Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1571
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,585 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.328.066/01
zaaknummer rechtbank : C/01/384242 / FA RK 22-3221
beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2025
inzake
[de vader]
,
woonplaats onbekend,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.T.P. Tielemans,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestiging] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 6 juni 2023, heeft de vader hoger beroep ingesteld. In principaal hoger beroep heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie, de reguliere omgangsregeling en de omgangsregeling tijdens Hemelvaart en Koningsdag en opnieuw rechtdoende:
- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen op € 25,00 per maand, althans een in goede justitie te bepalen onderhoudsbijdrage, met ingangsdatum 6 maart 2023, althans een in goede justitie te bepalen ingangsdatum;
- de vastgestelde reguliere omgangsregeling te wijzigen inhoudende dat [minderjarige] in de even weken op woensdag uit school tot 18:30 uur en in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur (zonder avondeten) of 18:30 uur (met avondeten) bij de vader verblijft, waarbij het halen en brengen voor rekening van de vader komt, althans een in goede justitie te bepalen omgangsregeling;
- de vastgestelde omgangsregeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen (Hemelvaart en Koningsdag) te wijzigen zoals opgenomen onder punt 34 van het beroepschrift;
- kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift in principaal hoger beroep met producties, ingekomen bij de griffie op 1 augustus 2023, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen op alle onderdelen met uitzondering van hetgeen verzocht is onder gedachtestreepje 4 (Hemelvaart en Koningsdag).
2.2.1.
De moeder heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen als volgt:
- Moederdag en Vaderdag aanvang de avond daarvoor 18.30 uur;
- Pinksteren, [minderjarige] verblijft op de Pinksterdagen bij de ouder waar zij volgens de
standaardregeling verblijft;
- Pasen, [minderjarige] verblijft op de Paasdagen bij de ouder waar zij volgens de
standaardregeling verblijft;
- met veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.
2.3.
Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen bij de griffie op 12 september 2023, heeft de vader verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen. Kosten rechtens.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 17 april 2025 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het procesdossier in eerste aanleg;
- het V6-formulier met producties namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 30 december 2024;
- het V6-formulier met producties namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 3 april 2025;
- het V6-formulier met producties namens de vader, ingekomen bij de griffie op 9 april 2025.
2.5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof medegedeeld productie 3 (de eerste twee pagina’s) en productie 5 (de eerste pagina) die namens de vader zijn overgelegd bij V6-formulier en ingekomen bij de griffie op 9 april 2025, buiten beschouwing te laten. Deze pagina’s behorende bij productie 3 en 5 zijn een eigen relaas van de vader en zijn derhalve niet aan te merken als een productie om zijn stellingen te onderbouwen. Het ligt op de weg van de raadsman het schriftelijk standpunt van de vader in het beroepschrift te verwerken.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is eind december 2018 geëindigd. Partijen zijn de ouders van [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. De moeder is alleen met het gezag over [minderjarige] belast.
3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende beslist:
- bepaalt dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar in de even weken op vrijdag uit school tot 18.30 uur en in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur, waarbij het halen en brengen voor rekening van de vader komt, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1.;
- bepaalt dat de vader met ingang van 1 juli 2022 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , aan de moeder voor de toekomst bij vooruitbetaling
moet voldoen, een bedrag van € 188,= (honderd achtentachtig euro) per maand.
3.3.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover de beslissing ziet op de omgangsregeling en de kinderalimentatie en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld ten aanzien van de omgangsregeling.
Beoordeling
4.1.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep hierna per onderwerp bespreken. Het hof gaat eerst in op de omgangsregeling en daarna laat het hof zich uit over de kinderalimentatie.
Omgangsregeling
4.2.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gedeeltelijk tot overeenstemming gekomen met betrekking tot de omgangsregeling. Ze zijn het eens over de eindtijd op de zondag met betrekking tot de reguliere omgangsregeling tijdens de oneven weken, Hemelvaart, Koningsdag, Moeder- en Vaderdag, Pinksteren en Pasen.
4.2.1.
Partijen zijn hierover het volgende overeengekomen:
[minderjarige] verblijft in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur (zonder avondeten) bij de vader, waarbij het halen en brengen voor rekening van de vader komt;
[minderjarige] verblijft tijdens Hemelvaartsdag, Pinksteren en Pasen bij de ouder waar ze volgens de reguliere omgangsregeling verblijft;
[minderjarige] verblijft tijdens Koningsdag bij de ouder waar ze volgens de vakantieregeling van de meivakantie verblijft;
Moeder- en Vaderdag vangt de avond ervoor aan om 18.30 uur.
4.2.2.
Het hof zal deze overeenstemming in het dictum opnemen.
4.3.
Partijen zijn het niet eens over welke dag in de even weken [minderjarige] bij de vader verblijft, te weten op de woensdagmiddag of de vrijdagmiddag zodat het hof hierover een beslissing zal geven.
4.4.
De vader voert – samengevat – het volgende aan.
De vader wil de omgangsregeling in de even weken wijzigen in die zin dat [minderjarige] niet op vrijdag uit school tot 18.30 uur maar op woensdag uit school tot 18.30 uur bij de vader verblijft. De vrijdagen in de even weken zijn niet mogelijk in verband met het werk van de partner van de vader. De vader heeft zelf geen rijbewijs en is daarom afhankelijk van zijn partner voor het vervoer. Bovendien zijn er op de woensdagmiddagen meer activiteiten zoals zwemles. Hierdoor is de vader meer betrokken in het leven van [minderjarige] en kan hij de woensdagen beter invullen. De vader blijft tijdens de omgangsmiddag met [minderjarige] in de omgeving van [woonplaats moeder] vanwege de lange reisafstand van [plaats] naar [woonplaats moeder] . Het contactmoment tijdens de even weken is te kort om op en neer te rijden. De vader vindt het jammer dat wanneer het omgangsmoment op de vrijdagmiddag niet kan doorgaan vanwege bijvoorbeeld een kinderfeestje hij deze middag niet mag compenseren op een ander moment en dat overleg hierover met de moeder niet mogelijk is.
4.5.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan.
De moeder kan niet instemmen met de door de vader gewenste wijziging van de omgang van de vrijdagmiddag naar de woensdagmiddag een keer per veertien dagen in de even weken. De rechtbank heeft na het advies van de raad juist de omgang op vrijdag vastgesteld zodat voor [minderjarige] duidelijk is dat zij altijd op vrijdag naar haar vader gaat. De vrijdag blijft ook de hele basisschoolperiode een vrije middag. De regeling loopt inmiddels al enige tijd en gaat wat de moeder betreft goed afgezien van de wens van de vader om tijd in te halen wanneer de omgang niet kan doorgaan vanwege bijvoorbeeld een kinderfeestje op de vrijdagmiddag. Dit zorgt voor discussie tussen partijen en hier heeft [minderjarige] last van. De regeling zoals vastgesteld in de bestreden beschikking is duidelijk en zorgt voor rust bij [minderjarige] en de ouders. De moeder acht het niet in het belang van [minderjarige] om opnieuw de omgangsregeling te wijzigen.
4.6.
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd.
[minderjarige] is weliswaar de vrijdagen gewend om bij de vader te verblijven, maar voor [minderjarige] maakt het in beginsel niet uit of ze op woensdagmiddag of vrijdagmiddag bij de vader is. Nu blijkt dat [minderjarige] de hele basisschoolperiode ook vrijdagmiddag vrij is, kan wat de raad betreft de vrijdagmiddag als uitgangspunt blijven gelden. Wanneer [minderjarige] bijvoorbeeld een kinderfeestje heeft op vrijdagmiddag is het geen probleem om de omgang te compenseren zodat de vader op woensdagmiddag omgang heeft met [minderjarige] . Wanneer dit niet gebeurt, ziet [minderjarige] haar vader twee weken niet en dat is niet in haar belang. Het zijn echter de ouders die het niet lukt om dit samen op te lossen en hierover te communiceren. Belangrijk is dat de ouders hier aan werken. De raad adviseert ouders dringend om individuele hulpverlening aan te gaan om de scheiding te verwerken en daarna gezamenlijk hulpverlening te zoeken bij de communicatie over [minderjarige] .
4.7.
Het hof overweegt als volgt.
4.7.1.
Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.7.2.
Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de vastgestelde omgangsregeling tijdens de even weken. De regeling verloopt al ruim twee jaar goed en wordt door beide ouders nagekomen. [minderjarige] is aan deze regeling gewend. Dat het voor de vader niet mogelijk is vervoer te organiseren op de vrijdagmiddag, is niet gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd dat [minderjarige] haar vader twee weken niet ziet wanneer ze op vrijdagmiddag een activiteit heeft waardoor de omgang niet door kan gaan. Dit zal niet anders zijn wanneer de omgangsmomenten in de even weken op de woensdag zouden plaatsvinden. Hiervoor geldt hetzelfde. Enkel als er vertrouwen over en weer ontstaat en de ouders in staat zijn tot communicatie die niet belastend is voor [minderjarige] , kunnen de ouders in de toekomst wellicht bij een verhindering op vrijdagmiddag het omgangsmoment op woensdagmiddag laten plaatsvinden, zodat [minderjarige] haar vader niet zo lang hoeft te missen, zoals de raad adviseert. Het hof acht de ouders daartoe nu echter niet in staat. Evenals de raad acht het hof verdere hulpverlening daarvoor nodig.
4.7.3.
De grieven van de vader falen en het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling in de even weken bekrachtigen.
Kinderalimentatie
4.8.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2022 vastgesteld op € 188,00 per maand. Rekening houdende met de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie per 1 januari 2023 € 194,39 per maand, per 1 januari 2024 € 206,44 per maand en per 1 januari 2025 € 219,86 per maand.
Ingangsdatum
4.9.
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum heeft bepaald op 1 juli 2022. De vader gaat uit van een ingangsdatum van 6 maart 2023, de datum van de bestreden beschikking. Vanaf dat moment heeft hij er rekening mee kunnen houden dat hij kinderalimentatie zou moeten betalen.
4.10.
De moeder is van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de ingangsdatum van 1 juli 2022. De vader is op 20 juni 2022 door de moeder aangeschreven om financiële stukken te overleggen voor het berekenen van de kinderalimentatie.
Dictum
In principaal en incidenteel hoger beroep:
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2023, uitsluitend voor zover het betreft de eindtijd op de zondag met betrekking tot de reguliere omgangsregeling en de verdeling van Hemelvaart, Koningsdag, Moeder- en Vaderdag, Pinksteren en Pasen en in zoverre opnieuw beschikkende:
[minderjarige] verblijft in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur (zonder avondeten) bij de vader, waarbij het halen en brengen voor rekening van de vader komt;
[minderjarige] verblijft tijdens Hemelvaartsdag, Pinksteren en Pasen bij de ouder waar ze volgens de reguliere omgangsregeling verblijft;
[minderjarige] verblijft tijdens Koningsdag bij de ouder waar ze volgens de vakantieregeling van de meivakantie verblijft;
Moeder- en Vaderdag vangt de avond ervoor aan om 18.30 uur.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.P. de Beij en G.M. Goes en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
De vader heeft vanaf dat moment rekening kunnen en moeten houden met een te betalen onderhoudsverplichting ten behoeve van [minderjarige] .
4.11.
Het hof overweegt als volgt.
4.11.1.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
4.11.2.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vader vanaf 1 juli 2022 rekening heeft kunnen en moeten houden met een aanspraak van de moeder op kinderalimentatie. De vader heeft niet betwist dat hij voor het eerst op 20 juni 2022 door de moeder is aangeschreven over de kinderalimentatie. Bovendien heeft de vader reeds vanaf de geboorte van [minderjarige] een onderhoudsplicht en had hij hier rekening mee kunnen houden. De grief van de vader faalt.
Behoefte
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] in 2022 € 332,00 per maand bedraagt. De behoefte van [minderjarige] bedraagt na indexatie in 2023 € 343,29, in 2024 € 364,57 en in 2025 € 388,27 per maand.
Draagkracht moeder
4.13.
De draagkracht van de moeder ter hoogte van € 25,00 per maand staat niet ter discussie tussen partijen zodat het hof hiervan uit zal gaan. De vader handhaaft zijn grief niet langer.
Draagkracht vader
4.14.
De vader stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde bijdrage te voldoen. De vader heeft sinds 2019 geen inkomsten meer in Nederland. Vanaf medio december 2023 ontvangt de vader een uitkering wegens ziekte in België ter hoogte van € 1.404,52 bruto per maand. De vader staat niet ingeschreven in België of Nederland en verblijft bij zijn partner in België. Zij heeft een eigen onderneming en inkomen uit verhuur via Airbnb. De vader heeft de afgelopen jaren geld moeten lenen bij familie en zijn partner en dient dit terug te betalen. Hij betaalt voor de huur en aflossing van de lening een bedrag van € 970,00 per maand. Ook dient de vader kosten te maken voor het halen en brengen van [minderjarige] en tijdens de momenten dat hij met [minderjarige] in de omgeving van [woonplaats moeder] doorbrengt. Gelet op het vorenstaande heeft de vader een draagkracht van maximaal € 25,00 per maand.
4.15.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader zijn stellingen over zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd met verifieerbare stukken. Onduidelijk is hoe de vader in aanmerking komt voor een uitkering wegens ziekte in België terwijl nergens uit blijkt dat hij een arbeidsverhouding heeft gehad in België of staat ingeschreven in België. Uit de overgelegde bankafschriften en stukken ten aanzien van de toekenning van de uitkering is niet zichtbaar aan wie deze zijn gericht. De moeder betwist dat de vader een uitkering wegens ziekte in België ontvangt. Ook toont de vader geen inzage in de onderneming die hij eerder had of nog steeds heeft met zijn partner of waaruit deze werkzaamheden bestaan. De vader heeft een inspanningsverplichting en hij laat niet zien wat hij de afgelopen jaren heeft gedaan om betaalde arbeid te vinden. Dat door de vastgestelde kinderalimentatie met terugwerkende kracht de financiële situatie van de vader nog slechter wordt, heeft de vader evenmin onderbouwd. De rechtbank heeft terecht aan de vader een bijdrage opgelegd ter hoogte van het woonkostencomponent nu hij zelf heeft verklaard geen woonlasten te hebben.
4.16.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de vader zijn stelling, inhoudende dat zijn draagkracht maximaal
€ 25,00 per maand bedraagt, onvoldoende met adequate verifieerbare stukken heeft onderbouwd. Dit had gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder wel op zijn weg gelegen en komt voor zijn rekening en risico. De vader heeft in hoger beroep weliswaar een aantal stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt, maar hieruit volgt niet genoegzaam dat de vader een uitkering wegens ziekte ontvangt, huur betaalt en schulden heeft en hierop aflost. Uit deze stukken blijkt niet dat de uitkering daadwerkelijk aan de vader is toegekend noch dat de uitkering op een bankrekening op naam van de vader wordt uitbetaald. Dit is zwartgelakt. Verder volstaat de vader met de enkele stelling dat hij een huurlast heeft en schulden bij familie en zijn partner maar hij overlegt hier geen bewijzen van afgezien van bankafschriften. Uit deze bankafschriften blijkt niet dat deze op zijn naam staat en aan wie het bedrag van € 970,00 wordt betaald. Onduidelijk blijft van welk inkomen de vader heeft geleefd en ook nu leeft en wat zijn uitgaven en schulden zijn. De vader heeft ook onvoldoende de vragen van het hof hierover tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kunnen beantwoorden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de grieven van de vader falen.
4.17.
Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie bekrachtigen.
Proceskosten
4.18.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek om de vader te veroordelen in de proceskosten ingetrokken. Ten aanzien van het verzoek van de vader zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen met elkaar een relatie hebben gehad.