Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-23
ECLI:NL:GHSHE:2025:157
Civiel recht
Hoger beroep
5,135 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 23 januari 2025
Zaaknummer : 200.345.709/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/327824 / HA RK 24-43
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] ,
advocaat: was mr. G.A.M.F. Spera, thans mr. A. Kara te Maastricht,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg aan de Geul.
belanghebbenden:
mr. [vereffenaar 1] en
mr. [vereffenaar 2],
verbonden aan [bedrijf] te [plaats] , gemeente [gemeente] , beiden in de hoedanigheid van bij beschikking waarvan beroep benoemde vereffenaars in de nalatenschap van de heer [betrokkene] , dag van lijkvinding op 23 november 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de vereffenaars,
advocaat: mr. I.P.M. Schreven te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van 11 juni 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij de kantonrechter mr. [vereffenaar 1] en mr. [vereffenaar 2] tot vereffenaar van de nalatenschap van de heer [betrokkene] heeft benoemd.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties (nr. 1 t/m 11), ingekomen ter griffie op 10 september 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 11 juni 2024 te vernietigen en primair te besluiten dat in de nalatenschap van [betrokkene] ,
geen vereffenaar zal worden benoemd, subsidiair te bepalen dat zo nodig kan worden volstaan met de benoeming van een onafhankelijke mediator welke tussen partijen zonder advocaten zal bemiddelen en meer subsidiair te bepalen dat in het geval een vereffenaar moet worden benoemd, beide thans benoemde vereffenaars zullen worden vervangen door één andere vereffenaar en daarbij [verweerster] in de kosten van beide procedure te veroordelen.
2.2.
Bij verweerschrift in hoger beroep met producties (nr. 1 t/m 8), ingekomen ter griffie op 29 oktober 2024, heeft [verweerster] het hof verzocht om de beschikking van 11 juni 2024 te bevestigen.
2.3.
Bij verweerschrift in hoger beroep met producties (nr. 1 t/m 6), ingekomen ter griffie op 6 november 2024, hebben de vereffenaars hun visie op het beroepschrift gegeven.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
de aanvullende stukken (waaronder de producties nr. 9 en 10 behorend bij het verzoekschrift in eerste aanleg van [verweerster] ) zijdens [appellant 1] en [appellant 2] , ingekomen ter griffie op 23 september 2024 en
de aanvullende producties (nr. 12 t/m 19) van [appellant 1] en [appellant 2] , ingekomen ter griffie op 26 november 2024.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant 1] en [appellant 2] , bijgestaan door mr. Kara;
mr. Stassen namens [verweerster] en
mr. [vereffenaar 1] , bijgestaan door mr. Schreven.
[verweerster] en mr. [vereffenaar 2] waren niet ter zitting aanwezig.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
a. Partijen zijn broer en zussen van elkaar.
Op 23 november 2023 is te [plaats] , gemeente [gemeente] , het levenloze lichaam gevonden van de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949. [betrokkene] was een broer van partijen.
[betrokkene] was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd, had geen geregistreerd partnerschap en was evenmin eerder gehuwd geweest. Hij heeft geen afstammelingen.
[betrokkene] heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat volgens het versterferfrecht [verweerster] , [appellant 1] en [appellant 2] zijn (enige) erfgenamen zijn.
[verweerster] heeft op 30 januari 2024 op een standaardformulier ‘Verklaring nalatenschap meerderjarige erfgenaam’ ingevuld dat zij de nalatenschap van [betrokkene] beneficiair aanvaardt. Van deze verklaring, die op genoemde datum ter griffie van de rechtbank Limburg is ontvangen, is op dezelfde datum een akte opgemaakt.
Tussen [appellant 1] en [appellant 2] enerzijds en [betrokkene] anderzijds zijn (in verband met de tussen
hen bestaand hebbende maatschap met betrekking tot het landbouwbedrijf dat zij overnamen
van hun ouders) de navolgende (gerechtelijke) procedures aanhangig:
een arbitrageprocedure;
een civiele procedure bij de rechtbank Limburg, locatie Maastricht (zaaknummer C/03/317834 HA ZA 23-218);
een civiele procedure bij de rechtbank Limburg, locatie Maastricht (zaaknummer C/03/321003 HA ZA 23-348);
een procedure in hoger beroep bij het hof ‘s-Hertogenbosch (zaaknummer 200.326.714/01).
Eerste aanleg
3.2.
[verweerster] heeft de rechtbank verzocht een vereffenaar over de nalatenschap van [betrokkene] te benoemen.
3.2.1.
[appellant 1] en [appellant 2] hebben verweer gevoerd. Daarnaast hebben zij een zelfstandig verzoek gedaan tot afgifte (van afschriften) van bescheiden en verstrekking van informatie op grond van artikel 843a Rv, artikel 162 Rv en artikel 22 Rv.
3.3.
De rechtbank heeft het verzoek van [verweerster] toegewezen en een onafhankelijke vereffenaar benoemd omdat partijen het niet eens zijn over de persoon van de te benoemen vereffenaar. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4.4. Het verweer van [appellant 1] en [appellant 2] kan hen niet baten. Immers, ook al zou komen vast te staan dat de nalatenschap door geen van de erfgenamen beneficiair is aanvaard – hetgeen de rechtbank nu in het midden laat – is het mogelijk een vereffenaar te benoemen, namelijk op grond van artikel 4:204 BW. In lid 1, aanhef en onder a van deze bepaling is onder meer bepaald dat de rechtbank een vereffenaar kan benoemen indien de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat aan deze voorwaarde is voldaan. [verweerster] heeft ter mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te [plaats] – van welke onroerende zaak [betrokkene] enig eigenaar was – nu leeg staat en verpietert. De kosten van de woning worden niet betaald: de bankrekening van [betrokkene] is na het voldoen van de kosten van de uitvaart geblokkeerd. De verhouding tussen partijen is dusdanig slecht dat het [verweerster] niet eens lukt de sleutel van de woning aan het adres [adres] aan [appellant 1] en [appellant 2] te overhandigen. Hieruit blijkt afdoende dat de nalatenschap in ieder geval deels onbeheerd wordt gelaten. Daar komt nog bij dat de arbitrageprocedure, die door het overlijden van [betrokkene] is geschorst, op dit moment stil ligt, waarbij het de rechtbank – gelet op de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen – niet aannemelijk voorkomt dat partijen binnen afzienbare termijn overeenstemming zullen bereiken over de met betrekking tot deze procedure te volgen koers. De stelling van [appellant 1] en [appellant 2] dat de nalatenschap wel wordt beheerd, nu [verweerster] immers het beheer voert over de schuur, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het beheer van de schuur – als daarvan sprake zou zijn, hetgeen de rechtbank in het midden laat – niet wegneemt dat andere delen van de nalatenschap onbeheerd worden gelaten.”
3.3.1.
De rechtbank heeft de zelfstandige verzoeken van [appellant 1] en [appellant 2] afgewezen.
Hoger beroep
3.4.
[appellant 1] en [appellant 2] hebben in hun beroepschrift de volgende vier grieven aangevoerd:
I. De rechtbank heeft ten onrechte in het midden gelaten of de nalatenschap door [verweerster] beneficiair werd aanvaard. De benoeming van de vereffenaars is volgens [appellant 1] en [appellant 2] daarom ten onrechte gebaseerd op het oordeel dat de nalatenschap door de erfgenamen deels onbeheerd wordt gelaten.
[appellant 1] en [appellant 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerster] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. [verweerster] heeft namelijk nog steeds als enige na het overlijden toegang tot de woning van [betrokkene] . Daarnaast heeft [verweerster] zich voor – tijdens de verhuizing van [betrokkene] – en na het overlijden van [betrokkene] goederen toegeëigend en aan de nalatenschap onttrokken. Ook heeft [verweerster] volgens [appellant 1] en [appellant 2] na het overlijden van [betrokkene] het beheer van de schuur overgenomen.
II. De rechtbank heeft volgens [appellant 1] en [appellant 2] ten onrechte in haar besluit tot benoeming van een vereffenaar betrokken dat voortgang in de afwikkeling van de nalatenschap wordt gehinderd doordat de arbitrageprocedure, welke tijdens leven van [betrokkene] werd gevoerd tussen [appellant 1] , [appellant 2] en [betrokkene] , als gevolg van het overlijden werd geschorst.
III. Ten onrechte is de rechtbank volgens [appellant 1] en [appellant 2] tot het oordeel gekomen om mr. [vereffenaar 1] én mr. [vereffenaar 2] tot vereffenaars in de nalatenschap van de [betrokkene] te benoemen. Dit leidt immers tot extra kosten, waarmee de nalatenschap onnodig wordt uitgehold. Verder zijn [appellant 1] en [appellant 2] van mening dat de aangestelde vereffenaars beiden niet de meest geëigende personen zijn om tot vereffenaar te worden benoemd.
IV. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant 1] en [appellant 2] geoordeeld dat zij geen rechtmatig belang hebben bij het verzoek tot afgifte van (een afschrift van) bankafschriften, facturen betreffende de uitvaart en andere justificatoire bescheiden met betrekking tot de uitgaven of ontvangsten van de nalatenschap. Deze grief richt zich op de situatie dat het hof tot het oordeel komt dat de noodzaak tot benoeming van een vereffenaar ontbreekt en is dus voorwaardelijk geformuleerd (zie het beroepschrift onder randnummer 38).
3.5.
[verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de stellingen van [appellant 1] en [appellant 2] . [verweerster] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. [verweerster] heeft enige tijd na de lijkvinding van [betrokkene] enige documenten die betrekking hebben op de gerechtelijke procedures, te weten aantekeningen van [betrokkene] , meegenomen. Dit kan volgens [verweerster] niet uitgelegd worden als een gedraging ex artikel 4:192 BW, omdat de aantekeningen van [betrokkene] geen waarde voor mogelijke schuldeisers hebben.
Beoordeling
3.7.3.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden vereffenaars heeft benoemd. Het hof licht dat hierna toe.
Grief 1
3.7.4.
Niet enkel in het geval van beneficiaire aanvaarding kan er een vereffenaar worden benoemd. In de situatie dat [verweerster] de nalatenschap zuiver zou hebben aanvaard, kan op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a BW toch een vereffenaar worden benoemd wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn de nalatenschap geheel of ten dele onbeheerd laten. Vast staat dat er geen executeur is omdat [betrokkene] geen testament heeft gemaakt. Daarnaast is het hof gebleken dat de nalatenschap sinds het overlijden van [betrokkene] (tot in ieder geval de benoeming van de vereffenaars) in ieder geval deels onbeheerd werd gelaten. De aan [betrokkene] in eigendom toebehorende woning in [plaats] wordt niet bewoond, staat leeg en verpietert. De vereffenaars hebben ook aangegeven dat de erven de nalatenschap al bijna een jaar onbeheerd hebben gelaten. Zo is het de vereffenaars gebleken dat de woning nog altijd leegstaat en dat de woning niet was verzekerd tegen bijvoorbeeld brand. Pas na de benoeming van de vereffenaars is er een opstalverzekering afgesloten. Dat sprake is van onbeheerd laten is ter zitting ook met zoveel woorden door [appellant 1] en [appellant 2] erkend/bevestigd. De stelling van [appellant 1] en [appellant 2] dat het onbeheerd laten door het handelen van [verweerster] komt, maakt dit niet anders. Feit blijft dat sprake is van een onbeheerde nalatenschap. Dat [verweerster] de schuur zou beheren, maakt dit eveneens niet anders. Feit blijft dat in ieder geval een deel van de nalatenschap onbeheerd is gebleven. Omdat sprake is van het onbeheerd laten van (een deel van) de nalatenschap heeft de rechtbank de vraag of sprake is van een beneficiaire of zuivere aanvaarding in het midden kunnen laten en een vereffenaar kunnen benoemen.
3.7.5.
Bovendien is het hof van oordeel dat uit hetgeen [appellant 1] en [appellant 2] hebben aangevoerd niet blijkt dat sprake is van zuivere aanvaarding. Op grond van artikel 4:192 lid 1 BW hebben kort gezegd enkel gedragingen die leiden tot benadeling van schuldeisers zuivere aanvaarding tot gevolg. Het is aan het hof niet gebleken, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerster] , dat de schuldeisers zijn benadeeld door de gedragingen die [verweerster] zou hebben verricht. [verweerster] beschikte derhalve over de juiste hoedanigheid, namelijk die van erfgenaam in een beneficiair aanvaarde nalatenschap, om het verzoek tot de benoeming van een vereffenaar in te dienen (artikel 4:203 lid 1 sub a BW).
3.7.6.
Verder stellen [appellant 1] en [appellant 2] dat geen sprake zou zijn van een complexe afwikkeling. Het hof oordeelt – in het licht van het voorgaande ten overvloede – anders. [betrokkene] was tijdens zijn leven verwikkeld in vier gerechtelijke procedures tegen [appellant 1] en [appellant 2] waaronder de arbitrageprocedure ter vaststelling van de waarde van het aandeel in de maatschap die is beëindigd. In deze procedure is een deskundige benoemd die de in het arbitrale vonnis van 5 juli 2023 gestelde vragen moet beantwoorden. Daarnaast was een civiele procedure aanhangig bij de rechtbank Limburg (zaaknummer C/03/317834 HA ZA 23-218) waarin [betrokkene] bedragen vordert van [appellant 1] en [appellant 2] ten aanzien van banktegoeden die bij buitenlandse banken worden aangehouden op grond dat sprake was van een gemeenschap. Ten derde is er een procedure aanhangig bij de rechtbank Limburg (zaaknummer C/03/321003 HA ZA 23-348) waarin [appellant 1] en [appellant 2] de ontbinding van een tussen partijen getroffen schikking, die is vastgelegd in een proces-verbaal, vorderen en de terugbetaling van het uit hoofde van die schikking door [betrokkene] ontvangen bedrag van € 750.000,= (zaaknummer C/03/306148 KG ZA 22-220). Tot slot loopt er een procedure bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (zaaknummer 200.326.714/01) over de toedeling van een perceel bosgrond en een schuur aan [betrokkene] .
3.7.7.
De hoeveelheid aan procedures en de aard ervan maken naar het oordeel van het hof dat sprake is van een complexe afwikkeling van de nalatenschap. Daarbij komt dat [appellant 1] en [appellant 2] in de procedures tegen [betrokkene] en thans tegen de nalatenschap ‘twee petten op’/conflicterende belangen hebben, omdat zij ook erfgenaam van [betrokkene] zijn. Bovendien blijkt uit het procesdossier en hetgeen ter zitting aan het hof is gebleken dat de verhouding tussen partijen ernstig verstoord is. Het hof volgt het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] dan ook niet dat zij zelf de nalatenschap kunnen afwikkelen. Gezien het voorgaande bestaat er naar het oordeel van het hof wel degelijk noodzaak om een vereffenaar te benoemen.
Grief 2
3.7.8.
Het hof acht het voor het al dan niet benoemen van een vereffenaar niet van belang of de arbitrageprocedure nu wel of niet is geschorst. Feit is dat tot op heden de benoemde deskundige nog niet is over kunnen gaan tot het beantwoorden van de vragen die de arbiters aan hem hebben voorgelegd en dat deze procedure dus stilligt. De arbitrageprocedure ligt stil doordat [appellant 1] en [appellant 2] de taxatie door de deskundige slechts willen laten doorgaan zonder de advocaat van [verweerster] . Dit verzet van [appellant 1] en [appellant 2] tegen de aanwezigheid van mr. Stassen draagt niet bij aan een spoedige afwikkeling, terwijl het hof niet vermag in te zien waarom [verweerster] niet zelf mag bepalen wie namens haar als raadsman het onderzoek zal bijwonen. Het voorgaande, in combinatie met hetgeen onder grief 1 is overwogen, maakt dat de benoeming van een vereffenaar naar het oordeel van het hof noodzakelijk is.
Grief 3
3.7.9.
Het hof is verder van oordeel dat de rechtbank twee vereffenaars heeft kunnen benoemen. In beginsel staat het aantal vereffenaars dat wordt benoemd ter discretie van de rechtbank. Dat volgt uit artikel 4:206 lid 2 BW. Gezien de, ook door het hof, uit de stukken gehaalde complexiteit van de nalatenschap met potentieel diverse internationale aspecten (zie eerder) is de benoeming van twee vereffenaars in deze zaak naar het oordeel van het hof aanvaardbaar.
3.7.10.
Verder zijn [appellant 1] en [appellant 2] van mening dat de aangestelde vereffenaars beiden niet de meest geëigende personen zijn om tot vereffenaars te worden benoemd. Het hof begrijpt dit als een verzoek tot ontslag van de vereffenaars. Voor een dergelijk verzoek is in deze procedure echter geen plaats. Daarvoor moet een verzoek op grond van artikel 4:206 lid 5 BW worden ingediend. Thans ziet het hof ook, gezien de gegeven toelichting op hun werkzaamheden, geen aanleiding voor enig ambtshalve ingrijpen. In het bijzonder geldt dit voor het door [appellant 1] en [appellant 2] gewraakte aanwijzen van mr. Stassen als advocaat namens de vereffenaars in de lopende arbitrageprocedure, waar de vereffenaars immers een bevredigende motivering voor hebben gegeven.
3.7.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat grief 3 faalt.
Grief 4
3.7.12.
Grief 4 richt zich op het verzoek tot afgifte van stukken op grond van artikel 843a Rv. Deze grief ziet op de situatie voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat de benoeming van de vereffenaars niet noodzakelijk is. Grief 4 behoeft daarom in het licht van het bovenstaande en gezien het voorwaardelijke karakter ervan geen verdere behandeling.
Conclusie
3.7.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.
Proceskosten
3.8.
De aard van de procedure brengt met zich dat een proceskostenveroordeling achterwege dient te blijven.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.