Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:1579
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,237 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 21 mei 2025
Zaaknummer : 200.353.079/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/410598 / JE RK 24-1679
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.W.M. van Asseldonk,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
hierna samen te noemen: de kinderen.
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder.
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gedurende dag en nacht in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 2 januari 2025 tot 2 januari 2026.
2.2.
De vader kan zich met deze beslissing voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wordt afgewezen.
2.3.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 9 mei 2025, heeft de raad verzocht het verzoek van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Van Asseldonk;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (via digitale verbinding).
2.5.
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben samen, voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.6.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 januari 2025.
Feiten
3.1.
Voor het huwelijk van de vader en de moeder is [minderjarige 1] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] erkend en op 31 mei 2011 is op verzoek van de ouders een aantekening in het gezagsregister geplaatst dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uitoefenen.
3.2.
Tijdens het huwelijk van de ouders is [minderjarige 2] geboren. De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
3.3.
De ouders zijn in juli 2024 uit elkaar gegaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van [instantie 1] . Bij beschikking van de rechtbank van 5 december 2019 is [instantie 1] vervangen door [instantie 2] . De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, laatstelijk tot 14 december 2022.
Beoordeling
4.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend. Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium en is niet nodig. De vader erkent de door de raad genoemde zorgen en komt niet in beroep tegen de ondertoezichtstelling. Hij staat open voor hulpverlening en wil leren en groeien in zijn rol als opvoeder en verzorger, maar dit kost tijd. De vader is opgevoed in een gezin waar hij niet heeft geleerd het huishouden bij te houden en tijdens de relatie van de ouders nam de moeder het grootste deel van de zorgtaken voor haar rekening. De vader heeft behoefte aan consistente hulpverlening bij het huishouden en iemand die hem wijst op de door hem op te pakken taken die nodig zijn voor een goede hygiëne en woonomgeving. Dergelijke hulpverlening kan op ambulante basis toereikend zijn. Hij wil zijn verantwoordelijkheid nemen en aan doelen werken die zien op het houden aan de gemaakte afspraken, meewerken aan hulpverlening en verantwoordelijkheid nemen voor de situatie waar hij in zit. De vader is ervan overtuigd dat hij tijdens een uithuisplaatsing juist minder kan laten zien dat hij met zijn doelen aan de slag is en vooruitgang boekt.
Een uithuisplaatsing is bovendien niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het raadsrapport komt naar voren dat er zorgen zijn over de psychische gesteldheid van [minderjarige 2] . De vader is bang dat juist met een uithuisplaatsing zijn psychische gesteldheid achteruit gaat door de onzekerheid van een uithuisplaatsing. Ook voor [minderjarige 1] zal een uithuisplaatsing te veel onzekerheid meebrengen in de vorm van nieuwe regels en leefomgeving. De vader is bang dat [minderjarige 1] juist meer in zijn schulp zal kruipen. Het is in het belang van de kinderen dat zij in een veilige en stabiele opvoedingssituatie kunnen verblijven en dat zij kunnen terugvallen op een stabiele opvoeder zoals de vader. Het zou bovendien niet goed voor de kinderen zijn als zij overgeplaatst worden.
4.2.
De raad voert – samengevat – het volgende aan. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd omdat zij opgroeien in een ontoereikende en onveilige thuis- en opvoedsituatie. Er is sprake van jarenlange verwaarlozing waarbij hulpverleningsadviezen, ondanks de goede wil van de ouders vanwege hun verstandelijke beperking en persoonlijke problematiek, onvoldoende beklijven. De situatie is verslechterd sinds de ouders uit elkaar zijn gegaan en ieder voor zich ook geen goede situatie voor de kinderen kan bieden. Op 7 februari 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij [instantie 3] in [plaats] gaan wonen. De kinderen leren om te gaan met regels en afspraken en rekening te houden met anderen. De persoonlijke hygiëne van de kinderen is verbeterd en ze eten nu regelmatig en gezond. Sinds de kinderen niet meer thuis wonen is er een omgangsregeling en gaan ze een keer per twee weken een weekend logeren bij de vader. De vader zegt dat hij het lastig vindt dat de kinderen niet meer bij hem wonen maar geeft ook aan meer rust te hebben nu de kinderen uit huis zijn en hij kan werken aan zijn eigen problemen. Omdat de situatie bij de moeder thuis door persoonlijke problematiek van haar partner niet veilig en onvoorspelbaar is, bezoekt de moeder de kinderen in het huis van de vader of gaat met hen activiteiten ondernemen zoals boodschappen doen of naar een park. De moeder zegt het niet eens te zijn met de uithuisplaatsing en is boos omdat ze vindt dat de kinderen van haar afgepakt worden. Zij bagatelliseert en ontkent de zorgen over haar thuissituatie. De vader heeft inmiddels wekelijkse ondersteuning van [instantie 4] en hij staat open voor deze hulp. De moeder zegt geen hulp nodig te hebben. De ouders hebben onderling een goed contact en staan open voor gesprekken met de jeugdbeschermers. Met de jeugdbeschermer concludeert de raad dat een uithuisplaatsing voor de kinderen noodzakelijk blijft om een positieve lijn vast te houden en beide kinderen te laten profiteren van een gezonde opvoedsituatie. De kinderen moeten de basale zorg krijgen en er moet gewerkt worden aan diverse ontwikkelingsdoelen waar de kinderen thuis niet aan toekomen. De liefde die de ouders hebben voor de kinderen is duidelijk, maar voor deze kinderen is dat niet genoeg. Er is in het verleden al veel hulpverlening in het gezin geweest maar het lukt niet om de kinderen thuis te bieden wat zij nodig hebben. De vader kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de zorgen ook kunnen worden weggenomen zonder een uithuisplaatsing. Ook met langdurige hulpverlening lukt het de ouders niet om de kinderen de basale zorg te bieden. De stabiliteit en veiligheid in de opvoedplek van de kinderen is op dit moment het allerbelangrijkste en weegt zwaarder dan de onzekerheid die een uithuisplaatsing voor de kinderen met zich meebrengt. De uithuisplaatsing biedt de ouders rust waardoor zij kunnen werken aan hun persoonlijke problematiek en het bieden van een veilig en stabiele thuissituatie voor de kinderen, zodat zij in staat zullen zijn de opvoedverantwoordelijkheid over hun kinderen weer zelfstandig te dragen.
4.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder kan zich vinden in het standpunt van de vader. Een uithuisplaatsing van de kinderen is niet nodig. De verhouding tussen de ouders is goed, zij wonen dicht bij elkaar en de moeder ondersteunt de vader waar mogelijk. De moeder wil graag dat de kinderen ook bij haar thuis mogen komen. De zorgen over de partner van de moeder zijn niet nodig. De partner van moeder is jarenlang de oppas van de kinderen geweest. Zij heeft een hersenbloeding gehad. Ze loopt naar boven wanneer ze boos wordt.
4.4.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds 7 februari 2025 op een tijdelijke plek bij [instantie 3] in [plaats] . De kinderen zijn goed ontvangen en de ouders hebben goed meegewerkt aan de uithuisplaatsing. De GI heeft goed contact met de vader. Hij is eerlijk en open. Het contact met de moeder is moeizaam omdat zij het gevoel heeft dat de jeugdbeschermer haar kinderen afpakt. De moeder wil sinds maart niet meer met de jeugdbeschermer in gesprek. De kinderen geven aan het goed naar hun zin te hebben. [minderjarige 2] vindt het moeilijk om aan te geven dat hij het fijn vindt, omdat hij de vader niet wil afvallen. Dat is logisch. De kinderen vinden het ook fijn om bij de vader te zijn. Vanuit de scholen van de kinderen wordt aangegeven dat ze sinds de uithuisplaatsing altijd eten bij hebben en beter ruiken. Er waren voorheen zorgen over de hygiëne van de kinderen.. De jeugdbeschermer heeft met de kinderen besproken wat zij nodig hebben om het verblijf fijner te vinden, zoals het mogelijk maken om naar het crossbaantje te gaan of naar hun halfzus [halfzus] . De jeugdbeschermer heeft dat in gang gezet. De kinderen zijn aangemeld voor een gezinshuis van [instantie 5] , maar daarvoor is een wachtlijst. De GI zet nu vooral in op rust en regelmaat en dat lukt goed. De vader krijgt één keer per week hulp van [instantie 4] . De vader heeft een klik met de begeleider. De vader krijgt hulp met het opruimen van het huis en bijvoorbeeld het verschonen van de bedden voordat de kinderen komen. De vader vindt het lastig om het allemaal op orde te houden in combinatie met zijn werk, maar hij zet stappen.
4.5.
Het hof overweegt als volgt.
4.5.1.
Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 2 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 21 mei 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.M.D.M. van der Linden en K.A. Boshouwers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier, waarna de beschikking op 4 juni 2025 op schrift is gesteld en is ondertekend door mr. E.M.C Dumoulin.