal de daarmee samenhangende overweging in het vonnis worden vervangen op na te melden wijze.
Het hof heeft tevens geconstateerd dat de rechtbank het aantreffen van voormeld geldbedrag in een beige jas redengevend heeft geacht voor het bewijs (vide pagina 11 van het bestreden vonnis). Het hof is evenwel van oordeel dat die passage niet redengevend is voor de bewezenverklaring, reden waarom het bewijsmiddel ‘ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2021, opgenomen op pagina 51 en 52’, maar uitsluitend voor zover het gaat om de alinea: ‘Op 30 maart 2021, (…) totaal honderdveertig euro ging’, komt te vervallen.
Beslag
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat bij gelegenheid van het vooronderzoek een geldbedrag ad € 140,00 in beslag is genomen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, behoort dit geldbedrag niet toe aan de verdachte, maar aan [benadeelde 2] , aangezien uit het procesdossier naar voren komt dat dit geldbedrag is aangetroffen in de jaszak van die persoon en de verdachte alsmede deze [benadeelde 2] hebben verklaard dat dit geld van [benadeelde 2] is.
Aangezien er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het strafvorderlijk beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering op dit geldbedrag, zal het hof de teruggave daarvan gelasten aan [benadeelde 2] , als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van dat geldbedrag aan te merken persoon.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing over het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 140,00 met beslagnummer G2318504, en doet in zoverre opnieuw recht:
gelast de teruggave aan [benadeelde 2] van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag ad € 140,00 (beslagnummer G2318504);
bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. dr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,
en op 22 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.