Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1573
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,190 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.350.012/01
zaaknummer rechtbank : C/01/393131 / FA RK 23-2049
beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2025
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M.H. Vullings te Eindhoven,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
thans zonder advocaat (voorheen mr. J. Geuze).
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 (hierna: [minderjarige] ).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestiging] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 15 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (die is verbeterd bij beschikking van 10 januari 2025).
Procesverloop
2.1.
De man is op 10 januari 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 15 oktober 2024.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2025 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. J.M.H. Vullings;
- de vrouw (die de mondelinge behandeling voortijdig heeft verlaten);
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad.
2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt. Hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter en de griffier gesproken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 21 februari 2025 met als bijlage productie 27;
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 november 2023;
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 september 2024.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk is [minderjarige] geboren. Het huwelijk van partijen is op 3 mei 2011 ontbonden door echtscheiding.
3.3.
De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .
3.4.
[minderjarige] heeft tot aan de bestreden beschikking het hoofdverblijf bij de vrouw gehad maar verbleef feitelijk vanaf januari 2023 bij de man. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de man heeft.
Procesverloop
3.5.
De man heeft in eerst aanleg bij verzoek van 16 mei 2023, voor zover in hoger beroep van belang, verzocht te bepalen:
dat [minderjarige] het hoofdverblijf zal hebben bij de man;
een zorgregeling waarbij wordt bepaald dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen bij de vrouw verblijft van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, en daarnaast dat [minderjarige] wekelijks eenmaal naar de vrouw gaat voor de avond en nacht op maandag, dinsdag of woensdag, waarbij de keuze voor een vaste of variabele dag dient te worden afgestemd door de ouders en naar [minderjarige] voorkeur en schoolrooster per periode, althans een regeling als de rechtbank juist acht;
dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [minderjarige] met ingang van 1 februari 2023 op nihil wordt gesteld;
dat de vrouw met ingang van de datum indiening verzoekschrift maandelijks en telkens bij vooruitbetaling aan de man zal voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 210,- althans een bijdrage en ingangsdatum die de rechtbank juist acht.
3.6.
De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de vaststelling van kinderalimentatie en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze te ontzeggen als zijnde ongegrond.
Tevens heeft de vrouw bij zelfstandig verzoek verzocht om:
- de alimentatiebeschikking van de rechtbank van 20 maart 2012 te wijzigen en te bepalen dat met ingang van de datum van indiening verweerschrift de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] wordt verhoogd naar € 449,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige kinderalimentatie met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;
- een omgangsregeling vast te stellen als omschreven in randnummer 37 van haar verweerschrift van 11 oktober 2023.
3.7.
Bij tussenbeschikking van 30 november 2023 heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep van belang - de beslissing inzake het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden en partijen naar mediation verwezen teneinde via bemiddelingsgesprekken te trachten hun onderlinge communicatie te verbeteren en overeenstemming te bereiken ten aanzien van hun geschilpunten.
3.8.
Het mediationtraject heeft niet tot overeenstemming geleid.
3.9.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepaald en het ouderschapsplan van partijen dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank van 8 april 2011 gewijzigd voor wat betreft de zorgregeling en de volgende regeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft een weekend per veertien dagen bij de vrouw van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur en daarnaast eenmaal per week een avond en nacht op maandag, dinsdag of woensdag, waarbij de keuze voor een vaste of variabele dag dient te worden afgestemd tussen de ouders en naar [minderjarige] voorkeur en schoolrooster per periode;
- er zal een vakantieregeling gelden zoals opgenomen in het door de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg overgelegde schema, welk schema aan de herstelbeschikking van 10 januari 2025 is gehecht.
Voorts heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking de beschikking van de rechtbank van 20 maart 2012 gewijzigd en bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 15 oktober 2024 een bedrag van € 244,73 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
Het meer of anders verzochte (waaronder het verzoek van de man tot wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie naar nihil en zijn verzoek een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 210,- per maand vast te stellen per [geboortedatum] 2023) is afgewezen.
4De omvang van het geschil
4.1.
De man kan zich met deze beslissingen niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. In geschil zijn de zorgregeling en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: de kinderalimentatie).
4.2.
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de zorgregeling (grief 1), de aan de man opgelegde bijdrage aan de kinderalimentatie (grief 2 en grief 3), de zorgkorting (grief 4), de terugbetaling van de door de man teveel betaalde kinderalimentatie (naar het hof begrijpt, grief 5).
De man verzoekt voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en verzoekt:
1. een reguliere zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] een weekend per 14 dagen bij de vrouw verblijft van zaterdag tot zondag, waarbij de tijd van aankomst en vertrek door [minderjarige] en de vrouw in onderling overleg wordt bepaald op die dagen;
2. te bepalen dat de vakantieregeling in overleg met [minderjarige] wordt opgebouwd;
3. het, door de rechtbank zo gelezen, verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [minderjarige] af te wijzen,
- althans op nihil te bepalen;
- althans rekening te houden met een zorgkortingspercentage van 15% bij de berekening zonder draagkrachtvergelijking, uitkomend op een bedrag van € 24,- per maand, althans met draagkrachtvergelijking op € 67,- per maand;
- althans rekening te houden met een zorgkortingspercentage van 25% bij de berekening zonder draagkrachtvergelijking, uitkomend op een bedrag van € 113,-per maand,
althans met draagkrachtvergelijking op € 156,- per maand;
- althans een bijdrage te bepalen zoals het hof juist acht.
4. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de te veel betaalde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding vanaf de dag der beschikking, zijnde 15 oktober 2024.
4.3.
De vrouw overlegt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een pleitnotitie en voert mondeling verweer over de zorgregeling.
Motivering
Zorgregeling
5.1.
De man voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan. De rechtbank heeft een zorgregeling opgenomen zonder daarbij voldoende rekening te houden met de wensen van [minderjarige] en/of te bepalen dat er sprake is van een opbouwregeling voor de zorgregeling. De man heeft een regeling verzocht zoals deze er idealiter uit zou moeten zien, maar met de uitdrukkelijke aanvulling dat de rechtbank een regeling kan bepalen die het belang van [minderjarige] het meest dient.
In de praktijk blijft [minderjarige] eens in de veertien dagen één nacht bij de vrouw. De rechtbank had de ruimte om de wens van [minderjarige] te volgen en te bepalen dat dit de regeling zou worden, met dien verstande dat deze regeling in overleg met [minderjarige] uitgebreid zou kunnen worden naar de regeling zoals deze nu is vastgelegd.
De door de rechtbank vastgelegde regeling geeft communicatieproblemen tussen de man en de vrouw. De vrouw negeert de noodzaak om eerst de verstandhouding tussen haar en [minderjarige] te verbeteren. Het afdwingen van de door de rechtbank opgelegde regeling draagt niet bij aan het contact tussen [minderjarige] en de vrouw. Deze regeling is niet haalbaar en dient te worden aangepast aan de huidige lopende zorgregeling.
5.2.
De vrouw acht een regeling waarbij [minderjarige] eens in de twee weken van zaterdag tot zondag bij de moeder blijft, niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw ziet [minderjarige] te weinig en mist hem. Er zou een omgangsregeling moeten worden vastgelegd waarbij ze [minderjarige] regelmatiger ziet. Het liefst een 50-50 regeling. De relatie tussen de vrouw en [minderjarige] is goed. De man spreekt kwaad over de vrouw en ondermijnt haar gezag. De man houdt zich niet aan de afspraken.
5.3.
De raad heeft ter zitting over de zorgregeling het volgende geadviseerd. Gezien de leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat hij zich gehoord voelt. [minderjarige] is heel duidelijk in zijn mening. Het heeft geen zin om [minderjarige] tot meer omgang met de vrouw te dwingen. De zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften van [minderjarige] in verband met vrienden en werk. De raad adviseert het verzoek van de man betreffende de zorgregeling toe te wijzen.
5.4.
Het hof overweegt het volgende.
5.4.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande dan wel een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.4.2.
De wijziging van omstandigheden is niet in geschil en is onder meer gelegen in de lopende zorgregeling die afwijkt van de zorgregeling in het ouderschapsplan bij de echtscheidingsbeschikking van 8 april 2011. Verder heeft [minderjarige] vanwege de verstoorde relatie met de moeder inmiddels zijn hoofdverblijf bij de vader.
5.4.3.
Tussen de ouders is in geschil op welke manier de zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder dient te worden vastgesteld.
5.4.4.
Tijdens het gesprek met [minderjarige] en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] momenteel eens in de veertien dagen in het weekend bij de vrouw verblijft, met één overnachting. Dat is ook de regeling die de man verzoekt en die [minderjarige] wenst. [minderjarige] heeft te kennen gegeven dat hij op dit moment niet vaker bij de vrouw wil verblijven, omdat hij vindt dat een aantal dingen eerst zou moeten veranderen. Dit heeft hij ook aan de vrouw laten weten. [minderjarige] wenst dat de situatie tussen hem en de vrouw verbetert en dat de vrouw zich daarvoor ook inspant.
5.4.5.
Het hof ziet een liefhebbende, bezorgde maar ook volhardende moeder die ervan overtuigd blijft, hetgeen ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, dat het de man is die [minderjarige] bij de moeder wil weghouden.
Begrijpelijk is de wens van de vrouw om vaker contact te hebben met [minderjarige] maar het verzoek moet (ook) worden beoordeeld vanuit de positie van [minderjarige] . Gelet op zijn leeftijd is het voor [minderjarige] in de relatie tot de vrouw belangrijk dat hij zich gehoord voelt. Wat [minderjarige] nodig heeft, is een moeder die beseft dat [minderjarige] inmiddels oud genoeg is om zijn eigen mening te vormen en eigen keuzes te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] ervaart dat zijn mening serieus wordt genomen en door beide ouders wordt gerespecteerd.
5.4.6.
Het hof zal het verzoek van de vader op dit punt toewijzen, omdat de verzochte regeling overeenkomt met de authentieke wens van [minderjarige] én op dit moment zo wordt uitgevoerd én omdat gebleken is dat dit goed gaat.
5.4.7.
Gebleken is verder dat er op dit moment uitvoering wordt gegeven aan de vakantieregeling zoals deze in de bestreden beschikking is vastgelegd. Hierover heeft [minderjarige] ook aangegeven dat dit goed gaat zodat het hof geen reden ziet om hiervan af te wijken. Het hof zal het verzoek van de vader om een opbouwende vakantieregeling afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Kinderalimentatie
5.5.
De man stelt in zijn tweede grief dat de vrouw in eerste aanleg om verhoging van de kinderalimentatie heeft verzocht voor de situatie dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vrouw zou houden. Volgens de man heeft zij geen verhoging van de kinderalimentatie verzocht voor het geval het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zou worden bepaald. De rechtbank heeft het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bepaald en vervolgens een beslissing genomen over een verhoging van de kinderalimentatie, terwijl daarvoor geen verzoek voorlag. De man is van mening dat de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het zelfstandig verzoek van de vrouw is onjuist uitgelegd in de context van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij een bijdrage toekent aan de niet-verzorgende ouder.
In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte een bijdrage ten laste van hem heeft opgelegd. De vrouw heeft daarvoor te weinig gesteld en de situatie geeft daarvoor geen aanleiding. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een bijdrage worden opgelegd aan de ouder bij wie een kind zijn hoofdverblijf heeft en in dit geval doen die omstandigheden zich niet voor. De vierde grief gaat over de zorgkorting.
In zijn vijfde grief stelt de man dat hij ten onrechte met ingang van 15 oktober 2024 tot heden een bedrag van € 244,73 per maand heeft voldaan en dat hij van mening is dat de vrouw dit bedrag moet terugbetalen.
5.6.
De vrouw heeft in hoger beroep geen verweerschrift ingediend en ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geen verweer gevoerd tegen de grieven van de man over de kinderalimentatie. Zij heeft ervoor gekozen de zaal kort nadat de mondelinge behandeling over de kinderalimentatie begon voortijdig te verlaten en vanaf dat moment geen nadere vragen hierover te willen beantwoorden.
5.7.
Het hof oordeelt als volgt.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank OostBrabant van 15 oktober 2025 voor zover het betreft de beslissing over de kinderalimentatie en voor zover de rechtbank een zorgregeling heeft bepaald waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen bij de vrouw verblijft van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur en daarnaast eenmaal per week een avond en nacht op maandag, dinsdag of woensdag, waarbij de keuze voor een vaste of variabele dag dient te worden afgestemd tussen de ouders en naar [minderjarige] voorkeur en schoolrooster per periode;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt het ouderschapsplan van partijen dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank van 8 april 2011 voor wat betreft de zorgregeling en bepaalt dat:
[minderjarige] een weekend per veertien dagen bij de vrouw verblijft van zaterdag tot zondag, waarbij de tijd van aankomst en vertrek door [minderjarige] en de vrouw in onderling overleg bepaald wordt op die dagen;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2012 en bepaalt met ingang van 15 oktober 2024 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009, op nihil;
bepaalt dat de vrouw gehouden is de door de man sedert 15 oktober 2024 teveel betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de man terug te betalen;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.P. de Beij en M.E.M. Beijersbergen, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier, en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Wijziging van omstandigheden
5.8.
Vaststaat dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt. [minderjarige] verblijft sinds januari 2023 bij de man en de inkomens van de man en de vrouw zijn gewijzigd.
5.9.
Het hof overweegt als volgt:
5.10.
Het hof volgt de stelling van de man dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, aangezien de vrouw alleen verhoging van de kinderalimentatie heeft verzocht voor de situatie dat [minderjarige] bij haar zou blijven wonen.
De vrouw heeft in haar verweerschrift van 13 juli 2023 (randnummer 16) twee cumulatieve voorwaarden verbonden aan verlaging van de kinderalimentatie, te weten:
a. dat duidelijk is dat [minderjarige] definitief bij zijn vader zal blijven wonen, dat wil zeggen als de rechtbank heeft beslist over het hoofdverblijf, per de datum van de in deze zaak te geven eindbeschikking; én
b. dat de vader zijn kosten draagt. Daarnaast heeft zij een zelfstandig verzoek tot verhoging gedaan, omdat de vastgestelde kinderalimentatie niet meer zou voldoen aan de wettelijke maatstaven, omdat zij alle kosten van [minderjarige] betaalt en de man een hoger inkomen heeft.
Gebleken is dat aan de voorwaarden a. en b. is voldaan. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man bepaald en de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat zij alleen nog de omgangskosten heeft. Daarnaast heeft de vrouw in hoger beroep ook geen verweer gevoerd tegen de stellingen van de man onder de eerste grief.
Deze grief van de man slaagt, zodat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen.
5.11.
Het hof begrijpt uit de tweede, derde grief en vijfde grief van de man dat hij verzoekt om de alimentatie van de vrouw op nihil te stellen. Hij stelt enerzijds dat hij geen bijdrage verschuldigd is aan de niet verzorgende ouder, de vrouw, en tegelijkertijd verzoekt hij om terugbetaling van het volledige bedrag dat hij met ingang van de bestreden beschikking heeft voldaan.
De vrouw heeft tegen de stellingen van de man geen verweer gevoerd. Om die reden slaagt ook de derde grief van de man. De vierde grief over de zorgkorting kan om die reden onbesproken blijven.
Terugbetaling
5.12.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de teveel betaalde kinderalimentatie.
5.13.
Ook hiertegen heeft de vrouw geen verweer gevoerd. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd hierover geen vraag willen beantwoorden.
5.14.
Het hof overweegt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen in de procedure is gebleken dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Dat geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage.
Het hof is van oordeel dat in dit geval van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd de te veel ontvangen bijdragen terug te betalen. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en aan de door haar gestelde voorwaarden voor verlaging van kinderalimentatie is voldaan. Daarom behoorde zij er rekening mee te houden dat het verzoek van de man tot terugbetaling zou worden toegewezen. Verder staat vast dat zij voor [minderjarige] alleen omgangskosten heeft, gedurende een weekend in de veertien dagen met een overnachting van zaterdag op zondag en in vakanties en dat de vrouw niet met [minderjarige] op vakantie gaat. Tot slot staat vast dat de vrouw geen extra (verblijfsoverstijgende) kosten meer voor [minderjarige] heeft gemaakt nu zijn hoofdverblijf bij de man is vastgesteld en dat de periode waarover moet worden terugbetaald relatief beperkt is, te weten vanaf periode van 15 oktober 2024.
6De slotsom
6.1.
Het hof zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen beslissen zoals hieronder is weergegeven.