Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-23
ECLI:NL:GHSHE:2025:161
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,725 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 23 januari 2025
Zaaknummer: 200.345.105/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/316920 / FA RK 23-1424
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 1] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[de moeder 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 2] ,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats]
hierna te noemen: de raad.
In het kort
Moeder [de moeder 1] is het er niet mee eens dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de 4-jarige [minderjarige 1] bij moeder [de moeder 2] heeft bepaald en beide moeders zijn het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 30 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2024, zoals gewijzigd op 25 november 2024, heeft moeder [de moeder 1] verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van moeder [de moeder 2] af te wijzen, en de verzoeken van moeder [de moeder 1] conform eerste aanleg toe te wijzen, althans de navolgende gewijzigde verzoeken, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling in hoger beroep ten aanzien van de zorgregeling, te honoreren:
I. dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] wordt bepaald bij moeder [de moeder 1] ;
II. dat aan moeder [de moeder 1] vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige 1] in te schrijven op basisschool [basisschool] te [plaats] ;
III. dat voor zover nodig de raad nader onderzoek doet naar het belang van [minderjarige 1] om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen naar die van moeder [de moeder 2] , danwel het hoofdverblijf aan te houden bij moeder [de moeder 2] ;
IV. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast te stellen waarbij wordt bepaald dat:
- [minderjarige 1] bij moeder [de moeder 2] verblijft één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 16.00 uur (of na school) tot zondagmiddag 16.00 uur;
- tijdens de schoolvakantie van een week of korter, [minderjarige 1] de helft van de schoolvrije periodes, en dan telkens de volledige vakantie, bij één ouder doorbrengt waarbij deze korte vakanties om en om tussen de ouders, in goed onderling overleg, worden verdeeld;
- tijdens de schoolvakanties van langer dan een week een gelijkwaardige verdeling, in onderling overleg tussen de ouders wordt bepaald;
- [minderjarige 1] tijdens Kerst 2024 eerste en tweede Kerstdag bij moeder [de moeder 1] verblijft alsook tijdens de eerste week van de Kerstvakantie;
- [minderjarige 1] in de even jaren eerste Kerstdag en de eerste week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 1] verblijft;
- [minderjarige 1] in de oneven jaren en de tweede week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 1] verblijft;
- de overige bijzondere (vrije) dagen en overige feestdagen tussen partijen in onderling overleg gelijk worden verdeeld;
- moeder [de moeder 1] in de oneven jaren in de zomervakanties de eerste keuze heeft en moeder [de moeder 2] in de even jaren;
- dat [minderjarige 1] op woensdag en zondag, telkens om 16.00 uur face-timet met de niet verzorgende ouder.
Voor het geval de bestreden beschikking wordt bekrachtigd, verzoekt moeder [de moeder 1] te bepalen dat de vakanties gelijk zullen worden verdeeld en dat de Raad voor Rechtsbijstand (het hof begrijpt dat de moeder hiermee ‘de Raad voor de Kinderbescherming’ bedoelt) de komende twee jaar toezicht op [minderjarige 1] houdt.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2024, heeft moeder [de moeder 2] verzocht moeder [de moeder 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans en in elk geval haar verzoek om de beschikking te vernietigen, af te wijzen.
Tevens heeft moeder [de moeder 2] hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht aanvullend te bepalen, zoals gewijzigd op de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat de vakantieregeling als volgt wordt vastgesteld:
de vakanties die een week of korter duren verblijft [minderjarige 1] bij de niet-verzorgende ouder;
de vakanties van een week of langer worden evenredig worden verdeeld waarbij;
• [minderjarige 1] in de even jaren de Kerstdagen en de eerste week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 1] verblijft;
• [minderjarige 1] in de oneven jaren de Kerstdagen en de eerste week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 2] verblijft;
• [minderjarige 1] in de even jaren met oud & nieuw en de tweede week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 2] verblijft;
• [minderjarige 1] in de oneven jaren met oud & nieuw en de tweede week van de Kerstvakantie bij moeder [de moeder 1] verblijft;
• [minderjarige 1] in de oneven jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij moeder [de moeder 1] is en de laatste drie weken bij moeder [de moeder 2] ;
• [minderjarige 1] in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij moeder [de moeder 2] is en de laatste drie weken bij moeder [de moeder 1] .
- dan wel dat het hof over de zorgregeling een beslissing neemt die het hof juist acht.
Tot slot heeft moeder [de moeder 2] verzocht de facetime tijd te wijzigen naar iedere dinsdag en eenmaal in de veertien dagen op vrijdag, waarbij het haar niet uitmaakt of dit om 16.00 uur of 19.00 uur plaatsvindt.
2.3.
Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, heeft moeder [de moeder 1] verzocht, voor zoveel uitvoerbaar bij voorraad, moeder [de moeder 2] in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2024. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord en namens de raad is mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] gehoord.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2024;
de twee pleitnota’s die op de mondelinge behandeling door beide advocaten zijn overgelegd.
Beoordeling
In het principaal en incidenteel hoger beroep:
3.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Bij beschikking van 6 augustus 2021 heeft de rechtbank Limburg tussen partijen het geregistreerd partnerschap ontbonden. Deze beschikking is op 9 september 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.Uit dit geregistreerd partnerschap is, te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020, geboren: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ).
Moeder [de moeder 1] is de biologische moeder van [minderjarige 1] . De biologische vader van [minderjarige 1] is onbekend: dit is een anonieme donor uit Duitsland.
Moeder [de moeder 1] is op 6 december 2023 bevallen van [minderjarige 2] . Hij is biologisch gezien een volle broer van [minderjarige 1] . Moeder [de moeder 1] heeft een relatie met [betrokkene 1] .
Moeder [de moeder 2] heeft een relatie met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is nu in verwachting. Op 23 januari 2025 is zij uitgerekend.
3.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] uit. De ouders hebben afspraken met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] neergelegd in het ouderschapsplan van 17 juni 2021 dat deel uitmaakt van en is gehecht aan de beschikking van 6 augustus 2021. Partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] zolang moeder [de moeder 2] in [plaats] woont, de ene week bij moeder [de moeder 2] verblijft en de andere week bij moeder [de moeder 1] . Vanaf de verhuizing van moeder [de moeder 2] naar (de omgeving van) [plaats] zal [minderjarige 1] telkens twee weken bij moeder [de moeder 2] en twee weken bij moeder [de moeder 1] verblijven. Met betrekking tot de vakanties en feestdagen hebben de ouders in het ouderschapsplan ook afspraken gemaakt. De ouders hebben daarnaast afgesproken dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] (formeel) bij moeder [de moeder 1] is. Verder is, voor zover hier van belang, in het ouderschapsplan afgesproken dat de ouders deze regeling handhaven totdat [minderjarige 1] 4 jaar oud is en leerplichtig wordt. Dan zullen de ouders met elkaar in overleg gaan over de vraag of [minderjarige 1] (in de buurt van) [plaats] of [plaats] naar school zal gaan.
Bij de rechtbank
3.4.1.
Beide partijen hebben verzoeken aan de rechtbank gedaan over [minderjarige 1] die er – kort gezegd – op neerkomen dat zij allebei de ouder willen zijn bij wie [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats krijgt. De overige verzoeken die partijen hebben gedaan, hangen daarmee samen. Voor zover relevant, zal het hof hier later op ingaan.
3.4.2.
Bij tussenbeschikking van 6 december 2023 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar:
- Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige 1] , bezien in samenhang
met de vraag waar [minderjarige 1] naar school zal gaan, ofwel in (de buurt van) [plaats] of
[plaats] ?
- Welke zorgregeling met de ouder bij wie [minderjarige 1] niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, is het meest in zijn belang?
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
3.4.3.
De raad heeft op 2 april 2024 geadviseerd dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen van moeder [de moeder 1] naar moeder [de moeder 2] .
3.4.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 17 juni 2021 gewijzigd voor zover dit ziet op de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en de zorgregeling en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] met ingang van de datum van de beschikking bij moeder [de moeder 2] zal zijn. Verder heeft de rechtbank bepaald dat moeder [de moeder 1] en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:
een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 12.00 uur (of na school) tot zondag 18.00 uur;
tijdens de schoolvakanties van een week of korter de gehele schoolvrije periode;
tijdens de schoolvakanties van langer dan een week, een gelijkwaardige verdeling, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;
tijdens de feestdagen en overige bijzondere dagen, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;
wekelijks op woensdag om 18.00 uur via facetime.
Tot slot heeft de rechtbank aan moeder [de moeder 2] , ter vervanging van de ontbrekende toestemming van moeder [de moeder 1] , vervangende toestemming gegeven om [minderjarige 1] in te schrijven op basisschool [basisschool] te [plaats] , gemeente [gemeente] .
3.4.5.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen vrijwel meteen uitvoering hebben gegeven aan deze beschikking. Sinds 31 mei 2024 staat [minderjarige 1] ingeschreven bij moeder [de moeder 2] en kort daarna is hij voor het eerst naar school gegaan bij [basisschool] .
Bij het hof
3.5.1.
Moeder [de moeder 1] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof zal eerst het meest verstrekkende onderwerp behandelen: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en daarna de verzoeken die daarmee samenhangen.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (en de school)
3.5.2.
Het standpunt van moeder [de moeder 1] luidt, zoals geformuleerd in de processtukken en aangevuld op de mondelinge behandeling, samengevat, als volgt.
De rechtbank heeft ten onrechte het advies van de raad niet gevolgd en overwogen dat het biologische broertje van [minderjarige 1] niet van doorslaggevende betekenis is. [minderjarige 1] heeft al die tijd zijn hoofdverblijfplaats bij moeder [de moeder 1] gehad. Hij ging in haar thuisomgeving naar artsen, de GGD, de kinderopvang en hij was voorbereid om bij haar naar school te gaan. Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] is het tevens van belang dat moeder [de moeder 1] de biologische moeder van [minderjarige 1] is. Moeder [de moeder 1] voelt [minderjarige 1] – als biologische ouder – beter aan dan moeder [de moeder 2] . Het valt moeder [de moeder 2] niet op als [minderjarige 1] ziek is. Hij viel laatst in slaap op de bank en dat is opvallend gedrag voor hem. [minderjarige 1] bleek toen, niet voor het eerst, een keel- en oorontsteking te hebben die niet opgemerkt was door moeder [de moeder 2] . De opvoedsituatie bij moeder [de moeder 1] is beter. Moeder [de moeder 1] maakt zich zorgen of [minderjarige 1] wel genoeg doucht bij moeder [de moeder 2] thuis. [minderjarige 1] heeft sinds mei 2024 een totale gedragsverandering ondergaan. Hij is heel brutaal; dat was vroeger niet zo. Verder zegt hij dat hij niet gelukkig is en dat is nogal een uitspraak voor een kind van die leeftijd. De gezinssituatie bij moeder [de moeder 1] is onterecht als onrustig beoordeeld en er is – niet gemotiveerd – aangenomen dat [minderjarige 1] iets zou meekrijgen van de geschetste gespannen relaties en dat hij hierbij betrokken zou kunnen raken. Het aspect van de drie kinderen van [betrokkene 1] had buiten beschouwing moeten blijven, ook gelet op het feit dat de situatie van de partner van moeder [de moeder 2] niet in het onderzoek bij de raad is betrokken. De stiefdochter van moeder [de moeder 1] , de zestienjarige [stiefdochter] , verblijft de helft van de tijd in het gezin van moeder [de moeder 1] . [stiefdochter] is recent gediagnosticeerd met een stoornis op het autisme spectrum en zit nu in de puberleeftijd.
Dictum
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
wijst af het verzoek van moeder [de moeder 1] dat de Raad voor de Rechtsbijstand (Raad voor de Kinderbescherming) gedurende 2 jaar toezicht dient te houden op [minderjarige 1] ;
vernietigt de bestreden beschikking van 30 mei 2024 voor zover het zorgregeling betreft en wijzigt het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 17 juni 2021 en bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouder bij wie [minderjarige 1] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020) niet zijn hoofdverblijfplaats heeft als volgt:
eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, met het wisselpunt in [plaats] ;
schoolvakanties langer dan één week worden evenredig/gelijkwaardig in onderling overleg verdeeld tussen partijen met uitzondering van de Kerstvakantie;
Kerstmis in de even jaren: [minderjarige 1] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 1] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 2] ;
Kerstmis in de oneven jaren: [minderjarige 1] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 2] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 1] ;
Zomervakanties: in de oneven jaren verblijft [minderjarige 1] de eerste helft (drie weken) bij moeder [de moeder 1] en de tweede helft (drie weken) bij moeder [de moeder 2] , in de even jaren verblijft [minderjarige 1] de eerste helft bij moeder [de moeder 2] (drie weken) en de tweede helft bij moeder [de moeder 1] (drie weken),;
iedere woensdag om 18.00 een facetime moment en een keer per veertien dagen op vrijdag om 18.00 uur;
tijdens bijzondere dagen en overige feestdagen, door partijen in onderling overleg te verdelen;
bepaalt, voorlopig, dat de schoolvakanties van één week of korter in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.5.5. is overwogen;
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
houdt iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming inschrijving school en het onderdeel van de zorgregeling voor wat betreft de korte schoolvakanties van één week aan tot PRO FORMA 23 mei 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin, M.I. Peereboom-van Drunick en is op 23 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
Dit is soms lastig. Op deze onderliggende reden van de problematiek is de rechtbank in het geheel niet ingegaan. Moeder [de moeder 1] en [betrokkene 1] hebben thuisbegeleiding aangevraagd om te leren hoe ze met [stiefdochter] en haar problematiek om moeten gaan. [minderjarige 1] zal bij moeder [de moeder 1] in een liefdevol gezin opgroeien. De door moeder [de moeder 1] genoemde contra-indicaties met betrekking tot moeder [de moeder 2] zijn door de rechtbank geheel terzijde geschoven. Bij moeder [de moeder 2] is PTSS geconstateerd, zij heeft wisselende relaties en er is een gebrek aan een sociaal netwerk. Moeder [de moeder 2] heeft geen contact met haar vader, moeder en haar broer. Er is bovendien geen sprake van een integraal negatieve houding van de familie van moeder [de moeder 1] ten aanzien van moeder [de moeder 2] . Het is juist moeder [de moeder 2] die zich tegenover [minderjarige 1] over moeder [de moeder 1] en haar familie negatief uitlaat. Moeder [de moeder 1] doet er alles aan om een onbelast contact van [minderjarige 1] met zijn beide moeders in stand te houden. Moeder [de moeder 1] en [betrokkene 1] zitten sinds mei 2024 in een verbouwing die, naar verwachting, in februari 2025 zal zijn afgerond. De kelder wordt momenteel als keuken gebruikt en de gezinsleden douchen drie keer per week ergens anders. Moeder [de moeder 1] wil graag dat de raad nogmaals onderzoek doet. De rechtbank noemt de thuissituatie van moeder [de moeder 1] ‘onrustig’, maar de thuissituatie is door de raad niet eens onderzocht. De raad heeft er destijds geen conclusies aan verbonden, maar de rechtbank doet dat wel. Ook moet het opvallende gedrag van [minderjarige 1] worden onderzocht. Moeder [de moeder 1] maakt zich zorgen over wat het met een kind doet op de lange termijn als hij uit zijn biologische omgeving wordt gehaald.
3.5.3.
Het standpunt van moeder [de moeder 2] luidt, zoals geformuleerd in de processtukken een aangevuld op de mondelinge behandeling, samengevat, als volgt.
De rechtbank heeft de beslissing om af te wijken van het advies van de raad uitvoerig en zorgvuldig onderbouwd. Moeder [de moeder 2] maakt zich geen zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] , aangezien er sprake is van een uitgebreide zorgregeling met moeder [de moeder 1] . Partijen zijn vrouwen. De keuze om samen een kind te krijgen, is een heel bewuste gezamenlijk keuze geweest. Hoewel moeder [de moeder 2] niet de biologische moeder is, heeft er vanaf de geboorte van [minderjarige 1] hechting tussen hen plaatsgevonden en heeft zij de zorg voor [minderjarige 1] op zich genomen. Ondanks dat [minderjarige 1] formeel gezien al die tijd zijn hoofdverblijfplaats bij moeder [de moeder 1] heeft gehad, was er feitelijk sprake van een regeling waarbij [minderjarige 1] evenveel bij moeder [de moeder 1] als bij moeder [de moeder 2] verbleef. Moeder [de moeder 2] is nooit mee naar artsenbezoeken of de GGD geweest, omdat moeder [de moeder 1] haar hierin nooit heeft betrokken. Moeder [de moeder 1] heeft bovendien met [minderjarige 1] , zonder toestemming en medeweten van moeder [de moeder 2] , een school bezocht en aan [minderjarige 1] medegedeeld dat hij daarheen zou gaan. Moeder [de moeder 1] heeft [minderjarige 1] zonder haar toestemming ingeschreven op een peuterspeelzaal en peuterzwemmen. Moeder [de moeder 2] heeft moeder [de moeder 1] daarentegen in het verleden altijd volledig geïnformeerd over zaken aangaande [minderjarige 1] en, nu de hoofdverblijfplaats bij haar is bepaald, heeft ze moeder [de moeder 1] altijd bij afspraken over [minderjarige 1] ’s school, gezondheid en overige welbevinden betrokken. Moeder [de moeder 2] gunt moeder [de moeder 1] het contact met [minderjarige 1] . Zij heeft aangeboden dat [minderjarige 1] de hele herfstvakantie bij haar mag verblijven, maar dat heeft moeder [de moeder 1] afgewezen. De rechtbank heeft de gezinssituatie bij moeder [de moeder 1] terecht als onrustig en risicosituatie voor het veilig opgroeien van [minderjarige 1] beoordeeld. De partner van moeder [de moeder 1] heeft geen contact met twee van haar vier kinderen. De raad heeft verzuimd zich op de hoogte te stellen van de feitelijke woonsituatie van beide moeders. Het was een summier onderzoek. De raad heeft geen thuisbezoeken afgelegd. Bovendien heeft de raad de onderzoeksvraag van de rechtbank verkeerd geïnterpreteerd. Hoewel formeel het hoofdverblijf van [minderjarige 1] in het ouderschapsplan bij moeder [de moeder 1] is bepaald, is gelet op de zorgregeling sprake van een vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] . Op basis van het uitgevoerde onderzoek kon dan ook niet worden geconcludeerd dat de situaties in beide gezinnen gelijk zijn. Ten onrechte wordt bovendien door moeder [de moeder 1] gesteld dat moeder [de moeder 2] zich tegenover [minderjarige 1] over moeder [de moeder 1] en haar familie negatief zou uitlaten. Moeder [de moeder 2] is persoonlijk geconfronteerd met de negatieve houding van de familie van moeder [de moeder 1] richting moeder [de moeder 2] . Uit de raadsrapportage blijkt dat moeder [de moeder 1] haar kwalificeert als ‘borderliner’ en ‘narcist’. Moeder [de moeder 2] herkent zichzelf hier niet in. De familie van [de moeder 1] praat bij de overdracht van [minderjarige 1] negatief over moeder [de moeder 2] , zij wordt aangeduid als ‘een buitenlander’. Ook zeggen de ouders van moeder [de moeder 1] tegen moeder [de moeder 2] dat zij ‘niks met [minderjarige 1] heeft en dat [minderjarige 1] naar moeder [de moeder 1] moet’. Dit zeggen zij in het bijzijn van [minderjarige 1] . Moeder [de moeder 2] is in 1999 gevlucht uit voormalig Servië. Zij heeft toen zij 10 jaar was EMDR gehad en toen zij 25 jaar was, heeft zij onder behandeling gestaan bij een psycholoog omdat zij moeite had met de echtscheiding van haar ouders. Zij heeft hier baat bij gehad. Nu heeft moeder [de moeder 2] geen hulpverlening meer. Moeder [de moeder 2] heeft geen contact meer met haar vader, maar wel met haar moeder en broer. Zij zorgt goed voor [minderjarige 1] . Hij wordt iedere dag gewassen en om de dag gedoucht. Moeder [de moeder 2] heeft geen problemen met [minderjarige 1] . Hij is niet brutaal, maar hij heeft wel eens een grote mond. Hij komt thuis met bepaalde verhalen over moeder [de moeder 1] , bijvoorbeeld dat ze heel streng is en hij vaak op zijn kamer zit. Moeder [de moeder 2] schrikt als zij de foto’s ziet van de kelder bij moeder [de moeder 1] thuis, maar dit kan ook een momentopname zijn. De opmerkingen van moeder [de moeder 1] over ‘hygiëne’ en ‘het missen van signalen’, doen moeder [de moeder 2] verdriet. Zij ziet dit als diskwalificeren. Moeder [de moeder 2] staat open voor een nieuw raadsonderzoek.
3.5.3.
De raad heeft op de mondelinge behandeling verklaard niet te kunnen adviseren welke hoofdverblijfplaats meer in het belang van [minderjarige 1] is. Partijen hebben altijd evenveel tijd voor [minderjarige 1] gezorgd zonder dat één moeder de hoofdverblijfplaatsouder was. Nu er ook bij moeder [de moeder 2] een baby in het gezin komt, wordt de situatie voor [minderjarige 1] nog meer gelijk getrokken. Beide gezinnen maken onderdeel uit van [minderjarige 1] ’s familie. [minderjarige 1] moet zich kunnen spiegelen aan [minderjarige 2] , maar net zo goed aan de baby die nog geboren gaat worden bij moeder [de moeder 2] . De biologische band met moeder [de moeder 1] , vindt de raad belangrijk, maar niet doorslaggevend. Moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] hebben samen gekozen voor [minderjarige 1] en de manier waarop hij ter wereld is gekomen. Zij wisten allebei dat er maar één moeder de biologische moeder zou kunnen zijn. De juridische band tussen moeder [de moeder 1] en [minderjarige 1] is gelijk aan de juridische band tussen moeder [de moeder 2] en [minderjarige 1] . De raad heeft zorgen over de spanningen tussen de ouders en hun slechte communicatie en samenwerking, maar niet over de wijze waarop beide ouders voor [minderjarige 1] zorgen. Dat de ouders met elkaar strijden, is sowieso niet in het belang van [minderjarige 1] .
Beoordeling
[minderjarige 1] gaat last krijgen van de dynamiek van deze ouders. De raad vindt een nieuw onderzoek niet nodig. Er waren bij het eerste onderzoek geen signalen van onveiligheid voor [minderjarige 1] . De raad heeft in het eerdere onderzoek gaan aanleiding gezien om op huisbezoek te gaan bij de ouders. Als het hof het nodig vindt, is de raad bereid om nogmaals onderzoek te doen.
Het hof overweegt als volgt.
3.5.4.
Tussen partijen staat vast dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat waar hij zijn hoofdverblijf krijgt, hij ook naar school zal gaan.
3.5.5.
Het hof stelt voorop dat de rechtbank weliswaar de juiste onderzoeksvraag aan de raad heeft gesteld (bij welke ouder dient [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats te hebben), maar dat de raad een andere onderzoeksvraag heeft beantwoord in zijn rapportage van 2 april 2024 (namelijk of de hoofdverblijfplaats dient te worden gewijzigd). In hoger beroep bleek de raad niet in staat om het hof te adviseren welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige 1] is. De beslissing bij wie [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats dient te hebben, is van dermate ingrijpende aard dat het belang van [minderjarige 1] met zich brengt dat de gevolgen van zo’n beslissing zorgvuldig worden onderzocht en gewogen. De raad heeft op 2 april 2024 gerapporteerd dat beide moeders in staat zijn om [minderjarige 1] een veilige, stabiele en stimulerende opvoedsituatie te bieden en dat er geen zorgen over de basale zorg- en opvoedersvaardigheden bij de moeders. In beide opvoedsituaties heeft [minderjarige 1] een netwerk en voldoende mogelijkheden om te voldoen aan zijn ontwikkelingsbehoefte. Op dit moment is het hof niet overtuigd dat het aanvankelijke advies van de raad (hoofdverblijfplaats bij moeder [de moeder 1] ) het meest in het belang van [minderjarige 1] is, maar ook niet dat de beslissing van de rechtbank (hoofdverblijfplaats bij moeder [de moeder 2] ) dat wel is. Beide moeders zijn zeer stellig in hun betoog dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] vooral niet bij de andere moeder moet zijn. Zoals blijkt uit hun standpunten, hebben zij over en weer zorgen over de wijze waarop de andere moeder voor [minderjarige 1] zorgt en de onrustige omstandigheden die zich bij de andere moeder in het gezin voordoen. Ook is het niet duidelijk of, en in hoeverre de (familie)netwerken van beide moeders van invloed zijn op [minderjarige 1] en of dit impact heeft op de rustige opvoedomgeving waarin hij dient op te groeien. Het hof heeft hier geen zicht op. Het hof wil nader worden geïnformeerd om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen. Het hof ziet op grond van de huidige feiten en omstandigheden voldoende aanleiding voor het gelasten van een aanvullend raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] . Het hof zal de raad daarom verzoeken een aanvullend onderzoek te verrichten en de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden:
- Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige 1] , bezien in samenhang
met de vraag waar [minderjarige 1] naar school zal gaan, ofwel in (de buurt van) [plaats] ofwel in (de buurt van) [plaats] ?
Voor zover mogelijk verzoekt het hof de raad daarbij specifiek in te gaan op de gezinssituaties van partijen en hetgeen dat voor [minderjarige 1] betekent, de invloed van (familie-)netwerken, de gevolgen voor [minderjarige 1] van het al dan niet in gezinsverband opgroeien met zijn biologische broer [minderjarige 2] en de omstandigheid in hoeverre de raad het biologische moederschap van moeder [de moeder 1] al dan niet in het advies naar het hof heeft betrokken;
Zijn er tijdens het onderzoek nog feiten en omstandigheden met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige 1] naar voren gekomen die in de optiek van de raad van belang zijn voor de in deze door het hof te nemen beslissing inzake de verzoeken die voorliggen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de school.
3.5.6.
Het hof houdt de behandeling van de zaak voor een termijn van vier maanden aan in afwachting van de raadsrapportage. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na ontvangst van de raadsrapportage schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. Zo nodig zal het hof een tweede mondelinge behandeling bepalen.
De zorgregeling
3.5.7.
Los van de vraag bij wie [minderjarige 1] uiteindelijk zijn hoofdverblijfplaats zal gaan krijgen, neemt het hof nu alvast op meerdere onderdelen van de zorgregeling een definitieve beslissing. Nu geldt deze regeling voor moeder [de moeder 1] , maar mocht het hof de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] alsnog bij moeder [de moeder 1] bepalen, dan geldt deze regeling voor moeder [de moeder 2] . Het hof zal eerst de onderdelen uitschrijven waarover partijen overeenstemming hebben bereikt en daarna zal het hof puntsgewijs een beslissing nemen over de andere onderdelen. Het hof acht het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk dat deze regeling direct ingaat.
3.5.8.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling – die dus zal gelden voor de moeder bij wie [minderjarige 1] niet zijn hoofdverblijfplaats heeft – op de volgende onderdelen:
het reguliere omgangsweekend wordt gewijzigd naar eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, met het wisselpunt in [plaats] ;
schoolvakanties langer dan één week worden evenredig/gelijkwaardig in onderling overleg verdeeld tussen partijen met uitzondering van de Kerstvakantie;
o Kerstmis in de even jaren: [minderjarige 1] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 1] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 2] ;
- contact met [minderjarige 1] tijdens bijzondere dagen en overige feestdagen zullen partijen verdelen partijen in onderling overleg.
3.5.9.
Over de volgende onderdelen van de zorgregeling waar partijen het niet over eens zijn, zal het hof nu een beslissing nemen. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] dat er zo veel mogelijk duidelijkheid komt voor de toekomst.
Kerstmis in de oneven jaren: partijen zijn het erover eens dat [minderjarige 1] in de eerste week (inclusief eerste Kerstdag) bij moeder [de moeder 2] verblijft en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 1] , maar moeder [de moeder 1] wil hierin een onderbreking zodat [minderjarige 1] in deze jaren op tweede Kerstdag bij haar is. Het hof is het met moeder [de moeder 2] eens dat dat gelet op de reisafstand te onrustig is voor [minderjarige 1] omdat hij dan zo’n zes uur in de auto moet zitten op één dag. Het hof zal vastleggen dat [minderjarige 1] in de oneven jaren beide Kerstdagen bij moeder [de moeder 2] is, zoals dit ook omgekeerd in de even jaren is en waarover partijen het eens waren.
Zomervakanties: in de oneven jaren verblijft [minderjarige 1] de eerste helft (drie aangesloten weken) bij moeder [de moeder 1] en de tweede helft (drie aaneengesloten weken) bij moeder [de moeder 2] . In de even jaren verblijft [minderjarige 1] de eerste helft bij moeder [de moeder 2] en de tweede helft bij moeder [de moeder 1] . Het verzoek van moeder [de moeder 1] om flexibiliteit hierin – in die zin dat partijen per jaar afwisselend de eerste keuze hebben in welke weken van de zomervakantie [minderjarige 1] bij haar is – omdat partijen dat in onderling overleg kunnen regelen, volgt het hof niet. Daarvoor zijn er te veel spanningen tussen partijen en een te stroeve samenwerking.