Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1569
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
2,343 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 5 juni 2025
Zaaknummer : 200.353.725/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/411646 / FT RK 25/27
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. S. van Beers te Zeist.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 en 2), ingekomen ter griffie op 17 april 2025, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellante] , bijgestaan door mr. Van Beers;
mw. [de curator] , de curator krachtens boek 1 BW, hierna de curator.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
de stukken van de eerste aanleg, ontvangen op 16 mei 2025;
productie 3, ontvangen op 19 mei 2025.
Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 30 juli 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, is [appellante] met ingang van l augustus 2024 vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gesteld en is tot curator benoemd [de curator] .
3.2.
De curator heeft op 10 januari 2025 ten behoeve van [appellante] een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank. Uit de crediteurenlijst bij het verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 27.607,77. Uit de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw blijkt dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende:
‘Mevrouw spreekt Nigér dialect en geen Nederlands. De curator heeft de ‘bekende’ partijen (zoals de Belastingdienst, vaste laste en gemeentelijke heffingen) aangeschreven om de schulden te achterhalen. Mevrouw heeft in 2007/2008 in [plaats 1] gewoond. Zij is daar ontruimd en dakloos geworden. Daarna heeft ze nog op diverse andere adressen gewoond. Mevrouw kan niet goed met geld omgaan en het is onbekend waar nog meer schulden vandaan komen. Omdat er met gebaren, handen en voeten gewerkt moet worden om met mevrouw te communiceren, is de schuldenlast van mevrouw niet volledig te achterhalen. Bij de MSNP bestaat de kans dat niet alle schulden worden meegenomen, waardoor er geen totaaloplossing komt voor de schulden van mevrouw.’
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van de curator afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.4.
[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij heeft het volgende aangevoerd.
[appellante] kent een belast verleden en is (ook) enige tijd dakloos geweest. Hierdoor heeft zij onvoldoende overzicht gehad op haar administratie en op het organiseren van zaken en heeft zij haar financiën niet goed kunnen beheren. De gemeente heeft haar in november 2024 ontheven van de sollicitatieverplichting (tot november 2026). [appellante] is zich ervan bewust dat de toetsing van de sollicitatieverplichting binnen de schuldsaneringsregeling veel strenger is dan binnen het kader van de Participatiewet. Als [appellante] wordt toegelaten, zou de wsnp-bewindvoerder alsnog een arbeidsdeskundig onderzoek kunnen laten doen. Indien blijkt dat zij in staat is om te werken, zal dit echter niet als vanzelfsprekend leiden tot een hogere aflossingscapaciteit, omdat zij al ruim 10 jaar niet meer actief is op arbeidsmarkt. En ook omdat haar toeslagen lager zullen worden, als zij een hoger inkomen gaat verdienen. Met behulp van de curator zal [appellante] de verplichtingen die voorvloeien uit de schuldsaneringsregeling naar behoren kunnen nakomen. Sinds zij onder curatele is gesteld, zijn geen nieuwe schulden ontstaan en is sprake van een keer ten goede. [appellante] heeft belang bij een schuldenvrije toekomst.
3.5.
De curator heeft (aanvullend) aangevoerd dat de communicatie met [appellante] via handen en voeten verloopt en via haar maatschappelijk begeleidster. De curator en de maatschappelijk begeleidster spreken (onderling) Nederlands en communiceren met [appellante] met gebaren en door middel van plaatjes. [appellante] is 20 jaar geleden met haar kinderen gevlucht uit Niger. Toen ze in de gemeente [plaats 1] woonde zijn haar vier kinderen uithuisgeplaatst (inmiddels zijn haar kinderen meerderjarig) en is ze dakloos geraakt. Na diverse adressen in andere gemeenten, is ze uiteindelijk bij Maatschappelijke Opvang [plaats 2] terecht gekomen. Daar leefde ze eerst in een groep en toen was het moeilijk om haar te begeleiden. Sinds ze binnen MO [plaats 2] naar een ‘tiny house’ is gebracht, gaat het goed. [appellante] gedijt bij structuur, komt haar afspraken na en gaat niet buiten de regels om. Sinds de curatele is de bal (verder) gaan rollen. De curator verwacht dat [appellante] schoonmaakwerkzaamheden kan doen, ze houdt haar huisje keurig zelf bij. Met mogelijke toekomstige hulp van [instantie] , denkt de curator dat het [appellante] zal lukken om zich aan de inspanningsverplichting van de wsnp te houden. De meeste wsnp-verplichtingen kan de curator voor haar invullen. De curator verwacht dan ook dat [appellante] zich aan de inlichtingen- en meldingsplicht van de wsnp gaat houden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Zoals ook ter zitting met de aanwezigen besproken, heeft het hof geconstateerd dat sprake is van 3 obstakels: (1) het beroepschrift is niet ingediend door de curator, (2) er is geen sprake van enig minnelijk traject, (3) de communicatie met [appellante] zónder tolk.
3.6.2.
Nu [appellante] onder curatele is gesteld, had het beroepschrift - net zoals het verzoekschrift in eerste aanleg - ingediend moeten worden door de curator en niet door [appellante] zelf. De curator heeft weliswaar ter zitting verklaard dat zij de advocaat heeft gevraagd in hoger beroep te gaan, maar het beroepschrift is ‘formeel’ gezien niet door de curator ingediend. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep.
3.6.3.
Ook in hoger beroep is het minnelijke traject niet doorlopen, terwijl de rechtbank in het vonnis waarvan beroep in de r.o. 2.7 uitvoerig uiteengezet heeft dat de schuldenlast - zo die niet al vast staat voor wat betreft de relevante laatste drie jaren - binnen afzienbare tijd vast kan komen te staan en het minnelijke traject (dan) kan starten.
Blijkens de brief van 16 mei 2025 (productie 3) van de gemeente [gemeente] is op dit moment nog steeds geen minnelijk traject gestart om de volgende reden:
‘De gemeente is nog geen minnelijk traject gestart omdat we eerst het hoger beroep willen afwachten. Er is namelijk bewust gekozen in dit dossier om rechtstreeks een wsnp verzoek in te dienen bij de rechtbank omdat onduidelijk was of alle schuldeisers bekend waren. Een minnelijk traject biedt dan geen totaaloplossing voor de schulden van mevrouw [appellante] .
(…)
Mocht het hoger beroep worden afgewezen dan zullen we alsnog het minnelijke traject opstarten.’
Mede gelet op de door rechtbank in haar (bestreden) vonnis genoemde stappen voor het kunnen doorlopen van een doeltreffend minnelijk traject, is met voorgaande ‘onderbouwing’ dat eerst het hoger beroep wordt afgewacht, naar het oordeel van het hof niet voldaan aan (de vereisten van) artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw. Ook dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep.
3.6.4.
Voorts is de communicatie met [appellante] zeer problematisch. Volgens de advocaat en de hulpverleners is het gezien het dialect (uit Niger) dat [appellante] spreekt onmogelijk om een tolk voor haar te vinden. Het hof zet daar vraagtekens bij, omdat [appellante] bij haar toelating tot Nederland als asielzoekster in ieder geval met iemand een interview moet hebben gehad. Zolang er geen tolk is, is sprake van een enorme taalbarrière. Daarnaast is sprake van psychische problematiek. Uit de stukken, door de advocaat en curator bevestigd ter zitting, blijkt dat de tijd in [plaats 1] - toen haar kinderen uit huis werden geplaatst en zij dakloos werd – voor [appellante] zeer traumatisch is geweest. Volgens de curator heeft zij hiervoor (EMDR-)
behandeling nodig, maar behandeling is tot nu toe niet gelukt vanwege de taalbarrière.