Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:1580
Strafrecht
Hoger beroep
2,461 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002672-24
Uitspraak : 4 juni 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-173804-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 902,84, bestaande uit € 402,84 aan materiële schade en
€ 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De meergevorderde immateriële schade (een bedrag van € 150,00) is afgewezen. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de raadsvrouw – gelet op de bepleite vrijspraak – zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft zij zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van de immateriële schade verzocht dit te matigen tot een bedrag van € 350,00.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust en zal het vonnis dan ook bevestigen, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de toepasselijke wettelijke voorschriften. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof het vonnis op de hierna te vermelden wijze aanvullen.
Aanvulling van gronden
Bewijsmiddelen
De politierechter heeft op pagina vijf van het vonnis de gebezigde bewijsmiddelen opgesomd.
Het hof zal – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw – op gronden zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet. De verdachte ontkent stellig dat hij aangeefster [aangeefster] opzettelijk heeft mishandeld. Hij heeft van begin af aan te kennen gegeven dat er sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij hij per ongeluk met zijn hoofd tegen de aangeefster is gebotst. Er is geen sprake geweest van een bewuste, opzettelijke gedraging gericht op het toebrengen van pijn of letsel aan de aangeefster, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde vindt naar het oordeel van het hof zijn weerlegging in de bewijsmiddelen zodat het geen verdere bespreking behoeft.
Op te leggen sancties
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Daartoe is in het bijzonder naar voren gebracht dat een detentieperiode een zware inbreuk zal maken op de positieve ontwikkeling van de verdachte en eveneens desastreuze gevolgen zal hebben voor zijn gezin en onderneming. De raadsvrouw heeft het hof dan ook verzocht de verdachte te veroordelen tot een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Indien en voor zover het hof tot het oordeel mocht komen dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt, heeft de raadsvrouw bepleit dat de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden wordt gematigd en dat aan de verdachte een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van Eerens door haar een kopstoot te geven. Door aldus te handelen heeft de verdachte op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij haar pijn en letsel toegebracht.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook wegens mishandeling. Zo is de verdachte bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2021 onder meer wegens mishandeling onherroepelijk veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en is deze taakstraf volgens voornoemd uittreksel voldaan.
Gelet hierop stelt het hof vast dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof kan derhalve niet volstaan met het louter opleggen van een taakstraf. Voorts stelt het hof vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 10 juni 2024. Uit dit advies blijkt dat de verdachte na zijn laatste strafbeschikking heeft geleerd om andere keuzes in zijn leven te maken. Hij streeft naar een leven zonder contact met criminaliteit en heeft hiertoe belangrijke stappen in zijn leven gezet.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 59 (negenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. A.M.D.J. Aerts, griffiers,
en op 4 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.J.A.E. Rijssenbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.