Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1568
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,936 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 juni 2025
Zaaknummer : 200.352.500/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/425608 / FA RK 24-3741
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.A. Knopper,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Deze zaak gaat over:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende merkt het hof aan:
De heer [de pleegvader] en
mevrouw [de pleegmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] afgewezen.
2.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de bestreden beschikking te wijzigen in dier voege dat er een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt vastgesteld van eenmaal per maand, een dag in het weekend van 12:00 uur tot 18.00 uur, dan wel een zorg- en contactregeling vast te stellen als het hof in goede justitie juist acht.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 april 2025, heeft de GI verzocht de vader in het ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Knopper;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de pleegouders.
2.5.
De raad is, met bericht van verhindering, niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2.6.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 23 april 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Feiten
3.1.
De vader en de moeder, [de moeder] , zijn de ouders van [minderjarige] . De moeder was van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.2.
[minderjarige] verblijft sinds januari 2013 bij de pleegouders.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2014 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige] . Daarbij is de GI benoemd als voogd.
3.4.
De moeder is op [datum] 2014 overleden.
3.5.
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2020 is vervangende toestemming verleend aan de vader om [minderjarige] te erkennen. Op 8 maart 2023 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats] een vermelding van erkenning opgemaakt.
3.6.
Sinds 2017 is er omgang tussen [minderjarige] en de vader, aanvankelijk eens per drie maanden begeleid. Sinds 2023 vindt er drie keer per jaar gedurende twee uur begeleide omgang plaats tussen [minderjarige] en de vader, op neutraal terrein en onder begeleiding van de GI.
Beoordeling
4.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het niet in het belang van [minderjarige] is om een omgangsregeling vast te leggen. De vader is zich ervan bewust dat hij lange tijd geen rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige] en dat er sinds 2017 minimaal contact heeft plaatsgevonden. De vader heeft in dat kader alle adviezen en restricties van de GI opgevolgd en heeft zich bereidwillig opgesteld om [minderjarige] de tijd te geven en te gunnen om haar vader te leren kennen en aan elkaar te wennen. Daarbij is hij zich bewust van het feit dat [minderjarige] opgroeit in een Nederlands gezin en dat de taalbarrière beperkend werkt. De vader heeft echter vanaf het moment dat hij in het leven van [minderjarige] is gekomen weerstand ervaren vanuit de GI. De GI heeft nooit het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] ondersteund en heeft daarna het contact tussen de vader en [minderjarige] minimaal gehouden. De vader is nooit op de hoogte gebracht van de reden waarom de regeling uiterst summier is. Hij heeft de bezwaren van de GI wat betreft de vaststelling of uitbreiding van de omgangsmomenten voor het eerst vernomen in aanloop naar de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Daarbij heeft de vader geen begeleiding gehad bij hoe hij met de situatie om moest gaan en hoe hij zich het beste kan opstellen richting [minderjarige] . De vader is geschrokken van de kennelijke weerstand van [minderjarige] . Die heeft hij niet zo ervaren en hij is hier ook nooit op aangesproken. De vader beschouwt de weerstand van [minderjarige] als ingegeven vanuit de situatie dat de GI de vader nooit heeft betrokken in de wijze waarop het contact tussen hem en [minderjarige] ook op de lange termijn bestendig zou zijn. De vader is bang dat de broze band met [minderjarige] zal verdwijnen als er niet meer contact komt. Daarin wenst hij iedere begeleiding die daarvoor nodig is aan te nemen. Ook wil hij onbegeleide omgang met [minderjarige] hebben, zodat hij zijn vaderrol beter kan vervullen. De vader acht het van belang dat de raad onderzoek doet naar de situatie van [minderjarige] en de vader, en met name naar de beweegredenen van [minderjarige] om zich niet open te willen stellen voor een uitbreiding van het contact met de vader. De vader begrijpt dat iedere maand omgang misschien te veel is, maar hij zou graag zien dat er drie of vier omgangsmomenten per jaar worden vastgelegd.
4.2.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] zit in de puberteit en is bezig met het zoeken naar en het ontwikkelen van een eigen identiteit. Dit vraagt veel van haar en haar omgeving. Ze krijgt (trauma)behandeling om ingrijpende dingen die ze heeft meegemaakt te verwerken en ondersteuning te ontvangen bij de kwesties waar ze zelf mee worstelt. Gezien haar leeftijd en situatie is het belangrijk dat een omgangsregeling ondersteunend is aan haar ontwikkeling en dat haar eigen visie hierin zwaarwegend is. De omgangsbegeleiding geeft aan dat het voor haar persoonlijkheidsontwikkeling belangrijk is dat [minderjarige] ervaart dat wat zij wenst in het contact met haar vader, leidend mag zijn. Het feit dat de regie over de omgang bij de GI ligt doet hier het meest recht aan omdat [minderjarige] op diverse vlakken volop in ontwikkeling is zodat dit een uitwerking kan hebben op wat goed voor haar is in contact met de vader. [minderjarige] weet dat de GI daarin beslissingen neemt en dat ze bij de GI terecht kan voor haar wensen hieromtrent. De GI is in staat om overkoepelend haar belang te behartigen, waarin naast de mening van [minderjarige] ook andere factoren meespelen in de afwegingen, zoals het verloop van de bezoeken en de draagkracht van [minderjarige] . Vooral op verzoek van [minderjarige] is de omgangsregeling destijds teruggebracht naar drie keer per jaar.
De GI maakt zich zorgen over het feit dat de vader geen ruimte lijkt te hebben voor de mening van [minderjarige] en deze mening ook niet lijkt te kunnen respecteren. De omgang met de vader is ingewikkeld voor [minderjarige] vanwege de taalbarrière en vanwege een gevoel van loyaliteit naar de vader dat ze tijdens het contact niet kan laten zien. [minderjarige] ervaart weinig aansluiting met de vader en ze ervaart zijn vragen als belastend. Ook is het voor haar lastig dat de vader een ‘nieuw’ gezin heeft en dat ze niet wordt meegenomen in de ontwikkelingen in zijn leven. [minderjarige] ervaart dat de vader soms druk uitoefent in de keuzes die ze moet maken, zoals het lezen van de Koran en het dragen van een hoofdoek. Dit roept weerstand bij haar op. [minderjarige] spreekt al langere tijd uit de bezoeken met de vader niet te willen en het is voor de pleegouders lastig om haar mee te krijgen naar de omgang. De pleegouders spannen zich hier voor in, omdat zij het contact tussen [minderjarige] en de vader belangrijk vinden. Ze bieden de vader ook de mogelijkheid om tussentijds kaartjes te sturen of te videobellen, maar hij maakt hier geen gebruik van.
Procesverloop
De bezoeken met de vader zijn altijd begeleid geweest en de vader heeft op geen enkel moment initiatief getoond tot het stellen van vragen over het contact of het vragen van advies over hoe het contact vorm te geven. De vader heeft zelf nagenoeg nooit gereageerd op de communicatie vanuit de GI en hij heeft zijn bezwaren slechts geuit via juridische procedures. De GI heeft na ontvangst van het inleidende verzoek tevergeefs gepoogd om met de vader en eventueel zijn advocaat in gesprek te komen. Ook na de mondelinge behandeling in eerste aanleg en de bestreden beschikking heeft de jeugdzorgwerker initiatief getoond tot een overleg met elkaar. Hier is ook geen reactie op gekomen.
De GI staat niet achter een onderzoek door de raad. Het is helder waar de weerstand van [minderjarige] vandaag komt. Een onderzoek zou enorm belastend zijn voor [minderjarige] . De kans is reëel dat dit averechts zal werken en dat er geen contactmogelijkheden meer zijn.
4.3.
De pleegouders voeren – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] vindt het moeilijk dat ze niet gehoord wordt. Ze is een puber en begint erachter te komen hoe haar leven is gelopen. Ze kan goed verwoorden dat ze al lang in het pleeggezin woont en dat haar moeder is overleden. Pas jaren later kwam de vader in haar leven. Ze heeft het gevoel dat ze door hem in de steek is gelaten toen hij wel naar de uitvaart van de moeder is gekomen, maar niet bij haar betrokken is gebleven. [minderjarige] heeft al zoveel verlies ervaren in haar leven dat ze het nu van haar afduwt. Dat gaat gepaard met boos en onrustig gedrag en het brengt weerstand voor de omgang. Ze probeert de omgangsregeling na te komen. [minderjarige] wil dat de omgang met de vader wordt begeleid. Voor de omgangsmomenten zet ze zich af. Dit heeft er een keer toe geleid dat ze is weggelopen en een kwartier kwijt is geweest. De pleegouders willen dat [minderjarige] contact met de vader heeft. Op dit moment laat [minderjarige] veel weerstand zien en heeft ze het gevoel dat niemand naar haar luistert. Die weerstand wordt door deze procedure steeds groter. De pleegouders zijn zich bewust van de loyaliteit die [minderjarige] mogelijk richting hen voelt en zij hebben daarom geregeld dat [minderjarige] met een behandelaar kan praten over haar wensen over de omgang. De traumabehandeling die [minderjarige] krijgt is zwaar voor haar en voor haar omgeving.
4.4.
Het hof overweegt als volgt.
4.4.1.
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
4.4.2.
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat er een omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld.
4.4.3.
[minderjarige] heeft in haar vroege leven veel meegemaakt. Het is fijn dat de vader betrokken wil zijn in haar leven. Het is echter van belang dat de vader inziet welke effecten dit contact heeft op [minderjarige] , gelet ook op de fase waarin zij zich bevindt. De GI heeft onbetwist naar voren gebracht dat op meerdere momenten is geprobeerd om in gesprek te komen met de vader over de omgangsregeling maar dat reactie hierop is uitgebleven.
[minderjarige] verblijft sinds ze heel jong is bij de pleegouders en het gaat goed met haar. Ze krijgt (trauma)behandeling en is, mede gelet op haar leeftijd, haar eigen identiteit aan het ontwikkelen. Hoewel het hiervoor belangrijk is dat ze haar vader (beter) leert kennen en ontdekt waar ze vandaan komt, moeten ook haar wensen hierin worden gehoord. [minderjarige] voelt richting zowel de pleegouders als de vader loyaliteit en vindt de invulling van de omgangsmomenten lastig. De GI en de pleegouders beschrijven een groeiende weerstand van [minderjarige] tegen de omgang met de vader en in de kindbrief van [minderjarige] aan het hof komt dit ook duidelijk naar voren. Door onderhavige procedure is deze weerstand zodanig vergroot dat de GI de omgangsmomenten mogelijk wil inperken en inschat dat [minderjarige] niet langer openstaat voor andere vormen van contact met de vader, zoals een kaartje of videobellen. Het vaststellen van een omgangsregeling zal er hoogstwaarschijnlijk in resulteren dat [minderjarige] een verdere weerstand of zelfs een afkeer gaat voelen richting de vader. Het hof acht dit niet in haar belang. [minderjarige] moet zich mede gelet op haar (trauma)behandeling gehoord en begrepen voelen en het gevoel hebben dat ze controle heeft op haar leven. Daarom is het belangrijk dat de GI de mogelijkheid behoudt om een omgangsregeling op maat te bepalen en steeds opnieuw kan toetsen wat mogelijk en haalbaar is voor [minderjarige] . Het vaststellen van een omgangsregeling is op dit moment dan ook niet in het belang van [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat de GI naar [minderjarige] blijft luisteren en waar mogelijk inzet op contact met de vader. Ook een nader raadsonderzoek naar de omgang acht het hof niet in het belang van [minderjarige] omdat dit mogelijk averechts zal werken gelet op haar weerstand.
4.3.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. van den Boogaard, E.J.M. van Engelen en A.M. Bossink en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. A.M. Bossink in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.