Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-23
ECLI:NL:GHSHE:2025:159
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,698 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.341.190/01 en 200.341.222/01
zaaknummer rechtbank : C/01/387288 / FA RK 22-4968
beschikking van de meervoudige kamer van 23 januari 2025
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. Geuze te Best,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.C. Lang te Oirschot.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 16 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, en verbeterd bij beschikking van 17 juli 2024.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 13 mei 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 16 februari 2024.
2.2.
De man heeft op 10 juli 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 augustus 2024 met bijlagen, ingekomen op 30 augustus 2024;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 november 2024 met bijlagen, ingekomen op 20 november 2024;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 november 2024 met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de bestreden beschikking is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 april 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen;
- de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in rov. 4.3.6. tot en met 4.3.25.
4.2.
De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen op de in haar beroepschrift genoemde punten en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen van € 1.165,- per maand met ingang van 4 april 2024;
II. de wijze van verdeling te gelasten op de wijze zoals weergegeven in de door de vrouw overgelegde inboedellijst, dan wel partijen te gelasten de goederen in overleg bij helfte te verdelen;
III. de Citroën C3 tegen een waarde van € 250,- aan de vrouw toe te delen onder de verplichting aan de man de helft van deze waarde te voldoen;
IV. de motor, merk Honda, type CB 650 F ABS, tegen een waarde van € 6.200,- aan de man toe te delen, onder de verplichting aan de vrouw een bedrag van € 3.100,- te vergoeden;
V. aan de man het bedrag van € 2.348,- toe te delen, onder de verplichting aan hem aan de vrouw een bedrag van € 1.174,- te vergoeden, dan wel de man te veroordelen aan de vrouw € 1.174,- te vergoeden,
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
Kosten rechtens.
4.2.1.
De grieven van de vrouw zien op:
- de aanvullende behoefte van de vrouw (grief 1);
- de inboedel (grief 2);
- de Citroën C3 (grief 3);
- de motor (grief 4);
- de saldi van de bankrekeningen (grief 5).
Motivering
Alimentatie
Ingangsdatum
5.1.
De vrouw verzoekt een bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 4 april 2024. Tegen deze verzochte ingangsdatum is geen verweer gevoerd, zodat het hof hiervan zal uitgaan.
Huwelijksgerelateerde behoefte
5.2.
De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.456,- netto per maand in 2024 is in hoger beroep niet in geschil.
Aanvullende behoefte (grief 1)
5.3.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen, omdat zij haar aanvullende behoefte aan een bijdrage onvoldoende had onderbouwd. Tegen dit oordeel richt zich de eerste grief van de vrouw. Zij stelt zich op het standpunt dat zij wel een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De inkomsten van de vrouw bestaan uit haar salaris bij [bedrijf 2] en de beperkte inkomsten uit haar werkzaamheden als pedicure bij [bedrijf 1] . Omdat de inkomsten uit pedicurebehandelingen zo beperkt zijn, heeft de vrouw nooit een jaarrekening opgesteld (hetgeen overigens ook niet verplicht is). De vrouw geeft deze inkomsten op in haar aangifte inkomstenbelasting als ‘inkomsten uit overige werkzaamheden’.
In hoger beroep legt de vrouw haar aangifte inkomstenbelasting 2022 over. Hieruit blijkt dat de vrouw in 2022 een bedrag van € 6.688,- heeft gefactureerd, dus gemiddeld € 557,33 per maand. De vrouw had over 2022 € 1.980,- aan kosten, ofwel gemiddeld € 165,- per maand. Per saldo bedroegen de netto-inkomsten uit overige werkzaamheden in 2022 dus € 4.708,-, ofwel € 392,33 per maand. In 2023 was het inkomen uit de pedicurebehandelingen bij [bedrijf 1] € 168,- netto per maand en in 2024 schat de vrouw het op € 140,- netto per maand. De inkomsten uit deze werkzaamheden lopen terug, omdat het aantal zusters afneemt wegens overlijden door ouderdom.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat van haar niet verlangd kan worden dat zij haar dienstverband bij [bedrijf 2] uitbreidt omdat zij op dit moment ziek is en daardoor arbeidsongeschikt. De vrouw is in februari 2024 ziek geworden. Zij heeft een aantal maanden helemaal niet gewerkt. Sinds oktober 2024 werkt de vrouw weer een paar uren, maar het gaat nog niet goed. Sinds oktober wordt haar inkomen bij [bedrijf 2] ook gekort door inhouding ziekengeld van 10%. Het werk bij [bedrijf 1] doet de vrouw nog wel, omdat dit werk is dat zij met haar hart doet en omdat het voor haar voelt als een morele verplichting.
Gelet op het voorgaande heeft de vrouw minimaal een aanvullende behoefte van € 799,- netto per maand, zoals zij in eerste aanleg heeft aangevoerd.
5.3.1.
De man voert het volgende verweer.
Van de vrouw mag verlangd worden dat zij fulltime bij [bedrijf 2] gaat werken, zeker nu haar inkomsten uit pedicurewerkzaamheden teruglopen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd aangegeven dat in redelijkheid kan worden uitgegaan van een dienstverband van 36 uur per week. Dat de vrouw hiertoe vanwege arbeidsongeschiktheid niet in staat zou zijn, blijkt volgens de man nergens uit. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit de (aard en de mate van) arbeidsongeschiktheid blijkt.
5.3.2.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende heeft onderbouwd. Het enige stuk waaruit dit zou kunnen blijken is de door de vrouw overgelegde loonstrook van oktober 2024, waaruit valt op de maken dat haar salaris wordt gekort. Er is echter geen ziekmelding overgelegd, geen stukken van de bedrijfsarts, geen overzicht van het aantal uren waarvoor de vrouw ziek is gemeld – of inmiddels weer beter is gemeld – en geen stukken met betrekking tot haar reïntegratietraject. Daarbij komt dat de vrouw weliswaar stelt arbeidsongeschikt te zijn maar nog wel haar werkzaamheden als pedicure bij [bedrijf 1] uitvoert.
De vrouw heeft gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat is om haar dienstverband bij [bedrijf 2] uit te breiden tot 36 uur. Het hof zal daarom uitgaan van een verdiencapaciteit ter hoogte van het salaris bij [bedrijf 2] , uitgaande van een dienstverband van 36 uur per week. Het hof neemt daarbij als uitgangspunt het salaris zoals vermeld op de salarisspecificaties met ingang van juli 2024. Met ingang van juli 2024 is het salaris van de vrouw namelijk iets gestegen en gelet op de ingangsdatum heeft de vrouw maar drie maanden het lagere salaris genoten. Het hof zal daarom het salaris van € 1.973,85 bruto per maand bij een dienstverband van 29,75 uur, extrapoleren naar een dienstverband van 36 uur, hetgeen neerkomt op een salaris van (afgerond) € 2.389,- bruto per maand.
Het hof zal de bedragen voor pensioenpremie en premie WHK ook extrapoleren naar 36 uur, aldus (afgerond) respectievelijk € 62,- per maand en € 7,- per maand.
Omdat de man in de berekening waarnaar hij in zijn beroepschrift verwijst, uitgaande van een fulltime inkomen bij [bedrijf 2] , geen rekening houdt met inkomsten uit pedicurewerkzaamheden, zal het hof deze buiten beschouwing laten.
Voorgaande uitgangspunten leveren een netto besteedbaar inkomen op van € 2.272,- per maand, zodat de vrouw nog een aanvullende behoefte heeft van (€ 2.456,- -/- € 2.272,- =) € 184,- netto per maand, ofwel € 362,- bruto per maand (bijlage I).
Draagkracht van de man
5.4.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de man een draagkracht heeft van € 317,- bruto per maand.
Inkomensvergelijking
5.5.
De man stelt zich op het standpunt dat bij betaling van een bijdrage aan de vrouw van € 317,- per maand, de vrouw in een betere financiële positie komt dan hijzelf, hetgeen niet redelijk is. Er dient een inkomensvergelijking te worden gemaakt.
Een vergelijking van de inkomens van partijen wijst uit dat bij een betaling door de man aan de vrouw van een bijdrage van € 17,- bruto per maand, partijen een gelijk netto besteedbaar inkomen hebben (bijlage II). Het hof zal daarom een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage opleggen van € 17,- bruto per maand.
5.6.
Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 € 18,11 bruto per maand.
Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
Peildatum omvang huwelijksgoederengemeenschap
5.7.
In hoger beroep staat vast dat de peildatum voor het bepalen van de omvang van de gemeenschap van goederen de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek is, te weten 9 november 2022.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 16 februari 2024, zoals verbeterd bij beschikking van 17 juli 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover het betreft de partneralimentatie en ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor zover het de betalingsverplichting ter zake van de Citroën C3 en de toedeling van de motor betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:
met ingang van 4 april 2024 tot 1 januari 2025 een bedrag van € 17,- bruto per maand;
met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 18,11 bruto per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat:
- de vrouw ter zake van de toedeling van de Citroën C3 aan haar aan de man een bedrag van € 500,- moet vergoeden, en;
- de motor van het merk Honda aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw een bedrag van € 3.100,- te vergoeden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, A.J.F. Manders en E.P. de Beij, en is op 23 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
5.7.1.
Voor het bepalen van de peildatum voor de waarde van de bestanddelen van de
huwelijksgoederengemeenschap geldt de hoofdregel dat als peildatum voor die waarde dient te gelden de datum van de verdeling dan wel de datum gelegen zo dicht mogelijk tegen dat moment, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.
De inboedel (grief 2)
5.8.
De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de inboedel aldus gelast dat de goederen genoemd op de lijst van de vrouw aan haar worden toebedeeld en de goederen genoemd op de lijst van de man – behoudens de campingspullen, de tv, de stofzuiger en de sieraden (behalve de trouwring) – aan hem worden toegedeeld, zonder nadere verrekening.
5.8.1.
De vrouw voert aan dat de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling door haar niet uitgevoerd kan worden. Bepaalde inboedelgoederen komen op beide lijsten voor en op de lijst van de man staan zaken die er nooit zijn geweest en zaken die al in bezit zijn van de man. Dit betekent dat de vrouw niet in staat is gevolg te geven aan de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling.
5.8.2.
De man voert het volgende verweer.
In eerste aanleg heeft de vrouw gesteld dat een aantal goederen die op de lijst van de man voorkomen niet meer aanwezig zijn, te weten de campingspullen, de tv, de stofzuiger en de
sieraden. Deze goederen zijn door de rechtbank ook expliciet benoemd als uitzondering.
De vrouw licht in haar grief niet nader toe welke andere door de man gewenste inboedelgoederen niet meer aanwezig zijn en waarom daarvan in eerste aanleg geen melding is gemaakt. De man heeft tijdens de zitting in eerste aanleg zeer concreet gesteld welke inboedelgoederen hij toegedeeld wenst te krijgen, namelijk de goederen op de door hem overgelegde lijst. De vrouw is zeer wel in staat om gevolg te geven aan de uitvoering van de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling.
5.8.3.
Het hof oordeelt als volgt.
De vrouw heeft niet nader gespecificeerd voor welke onderdelen de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling onuitvoerbaar is, waardoor het hof dit ook niet kan vaststellen.
Om die reden faalt de tweede grief van de vrouw.
Citroën C3 (grief 3)
5.9.
De rechtbank heeft de Citroën C3 toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde op de peildatum van € 3.000,-, onder de verplichting aan de man een bedrag van € 1.500,- te voldoen.
5.9.1.
De vrouw voert in haar derde grief aan dat de Citroën C3 op 14 oktober 2022, dus kort vóór de peildatum, is aangekocht voor een bedrag van € 1.000,-. De vrouw betwist dat er toen een auto is ingeruild, waardoor de waarde van de Citroen op dat moment feitelijk hoger was dan de € 1.000,- die blijkens de door haar overgelegde factuur als prijs staat vermeld. De vrouw legt in hoger beroep een actuele waardebepaling van de Citroen over, opgesteld door het autobedrijf waar de auto is aangekocht, waaruit blijkt dat de waarde per 8 april 2024 € 250,- bedraagt. De Citroen kan aan de vrouw worden toegedeeld tegen deze waarde, onder de verplichting de helft van die waarde aan de man te vergoeden.
5.9.2.
De man voert het volgende verweer.
De man heeft een BOVAG koerslijst met betrekking tot de waarde van de Citroën C3 in november 2022 in het geding gebracht, waaruit een waarde blijkt van € 3.000,-. Dit is maatgevend voor de waardebepaling van de Citroën op het moment van verdeling. Voor de waardebepaling op het moment van verdeling is niet relevant wat partijen in het verleden voor de Citroën hebben betaald en of de waarde van een ingeruilde auto wel of niet in mindering is gebracht. De man benadrukt dat de vrouw onvoldoende heeft betwist dat er een andere auto is ingeruild.
5.9.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de vrouw altijd in de auto is blijven rijden, zodat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat voor het bepalen van de peildatum voor de waarde van de Citroën C3 aangesloten moet worden bij de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 9 november 2022. De door de vrouw overgelegde waardebepaling van Twin Cars op 8 april 2024 kan reeds om die reden niet dienen ter bepaling van de waarde waarvoor de Citroën in de verdeling moet worden betrokken.
De vrouw heeft met het overgelegde aankoopbewijs aangetoond dat de Citroën minder dan een maand vóór de peildatum is aangekocht voor een bedrag van € 1.000,-. Uit de door de man in het geding gebracht BOVAG koerslijst volgt weliswaar een hogere waarde maar deze waardebepaling heeft betrekking op de meest luxe uitvoering van dit model auto met een veel lagere kilometerstand (een kilometerstand van 100.000 op 6 maart 2023 in plaats van een kilometerstand van 232.361 op datum aankoop, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde factuur). Bovendien zijn delen van de BOVAG koerslijst onleesbaar gemaakt. Het hof gaat daarom voorbij aan de door de man overgelegde waardebepaling en gaat uit van de waarde die blijkt uit het aankoopbewijs, te weten € 1.000,-. De man heeft nog naar voren gebracht dat er indertijd een auto is ingeruild waardoor de aankoopprijs van de Citroën feitelijk hoger was. Het hof gaat hieraan voorbij. De man heeft dit verder niet nader toegelicht, terwijl de vrouw dit weerspreekt. Voor zover er al een auto is ingeruild, blijkt uit de factuur niet dat in verband hiermee een bedrag in mindering is gebracht op de te betalen aankoopprijs.
Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw ter zake van de aan haar toegedeelde Citroën C3 de helft van de waarde aan de man moet vergoeden, te weten een bedrag van € 500,-.
De derde grief van de vrouw slaagt dus deels.
Motor (grief 4)
5.10.
Tussen partijen is in geschil of een motor van het Merk Honda, type CB 650 F ABS tot de gemeenschap behoort.
De vrouw stelt dat de man ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding deze motor in zijn bezit had. Hij bood deze op eigen naam te koop aan voor een bedrag van € 6.200,-, zoals blijkt uit de in eerste aanleg door de vrouw overgelegde verkoopadvertentie. Uit art. 3:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat hij die een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. De man had de motor in zijn bezit en heeft die op eigen naam te koop aangeboden. Hij wordt dus vermoed deze motor voor zichzelf te houden en dus eigenaar daarvan te zijn. Behoudens sluitend tegenbewijs – hetgeen in casu ontbreekt – behoort de motor daarom tot de huwelijkse gemeenschap van partijen.
5.10.1.
De man voert aan dat hij met het overleggen van de verklaring van de heer [betrokkene] , directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 3] B.V., waarin deze verklaart dat de motor van hem is en niet van de man en van een tweetal kentekenbewijzen heeft aangetoond dat de door hem te koop aangeboden motor niet van hem, maar van [bedrijf 3] B.V. was.
Voor zover op hem enige bewijslast rust biedt de man nadrukkelijk aan te bewijzen dat de door hem te koop aangeboden Honda motor niet zijn eigendom was en dus geen deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De man biedt nadrukkelijk aan de heer [betrokkene] hierover als getuige te doen horen.
5.10.2.
Het hof oordeelt als volgt.
Krachtens het bepaalde in art. 150 Rv rust de stelplicht op de vrouw.
Motivering
Zij moet feiten stellen waaruit kan worden afgeleid dat de motor tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. Het hof stelt vast dat de vrouw aan die stelplicht heeft voldaan door een advertentie over te leggen waaruit blijkt dat de man op de peildatum een motor van het merk Honda, type CB 650 F ABS in zijn bezit had en te koop aanbood. De man betwist ook niet dat hij deze motor op de peildatum in zijn bezit had. Op grond van artikel 3:109 BW heeft als uitgangspunt te gelden dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit goed voor zichzelf te houden.
De man betwist dat de motor tot de gemeenschap behoorde omdat hij geen eigenaar was van de motor en hij deze voor een ander (de heer [betrokkene] ) hield en te koop aanbood. Ter onderbouwing van zijn betwisting legt hij een verklaring over van de heer [betrokkene] , waaruit volgt dat de motoren met kenteken 11-MG-JZ en 96-MH-ZS eigendom zijn geweest van zijn holding (te weten [bedrijf 3] B.V.) en inmiddels verkocht zijn en dat deze motoren nimmer eigendom zijn geweest van de man. De man heeft verder twee kentekenbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de in de verklaring van de heer [betrokkene] genoemde kentekens op de peildatum op naam stonden van [bedrijf 3] B.V.
Deze betwisting acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaring van de heer [betrokkene] volgt namelijk niet dat één van de door hem genoemde motoren de door de man te koop aangeboden motor betreft. Evenmin volgt uit de verklaring dat de man een motor voor [betrokkene] hield en te koop aanbood. Uit de door de man overgelegde kentekenbewijzen volgt dit evenmin. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat in de advertentie ook foto’s waren opgenomen waarop het kenteken te zien was, maar deze foto’s zijn door de man niet overgelegd en bevinden zich daarom niet in het dossier. Het had op de weg van de man gelegen om deze foto’s in het geding te brengen. Door dit na te laten kan het hof niet vaststellen dat de door de man te koop aangeboden motor één van de voornoemde kentekens heeft en derhalve op de peildatum eigendom was van de heer [betrokkene] / [bedrijf 3] B.V. Daar neemt het hof bij in aanmerking dat de man ook nalaat om uit te leggen waarom hij een motor voor een derde houdt en voor deze te koop aanbiedt. Ook in de verklaring van de heer [betrokkene] , vindt het hof geen aanknopingspunt voor deze, door de man aangevoerde, gang van zaken.
5.10.3
Aan het door de man aangeboden getuigenbewijs komt het hof niet toe. Uit het voorgaande volgt immers dat de bewijslast niet bij de man maar bij de vrouw ligt. Het is in deze aan de man om zijn betwisting voldoende te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Dit betekent dat de vierde grief van de vrouw slaagt. Hetgeen door de man in eerste aanleg op dit punt is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
5.10.4.
De waarde van de motor van € 6.200,- op de peildatum is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Het hof deelt de motor toe aan de man onder de verplichting de helft van deze waarde, te weten een bedrag van € 3.100,-, aan de vrouw te vergoeden.
Saldi bankrekeningen (grief 5)
5.11.
Tussen partijen is in geschil of een bedrag van in totaal € 2.348,-, dat door de man op 2 augustus 2022 is opgenomen, in de verdeling moet worden betrokken. De vrouw stelt zich op het standpunt dat dit bedrag op de peildatum nog ter beschikking van de man stond en dat de man de helft van dit bedrag aan haar moet vergoeden.
De man weerspreekt dat en voert aan dat het bedrag is verteerd en op de peildatum niet meer aanwezig was. Ieder van partijen is bevoegd tot het bestuur van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen. Partijen hoeven volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake van dat bestuur geen rekening en verantwoording af te leggen aan de andere echtgenoot. Nu de vrouw haar standpunt dat het op 2 augustus 2022 opgenomen bedrag van € 2.348,- niet is verteerd niet nader heeft onderbouwd, kan haar grief niet slagen, aldus de man.
5.11.1.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het bedrag op de peildatum niet op een van de bankrekeningen van partijen stond. De stelling van de vrouw dat op de peildatum het bedrag van € 2.348,- nog ter beschikking van de man stond, is door hem voldoende gemotiveerd betwist. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, betekent dit dat de grief van de vrouw faalt.
6De slotsom
in het hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
6.3.
Het hof heeft een berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw (bijlage I) en een inkomensvergelijking (bijlage II) gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.