Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1577
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,314 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.346.898/01
zaaknummer rechtbank : C/01/399927 / FA RK 23-5332
beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2025
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.T.P. Tielemans te Eindhoven,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Haverkort te Bilthoven.
Deze procedure gaat over gezag en kinderalimentatie met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is, voor zover het de beslissing over het gezag betreft, in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie [locatie 1] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
De man komt in hoger beroep van de beslissing van de rechtbank, waarin zijn verzoek om mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast is afgewezen. Ook is hij het niet eens met het bedrag aan kinderalimentatie dat in die beschikking is vastgesteld.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
1.1.
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 8 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 juli 2024.
2.2.
De vrouw heeft op 22 november 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 juni 2024;
- het V6-formulier met bijlagen (bijgewerkte productielijst en producties 16 tot en met 20) van de advocaat van de vrouw d.d. 19 maart 2025, ingekomen op 19 maart 2025;
- het V6-formulier met bijlagen (begeleidend schrijven van 21 maart 2025 en producties 4 tot en met 6) d.d. 19 maart 2025, ingekomen op 21 maart 2025;
- het V8-formulier van de advocaat van de man d.d. 31 maart 2025;
- het e-mailbericht van de advocaat van de vrouw d.d. 31 maart 2025.
2.4.
[minderjarige] heeft bij brief van 3 maart 2025 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 1 april 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man is daarnaast bijgestaan door L. IJssel de Schepper-Su, tolk. Ook is [vertegenwoordiger van de raad] verschenen, namens de raad.
2.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het overleggen van voornoemd begeleidend schrijven van 21 maart 2025, voor zover daarin een reactie van de man op het verweerschrift van de vrouw is opgenomen.
Het hof heeft de mondelinge behandeling enige tijd geschorst voor beraad en na hervatting beslist dat genoemd stuk vanaf de zin op pagina 2 “onderstaand treft u de reactie van de man aan op het verweerschrift van de vrouw” tot en met pagina 11, buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de twee-conclusie-leer. Het hof heeft van genoemd stuk in zoverre derhalve geen kennis genomen.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben tot januari 2023 een relatie met elkaar gehad.
3.3.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 (hierna: [minderjarige] ).
3.4.
De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.5.
Tussen de man en [minderjarige] is een omgangsregeling waarbij zij elkaar eens in de twee weken gedurende een paar uur bijvoorbeeld bij [locatie 2] zien.
Sinds oktober 2024 hebben zij echter geen enkel contact meer met elkaar.
3.6.
De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking isde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 februari 2023 bepaald op € 692,- per maand.
Het verzoek van de vader om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, is afgewezen.
4.2.
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft het in het dictum van die beschikking bepaalde ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage, alsmede het bepaalde ter zake het ouderlijk gezag en te bepalen dat:
- ten behoeve van de onderhoudsbijdrage; de man een onderhoudsbijdrage dient te voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ter hoogte van € 291,00 per maand, met ingang van 20 december 2023, dan wel een bijdrage en ingangsdatum in goede justitie te bepalen;
- ten behoeve van het ouderlijk gezag: partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten over [minderjarige] ;
- kosten rechtens.
De grieven van de man zien op het gezag, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw, alsmede de ingangsdatum van de kinderalimentatie.
4.3.
De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking ongewijzigd in stand te laten.
Motivering
Gezag
5.1.
De man voert ter zake het gezag, samengevat, het volgende aan.
In eerste aanleg is de man, wellicht vanwege de taalbarrière, verkeerd overgekomen. Hij ontkent niet dat er een turbulente periode is geweest, maar stelt dat dit tussen de man en de vrouw speelde in de context van de scheiding, en dat het bovendien niet allemaal de schuld van de man is geweest. De vrouw heeft in de gehele echtscheidingsprocedure zich niet constructief opgesteld en de man proberen te benadelen.
De man wil zich richten op de toekomst en een vaderrol spelen in het leven van [minderjarige] , zoals hij ook tijdens de relatie met de vrouw heeft gedaan. Hij zal geen gezagsbeslissingen tegenhouden of weigeren te nemen. De man is echter afhankelijk van de vrouw en zij weigert met de man over [minderjarige] te communiceren. De slechte communicatie tussen partijen mag onder die omstandigheden geen reden zijn om de man het ouderlijk gezag te ontzeggen.
De man betreurt dat [minderjarige] geen contact met hem wenst. Zij wordt beïnvloed door de vrouw, die erg bemoeizuchtig is en alleen het negatieve over de man belicht. Zelfs goede bedoelingen van de man worden verdraaid. Zo kwam de man [minderjarige] op haar werk bezoeken om haar te verrassen, maar ook dat wordt negatief uitgelegd. De man wilde met [minderjarige] op vakantie, maar dat heeft zij onder invloed van de moeder op het laatste moment afgezegd.
De man heeft wel iets met het advies van de raad gedaan om naar zijn eigen gedrag en houding ten opzichte van [minderjarige] te kijken, door te proberen zich anders op te stellen. De man heeft echter niet het gevoel dat hij iets kan veranderen; hij heeft zijn best gedaan. Hij heeft geen therapie gevolgd of iets dergelijks.
5.2.
De vrouw voert ter zake het gezag, samengevat, het volgende aan.
De vrouw betwist dat sprake is van een taalbarrière: de vrouw heeft zestien jaar met de man samengewoond en -gewerkt en zij weet dat hij de Nederlandse taal beheerst.
De man neemt op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor zijn onacceptabele gedrag. De vrouw doelt op het stalken, het bedreigen, het schelden en zijn dronkenschap. In eerste aanleg heeft de vrouw uitgebreid uitgelegd en onderbouwd met stukken, wat er allemaal is voorgevallen. De vrouw wijst op alle keren dat de man de woning, serre en/tuin van de vrouw en [minderjarige] is binnen gedrongen, de noodzakelijke politie interventies, het ingooien van de ramen van de woning en de vele andere incidenten die hebben plaatsgevonden. Deze heftige gebeurtenissen in de periode van februari 2023 tot medio november 2023 in en rondom de echtelijke woning, waarbij [minderjarige] ook steeds aanwezig was, stopten pas nadat de politie een interventiegesprek met de man heeft gehad op 27 november 2023. Tijdens de zitting in eerste aanleg werd naar deze incidenten gevraagd waarop de man aangaf dat er eigenlijk niets aan de hand is.
Sinds de bestreden beschikking is hier geen verbetering in gekomen. Er hebben zich tussen de man en [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling wederom verschillende vervelende zaken voorgedaan, die [minderjarige] veel verdriet hebben gedaan. Zo heeft hij [minderjarige] meerdere malen vergeefs bij [locatie 2] op de man laten wachten, heeft hij nagelaten de vrouw én [minderjarige] volledig en juist te informeren over een voorgenomen vakantie met [minderjarige] , waardoor de vrouw deze niet door kon laten gaan, en heeft hij zelfs wekenlang niets van zich laten horen, om zeer plotseling weer contact met [minderjarige] op te nemen. De man laat in het contact met [minderjarige] telkenmale zien de grenzen van [minderjarige] niet te respecteren, geen betrouwbare ouder te kunnen zijn en niet te kunnen aansluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] . Zo heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven de man niet te willen zien; vervolgens verschijnt de man onaangekondigd op het werk van [minderjarige] . Dit alles terwijl [minderjarige] zich al angstig en onveilig voelde vanwege de gebeurtenissen in het verleden. De man laat geen enkel besef zien van de gevolgen van zijn handelen. De vrouw is niet bemoeizuchtig; [minderjarige] vraagt zelf om advies van de moeder, omdat zij zich geen raad weet met de situatie.
De communicatie tussen de ouders is nog steeds verre van constructief. Dat kan pas verbeteren als de houding van de man verandert.
5.3.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende geadviseerd.
De minimale basis die nodig is voor gezamenlijk gezag, is er niet. De raad heeft in de procedure in eerste aanleg de verwachting uitgesproken dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders als zij samen met het gezag worden belast. Er is nogal wat gebeurd tussen de ouders. Hoewel het in deze procedure over het gezag gaat, en niet over omgang, is het ook zorgelijk dat er geen contact is tussen [minderjarige] en de man.
Tijdens de vorige zitting heeft de raad aangegeven dat er bij de man wat diende te veranderen. De man laat tijdens de mondelinge behandeling niet zien dat hij iets met dat advies heeft gedaan. [minderjarige] houdt van de man, maar zij heeft moeite met de manier waarop hij zich gedraagt. De raad adviseert de vader daarin hulp te gaan zoeken, zodat hij met een hulpverlener situaties kan bespreken en vragen wat hij daarin anders had kunnen doen zodat hij inzicht kan krijgen in hoe [minderjarige] die situaties heeft ervaren. [minderjarige] kan hulp krijgen bij het verwoorden van wat zij nodig heeft en wat zij anders zou willen in relatie tot de vader. Hulpverlening is wenselijk en daar zijn ook mogelijkheden voor, maar het hangt af van de bereidwilligheid van beide ouders.
Tussen de ouders ontbreekt een goede communicatie. [minderjarige] moet daar niet de verantwoordelijkheid voor dragen.
5.4.
Het hof oordeelt ter zake het gezag als volgt.
5.4.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.4.2.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders als de ouders met het gezamenlijk gezag worden belast.
5.4.3.
Het hof wijst op de vele, door de vrouw gedetailleerd beschreven grensoverschrij-dende gedragingen van de man in de afgelopen jaren, tijdens en na de relatie tussen partijen, waar [minderjarige] ook geregeld bij betrokken of getuige van is geweest, zoals het stalken en bedreigen van de vrouw en [minderjarige] en het vele malen binnendringen (of betreden van de tuin of serre) van de woning van de vrouw en [minderjarige] , waarbij de politie meerdere keren is ingeschakeld om de man te laten vertrekken en waarvan de vrouw ook meerdere aangiftes heeft gedaan. Ook is de man meerdere malen onder invloed en/of ondanks rijontzeggingen met [minderjarige] in de auto gestapt. Daarbij heeft de man ook (eenzijdige) ongelukken veroorzaakt, waarbij [minderjarige] aanwezig was.
De man heeft niet (uitdrukkelijk) ontkend dat al deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; hij stelt alleen dat dit alles in de context van de relatiebreuk moet worden gezien.
Conclusie
5.24.
Niet in geschil is dat de man gerechtigd is tot een zorgkorting van 5 %, een bedrag van € 44,00. De man dient derhalve aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 642,- (aandeel man ad € 686,- minus zorgkorting € 44,-) in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft, vernietigen en opnieuw rechtdoende, bepalen dat de man per 1 februari 2023 een bedrag van € 642,- per maand verschuldigd is aan de vrouw terzake de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Terugbetaling
5.25.
Het hof zal met terugwerkende kracht een lagere alimentatieverplichting vaststellen dan de rechtbank. Gelet op de verklaringen ter mondelinge behandeling dat de man nog een forse achterstand heeft in betaling van de kinderalimentatie concludeert het hof dat geen terugbetalingsverplichting zal ontstaan.
Proceskosten
5.26.
Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage het uit die relatie geboren kind betreft.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2024 ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om gezamenlijk gezag over [minderjarige] ;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2024 ten aanzien van de beslissing over de kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende;
bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2023 aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009, een bedrag van € 642,00 per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.P. de Beij en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door de griffier, en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Daarmee bagatelliseert hij de impact van zijn handelen en van de gebeurtenissen op (het gevoel van veiligheid van) [minderjarige] en de vrouw en laat hij zien dat hij niet in staat is op zichzelf te reflecteren.
5.4.4.
De communicatie tussen de man en de vrouw verloopt problematisch. De gang van zaken rondom de geplande reis per cruiseschip, acht het hof in dat opzicht exemplarisch. [minderjarige] moest herhaaldelijk aandringen om informatie over de reis van de vader te krijgen. Tot enkele dagen vóór de vertrekdatum, 3 augustus 2024, is voor [minderjarige] en de moeder nog veel niet duidelijk, bijvoorbeeld over het reisgezelschap en de vertrektijden. Uiteindelijk heeft de vrouw haar toestemming voor de reis ingetrokken, toen bleek dat het reisgezelschap, in tegenstelling tot hetgeen de man eerder had verklaard, alleen uit mannen zou bestaan, waar [minderjarige] zich niet fijn bij voelde. Door te suggereren dat [minderjarige] niet meer wil gaan om de vrouw blij te maken, gaat de man eraan voorbij dat hij, als verantwoordelijke ouder, de vrouw (en [minderjarige] ) tijdig en volledig had dienen te informeren over de reis.
5.4.5.
De man komt ook regelmatig de omgangsregeling met [minderjarige] niet na, waarbij hij haar vergeefs laat wachten bij de [locatie 2] . Ook heeft hij van begin augustus 2024 tot begin oktober 2024 niets van zich laten horen. Vervolgens verschijnt hij op 5 oktober 2024 onaangekondigd op het werk van [minderjarige] , nadat [minderjarige] uitdrukkelijk heeft aangegeven hem niet te willen zien. De man laat met zijn handelwijze zien de grenzen van [minderjarige] niet te respecteren en zich niet in de belevingswereld van [minderjarige] te kunnen verplaatsen.
Dat de man nu geen enkel contact met [minderjarige] heeft, wijt hij aan de ‘bemoeizucht’ van de vrouw. Ook daarmee laat hij zien geen inzicht te hebben in zijn aandeel in de ontstane situatie en schuift hij alles op de moeder af.
5.4.6.
Nu bij de man ieder probleembesef lijkt te ontbreken, verwacht het hof niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen in de moeizame communicatie tussen partijen, zodanig dat zij op een constructieve manier gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen.
5.4.7.
Het hof is verder van oordeel dat afwijzing van het verzoek van de man om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast, ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. [minderjarige] heeft aangegeven het niet prettig te vinden als haar vader mede met het gezag wordt belast. Het is alleszins invoelbaar dat [minderjarige] , die veelvuldig betrokken is geweest bij het grensoverschrijdende gedrag van de man, in verband daarmee veel onveiligheid heeft ervaren. Daarnaast is het invoelbaar dat [minderjarige] veel meekrijgt van de spanning en stress bij de vrouw als gevolg van de gedragingen van de man.
5.4.8.
Gebrek aan opvoedingsvaardigheden kan samenhangen met persoonlijke problematiek. Daar dient bij de man eerst zicht op te komen. De man dient hulp te aanvaarden en aan zichzelf te werken.
Zolang de man niet aantoonbaar aan zichzelf heeft gewerkt kan van de vrouw niet verwacht worden dat zij het gezag over [minderjarige] samen met de man gaat uitoefenen en is het belang van [minderjarige] en de vrouw bij het ervaren van rust, ruimte en veiligheid groter dan het belang van de man om, conform het wettelijk uitgangspunt, met het gezag over zijn kind te worden belast.
5.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing over het gezag betreft, bekrachtigen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum/terugwerkende kracht
5.6.
De man kan zich niet verenigen met de door rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie. Op het moment van indienen van het inleidend verzoekschrift was pas duidelijk wat werd verzocht. De man is geconfronteerd met een enorme achterstand. De man kan dit niet betalen. Het dient de vrouw ook te worden verweten dat zij een bijna een jaar heeft gewacht met het indienen van het verzoek.
5.7.
De vrouw stelt dat voor de man vanaf januari 2023 al duidelijk moet zijn geweest dat de vrouw een bijdrage in de kosten van [minderjarige] van de man wilde ontvangen. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt duidelijk dat partijen daarover al meteen na het uiteengaan in gesprek waren. Niet alleen de vrouw is verantwoordelijk voor de kosten van [minderjarige] . Het komt voor rekening en risico van de man dat hij al die tijd niets heeft bijgedragen en ook niets heeft gereserveerd. Ook in dat opzicht neemt hij geen verantwoordelijkheid als vader.
5.8.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsver-plichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.8.1.
Het hof hanteert, evenals de rechtbank, 1 februari 2023 als ingangsdatum. De correspondentie tussen partijen, die als productie 10 bij in het inleidend verzoekschrift is overgelegd, laat zien dat partijen al in januari 2023 concrete onderhandelingen voerden over het door de man te betalen bedrag (ineens) aan kinderalimentatie. In voorlopige berekeningen heeft de man zelf een bedrag van € 40.000 à € 45.000,- aan te betalen kinderalimentatie opgevoerd. In het concept convenant dat in samenspraak met de man in februari 2023 is opgesteld, betreffende de gehele financiële afwikkeling van de scheiding van partijen, werd uitgegaan van een bedrag van € 750,- per maand aan kinderalimentatie. Een en ander laat naar het hof zien dat de man wel degelijk met een substantieel bedrag aan te betalen kinderalimentatie rekening heeft kunnen houden. Het hof concludeert dat de man voldoende heeft kunnen anticiperen op het uiteindelijk door de vrouw verzochte (lagere) bedrag.
Behoefte [minderjarige]
5.9.
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 880,- per maand in 2024 is niet in geschil en staat daarmee vast.
Draagkracht
5.10.
Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man in de kosten van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.11.
Partijen hadden vóór het uiteengaan samen een vof, geheten [vof] . Dit was een bedrijf waarin de vrouw acupunctuurbehandelingen gaf en de man het kruidendeel voor zijn rekening nam.
Deze vof is op 1 januari 2023 ontbonden. De vrouw heeft nu een eigen Acupunctuurpraktijk ( [Acupunctuurpraktijk] ) en de man voert zijn werkzaamheden uit in het pand waar partijen voorheen samen werkten ( [pand] ).
Draagkracht man
5.12.
Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
5.13.
De rechtbank heeft de draagkracht van de man vastgesteld op € 2.205,- per maand.
De rechtbank is uitgegaan van de door de vrouw geschatte winst uit onderneming in 2023 van € 75.000.
Motivering
De vrouw heeft ter onderbouwing een overzicht overgelegd, gebaseerd op mutaties op de bankrekening die de man gebruikt voor zijn onderneming. Volgens dit overzicht heeft de man in 2023 in de periode januari tot en met oktober een gemiddelde winst behaald van ongeveer € 6.200,- per maand, aldus de vrouw in eerste aanleg.
5.14.
De man stelt in hoger beroep dat de jaarrekening 2023 inmiddels is afgerond en de aangifte IB eveneens. Hieruit volgt een fors lagere winst, zoals de man al had betoogd in eerste aanleg, namelijk € 34.496,00. Hij stelt dat deze cijfers kloppen, aangezien de stukken door zijn accountant zijn opgesteld.
Het staatje dat de vrouw in hoger beroep heeft overgelegd op basis van de mutaties op de bankrekening in heel 2023, waaruit een winst uit onderneming van € 96.000,- blijkt, klopt niet. Hierbij is namelijk geen rekening gehouden met bijvoorbeeld bedrijfskosten. De kosten van de man voor de inkoop van de kruiden die hij verkoopt, zijn enorm gestegen. De verkoopprijzen zijn niet gestegen en daarom is de winstmarge gedaald.
De mensen die sporadisch werkzaam zijn in het pand van de man betalen daarvoor geen huur aan de man. Waar hij voor zijn eigen bedrijf personeel heeft ingeschakeld, is dat in de jaarstukken verantwoord als inkoop van arbeid. Hij betwist dat hij zwart werkt, zoals de vrouw stelt.
Ten aanzien van de opmerking van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat onduidelijk is waarvan de man leeft als hij in 2024 slechts € 4.800,- aan privé onttrekkingen heeft gedaan, verklaart de man dat 2024 een zwaar jaar was, waarin familie en vrienden hem financieel hebben geholpen.
5.15.
De vrouw wijst in het kader van haar verweer op de verschillende inconsistenties in de jaarrekening; met name ten aanzien van de (inkoop) van de kruiden en de verhouding verkoop kruiden (20%) versus acupunctuurwerkzaamheden (80%). De man is geen acupuncturist. De man factureert echter kruiden als acupunctuur zodat daarover geen btw afgedragen hoeft te worden. Daarnaast is het zo dat cliënten de behandeling alleen vergoed krijgen als het een acupunctuurbehandeling is. Een behandeling met kruiden wordt niet door zorgverzekeraars vergoed. Er wordt volgens de vrouw ‘gesjoemeld’ met de cijfers om de winst (op papier) te drukken. De winst is in werkelijkheid € 30.000,- tot € 40.000,- hoger. De vrouw komt daarmee weer uit op haar eerdere schatting van € 75.000,-.
De inkomsten van de man komen nog steeds binnen op de gezamenlijke rekening van partijen en gezien de mutaties op de bankrekening in heel 2023, heeft de man in 2023 uiteindelijk zelfs een winst uit onderneming van € 96.000,- gegenereerd. Uit de jaarstukken en de BTW-aangifte zou volgen dat de man nauwelijks winst maakt op de verkoop van kruiden, hetgeen ongeloofwaardig is nu de winstmarges op de verkoop van kruiden hoog zijn. De vrouw ziet aan de mutaties op de gezamenlijke rekening namelijk dat de prijzen van de kruiden niet gestegen zijn.
De vrouw maakt uit de jaarcijfers van 2024 op dat de man slechts € 4.800,- aan privé opnames heeft gedaan. De overige privé-onttrekkingen zien op de auto en ziektekostenverzekering. Dit doet bij de vrouw de vraag rijzen waar de man dat jaar van heeft geleefd, temeer nu de man ook stelt € 500,- per maand aan zijn nieuwe partner te betalen ter zake een woonlastenvergoeding.
De vrouw wijst er ook op dat in het bedrijfspand meerdere behandelkamers aanwezig zijn en er meerdere mensen (acupuncturisten) in het bedrijfspand van de man werken, waarbij hij een vergoeding zal ontvangen voor de verhuur van de ruimte dan wel – in het licht van zijn onderhoudsverplichting – geacht wordt een dergelijke vergoeding te vragen. Deze mensen staan ook vermeld op de website van de man en de man maakt gebruikt van AGB-codes van acupuncturisten om behandelingen vergoed te krijgen bij de verzekeraar, hetgeen de vrouw in haar vermoeden sterkt dat zij voor de man werken en dus inkomsten genereren. De man werkt echter veel zwart, aldus de vrouw.
5.16.
Het hof is van oordeel dat de gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man door de vrouw twijfel zaait over de juistheid van de inhoud van de door de man overgelegde jaarstukken. De vrouw stelt concrete en onderbouwde vragen bij de jaarstukken die door de man niet, althans niet gemotiveerd beantwoord worden. Het verweer van de man dat de kostprijs van kruiden fors is gestegen waardoor de winstmarges klein zijn, onderbouwt hij op geen enkele wijze.
Ook weerspreekt de man onvoldoende de stelling van de vrouw dat de man huurinkomsten heeft van acupuncturisten die gebruik maken van het bedrijfspand van de man, althans dat de man redelijkerwijs daarvan inkomsten kan verkrijgen en dat dit ook van hem gevergd kan worden nu op hem een onderhoudsverplichting rust.
Het hof is van oordeel dat de man vaag is in zijn verweer en (gezien al het voorgaande) onvoldoende duidelijkheid geeft over de wijze waarop hij inkomen genereert.
Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de man niet heeft voldaan aan de uit artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) voortvloeiende verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Gezien het voorgaande volgt het hof, evenals de rechtbank, de vrouw in haar stelling dat de door haar gebruikte cijfers een representatieve basis zijn voor het inkomen dat de man ook in 2024 uit zijn onderneming heeft gegenereerd danwel kan genereren.
De grief van de man ten aanzien van zijn inkomen faalt en daarom zal ook het hof een bedrag van € 75.000 aanmerken als (geschatte) bruto jaarwinst aan de zijde van de man.
5.17.
Ten aanzien van de woonlasten van de man overweegt het hof als volgt.
Indien sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van een onderhoudsgerechtigde te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. Het hof volgt de man in zijn stelling dat in dit geval geen aanleiding is om af te wijken van het woonbudget. Daarbij overweegt het hof dat de gezamenlijke draagkracht van partijen voldoende is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Bovendien volgt het hof de man in zijn stelling dat nog geen sprake is van een duurzame situatie, nu de echtelijke woning nog niet is verkocht en de man gehouden is bij te dragen in de aflossingen van de echtelijke woning. Het hof zal daarom, anders dan de rechtbank, de draagkracht van de man berekenen met inachtneming van het woonbudget. De grief die de man heeft gericht tegen dit oordeel van de rechtbank, slaagt derhalve wel.
5.18.
Nu voormelde grief van de man slaagt, zal het hof de draagkracht van de man opnieuw berekenen. Nu de rechtbank de behoefte van [minderjarige] heeft becijferd in 2024 alsmede de draagkracht van de man en de vrouw heeft becijferd aan de hand van de tarieven over 2024-1, zoals ook door partijen is gedaan, zal het hof daarbij de draagkrachtformule uit het rapport Alimentatienormen 2024 hanteren. Niet in geschil is tussen partijen dat het NBI van de man € 4.420,- bedraagt bij een winst uit onderneming van € 75.000,- en rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de op de aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZWV. De draagkracht die de man beschikbaar heeft voor [minderjarige] bedraagt dan (afgerond) € 1.277,-, berekend aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)].