Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1567
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,583 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 juni 2025
Zaaknummer: 200.351.954/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/409588 / JE RK 24-1536
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. L. van der Steen,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , vestiging [vestiging] ,
verweerster in principaal en incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder.
advocaat: mr. F.P.J. Schraa.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift in principaal hoger beroep producties, ingekomen op 3 maart 2025;
het verweerschrift in principaal hoger beroep met productie van de GI, ingekomen op 17 april 2025;
het verweerschrift in principaal tevens inhoudende incidenteel hoger beroep met producties van de moeder, ingekomen op 18 april 2025;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties van de vader, ingekomen op 24 april 2025.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Van der Steen;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de moeder, bijgestaan door mr. Schraa.
2.2.1.
Namens de raad is, met bericht van verhindering van 17 april 2025, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.2.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter en de griffier hebben op 24 april 2025 buiten aanwezigheid van partijen en de belanghebbende met haar gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Feiten
3.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben het hoofdverblijf bij de moeder.
3.2.
De kinderen zijn bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is laatstelijk verlengd tot 18 mei 2025. De ondertoezichtstellingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn laatstelijk verlengd tot 18 januari 2026.
3.3.
Bij beschikking van 15 april 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 16 augustus 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald. De rechtbank heeft de zaak aangehouden wat betreft de zorgregeling met het verzoek aan de raad een onderzoek in te stellen inzake de zorgregeling en in afwachting van het onderzoek heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld.
3.4.
Bij beschikking van 6 juni 2023 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.
De vader en de kinderen zijn gerechtigd tot contact gedurende:
- twee weekenden per vijf weken van vrijdag 15.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij
de vader de kinderen op vrijdag ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen op
zondag bij de vader ophaalt;
- gedurende de helft van de vakanties, met dien verstande dat:
o begin- en eindweekend horen bij de vakanties, de kinderen gaan dus aan
begin van de vakantie op vrijdag 15.30 uur naar de vader en komen terug bij
de moeder op zondag 19.00 uur;
o vakanties van een week naar een ouder, langere vakanties delen in twee
gelijke delen;
o bij vakanties van langer dan een week het middelste weekend delen, door
ophalen/brengen op zaterdag 18.00 uur;
o zomervakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken van
de schoolvakantie bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder, in de
even jaren omgekeerd;
o herfstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen bij hun moeder, in de
even jaren bij hun vader;
o kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de
moeder en de tweede week bij de vader (in 2023 dus week 52 bij de moeder en
week 1 van 2024 bij de vader), in de even jaren omgekeerd;
o voorjaarsvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen bij de vader in de
even jaren bij de moeder;
o meivakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader
en de tweede week bij de moeder, in de even jaren omgekeerd;
- tijdens feestdagen en bijzondere dagen:
o extra zondagen van Pasen, Pinksteren en Kerstmis horen bij dat weekend.
De kinderen blijven dan bij dezelfde ouder. Eventuele overdracht op
maandag/tweede zondag 18.00 uur;
o voor alle andere bijzondere dagen en verjaardagen geen afwijkingen van het
reguliere rooster.
3.5.
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, van 22 september 2023 heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de vader veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals deze is vastgesteld in de beschikking van 6 juni 2023, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en tot een maximum van € 7.500,00.
Procesverloop
3.6.1.
De GI heeft bij verzoekschrift van 29 oktober 2024 de rechtbank het volgende verzocht:
1. op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt te wijzigen en te bepalen dat:
- de vader en de moeder in hun woning afscheid nemen van de kinderen, waarna de kinderen zelfstandig en gezamenlijk naar de ouder lopen die de kinderen ophaalt;
- wat in de beschikking d.d. 6 juni 2023 over de ophaaltijd op vrijdag is bepaald te wijzigen in die zin dat de vader de kinderen met ingang van 1 februari 2025 op vrijdag om 17.00 uur ophaalt bij de moeder op haar woonadres te [woonplaats] , een en ander voor zover de schade in de woning van de moeder in [woonplaats] weer is hersteld.
2. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.6.2.
De vader heeft verzocht om de verzoeken van de GI af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek heeft hij verzocht om de op 6 juni 2023 vastgestelde zorgregeling als volgt te wijzigen:
primair:
- dat de kinderen twee weekenden per vijf weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag
19.00
uur bij hem verblijven, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag naar hem brengt en hij de kinderen op zondag terugbrengt naar de moeder;
- zomervakantie: de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken van de
schoolvakantie bij de vader verblijven en de laatste drie weken bij de moeder, en in
de even jaren omgekeerd;
- de kinderen in de herfstvakantie, kerstvakantie, voorjaarsvakantie en meivakantie
gedurende maximaal drie dagen per week bij de vader verblijven;
- tijdens de feest- en bijzondere dagen:
o extra zondagen van Pasen, Pinksteren en Kerstmis horen bij dat weekend.
De kinderen blijven dan bij dezelfde ouder. Eventuele overdracht op
maandag / tweede zondag 18.00 uur;
o voor alle andere bijzondere dagen en verjaardagen geen afwijkingen van het
reguliere rooster.
subsidiair:
te bepalen dat hij op basis van het vonnis van 22 september 2023 geen dwangsom zal verbeuren.
Kosten rechtens.
3.6.3.
De moeder heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, om bij beschikking de verzoeken
van de GI en de vader af te wijzen.
Bij zelfstandig verzoek heeft de moeder verzocht om, in geval van wijziging van de zorgregeling, de vader te verplichten zich te houden aan de zorgregeling zoals vast te stellen in de door de rechtbank te geven beschikking, waarbij de vader een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel moet betalen voor iedere keer dat hij niet voldoet aan deze beschikking.
3.7.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank de voornoemde beschikking van 6 juni 2023 ten aanzien van de daarin vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en als volgt bepaald:
- de kinderen verblijven twee weekenden per vijf weken bij de vader, waarbij de
vader de kinderen op vrijdag om 18.30 uur ophaalt bij de moeder en de moeder de
kinderen op zondag om 19.00 uur bij de vader ophaalt. De overdracht van de
kinderen dient plaats te vinden op de wijze zoals beschreven in rechtsoverweging
5.7.
in deze beschikking.
De rechtbank heeft verder bepaald dat de vader dient mee te werken aan deze zorgregeling, zulks op verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vader niet meewerkt aan de uitvoering van de voornoemde regeling, zulks met een maximum van € 7.500,00.
Het meer of anders verzochte is door de rechtbank afgewezen. Dit betreft, voor zover van belang in hoger beroep, de verzoeken van de vader en GI ten aanzien van de aanvangstijd van de zorgregeling en het verzoek van de vader tot wijziging van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Verder zijn de bestaande afspraken over de overdracht en het halen en brengen niet aangepast.
Procesverloop
3.8.
De vader en de moeder kunnen zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij zijn hiervan ieder in respectievelijk principaal hoger beroep en incidenteel in hoger beroep gekomen.
3.9.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
I hij geen dwangsom verbeurt ter zake van de tussen hem en de kinderen geldende zorgregeling; en
II de kinderen gedurende de helft van de zomer- kerst- en meivakantie bij hem verblijven.
Kosten rechtens.
3.10.
De GI voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de wijziging betreft van de beschikking van de rechtbank van 6 juni 2023 ten aanzien van de daarin vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij is bepaald dat de kinderen twee weekenden per vijf weken bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen op vrijdag om 18:30 uur ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen op zondag om 19:00 uur bij de vader ophaalt. De overdracht van de kinderen dient plaats te vinden op de wijze zoals beschreven in rechtsoverweging 5.7. (in de bestreden beschikking).
3.11.
De moeder voert verweer en verzoekt het hoger beroep van de vader en de gronden daarvan af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
de kinderen gedurende twee weekenden per vijf weken bij de vader verblijven waarbij de vader de kinderen op vrijdag om 15:30 uur ophaalt bij de buitenschoolse opvang / school en om 15:30 uur bij de moeder ingeval de kinderen geen school hebben op die dag en niet bij de buitenschoolse opvang verblijven, en te bepalen dat de moeder de kinderen op zondag om 19:00 uur ophaalt bij de vader, waarbij de vader de kinderen naar de auto van de moeder brengt;
de vader dient mee te werken aan voormelde zorgregeling, zulks op verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vader niet meewerkt aan de uitvoering van voornoemde regeling, zulks met een maximum van € 7.500,00.
3.12.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder in incidenteel hoger beroep verzoekt het hof de grieven van de moeder af te wijzen.
Motivering
3.13.
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling op basis van artikel 1:265g lid 1 BW op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Op grond van lid 2 van dat artikel kan deze regeling gewijzigd worden op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uit het derde lid van artikel 1:265g BW volgt dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, een vastgestelde zorgregeling geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a BW.
Reguliere zorgregeling: aanvangstijdstip / afhaallocatie
3.14.
De moeder is het niet eens met het aanvangstijdstip van de reguliere zorgregeling op de vrijdag om 18:30 uur. Zij wil dat de vader de kinderen op vrijdag al om 15:30 uur ophaalt.
Van de vader mag verwacht worden dat hij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dan komt halen; de kinderen gingen immers voorheen ook op dat tijdstip vanuit de buitenschoolse opvang (BSO) naar de vader. Bovendien geeft dit de kinderen meer tijd om op de vrijdag te acclimatiseren. Daarbij komt dat de moeder op vrijdag vaak coalitievergaderingen heeft, een vroeger aanvangstijdstip van de zorgregeling geeft haar meer rust.
Ze vindt het ook voor de kinderen beter wanneer de vader hen bij de BSO of school komt halen. De kinderen zijn dan minder gespannen. Ze heeft verder ervaren dat de vader het bepaalde in rechtsoverweging 5.7. van de bestreden beschikking niet nakomt en in de auto blijft zitten wanneer hij de kinderen bij haar komt halen. Dit maakt de kinderen, wanneer de partner van de vader er niet bij is, zenuwachtig.
Omdat de behoefte van [minderjarige 1] , gelet op haar leeftijd, anders is acht de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] een maatwerkafspraak van belang.
3.15.
De GI heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat de GI het belangrijk vindt dat er zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat en wijzigingen worden beperkt. Destijds is verzocht om 18:30 uur als uitgangspunt te nemen in verband met het rooster van [minderjarige 1] . De GI vindt dit nog steeds een geschikt tijdstip.
3.16.
De vader meent dat de rechtbank terecht als aanvangstijdstip op vrijdag 18:30 uur heeft bepaald. Doorslaggevend was het schoolrooster van [minderjarige 1] ; zij moet op vrijdag tot 16:30 uur naar school. Het is onpraktisch en niet haalbaar dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] om 15:30 uur door de vader worden opgehaald en [minderjarige 1] dan zelfstandig (met het openbaar vervoer) naar de vader moet reizen. De vader betwist dat hij zich voor wat betreft het ophalen van de kinderen niet houdt aan hetgeen daarover in de beschikking waarvan beroep is bepaald.
3.17.
Het hof overweegt als volgt.
3.17.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, rekening houdend met de reisafstand van de vader en het schoolrooster van [minderjarige 1] , de aanvangstijd op 18:30 uur vastgesteld.
Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken is gebleken dat er aan de kant van de moeder gelet op haar werkzaamheden als gemeenteraadslid geen feitelijk probleem speelt op de vrijdagmiddag en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] die middag in beginsel naar de BSO gaan. Verder is [minderjarige 1] op vrijdag tot 16:30 uur op school. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om het aanvangstijdstip te wijzigen en wijst het verzoek van de moeder in het incidenteel hoger beroep af. Gebleken is dat de overdrachtsmomenten op vrijdag om 18:30 uur in de afgelopen periode doorgaans goed zijn verlopen. Dit tijdstip geeft [minderjarige 1] bovendien de tijd om vanuit school thuis te acclimatiseren en haar spullen te pakken. De drie kinderen kunnen dan nog samen met de moeder eten voordat ze bij de vader in de auto stappen. Tot slot overweegt het hof dat ze op dit tijdstip geen last hebben van files en de autorit niet onnodig langer duurt.
Zorgregeling voor de vakanties
3.18.
De vader voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling met betrekking tot de schoolvakanties (met uitzondering van de zomervakantie) heeft afgewezen. Een wijziging van de vakantieregeling is noodzakelijk. De vader is met zijn jaarlijkse verlofuren (180 uur in totaal) niet in staat om de helft van alle schoolvakanties vrij te nemen. Hij komt structureel 50 verlofuren te kort komt om alle vakanties op te vangen. Daarbij komt dat zijn werkgever niet alle verlofaanvragen goedkeurt vanwege onderbezetting. De vader vreest voor zijn baan omdat hij niet vaker weg kan zijn van zijn werk. Hij stelt daarom voor de tweeweekse schoolvakanties én de zomervakantie bij helfte tussen de ouders te verdelen.
3.19.
De GI vindt het van belang dat, ingeval er een wijziging wordt vastgesteld, er zo concreet mogelijke afspraken worden gemaakt, waarbij het duidelijk is op welke manier het halen en brengen van de kinderen is geregeld.
3.20.
De moeder voert aan dat er geen sprake is van een zwaarwegende omstandigheid aan de kant van de vader. De ouders hebben immers het gezamenlijk gezag en daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid over de kinderen. Dat betekent dat wanneer de kinderen tijdens de vakantieperiode bij de vader verblijven en hij niet in staat is om vrij te nemen, het zijn verantwoordelijkheid is om te zorgen voor de opvang van de kinderen. Daarbij komt dat het voor moeders’ gezondheid noodzakelijk is dat zij de zorg kan delen met de vader. Tot slot is de reguliere zorgregeling tussen de vader en de kinderen beperkt en vindt de moeder het belangrijk dat de kinderen tijdens de schoolvakanties de helft van de tijd bij hun vader doorbrengen.
3.21.
Het hof overweegt als volgt.
3.21.1.
Vaststaat dat de vader werkt volgens een doorlopend rooster en met een terugkerende cyclus van vijf weken wisselende diensten heeft. Evident is dat dit rooster, omdat de vader tijdens deze cyclus ook nachtdiensten heeft en hij hierdoor dan een tijdspanne van veertien uur achtereen van huis is, voor problemen zorgt in de vakanties (niet zijnde de kerst - mei en zomervakantie). Hij is dan niet beschikbaar voor de kinderen. Een oplossing in de vorm van BSO of andere opvang kan niet worden geregeld omdat het met name gaat om uren in de avond en de nacht. Verder begrijpt het hof dat de vader voor die momenten geen beroep kan doen op zijn netwerk. Een wijziging ten aanzien van de zorgregeling tijdens de vakanties (niet zijnde de kerst -mei en zomervakantie) is daarom noodzakelijk.
Hoewel de ouders tijdens de mondelinge behandeling van het hof hebben aangegeven open te staan voor afwijking van de eerder door de rechtbank bepaalde vakantieregeling, is ook gebleken en door de GI bevestigd dat meermalen is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Van belang is dat er daarom, zoals de GI ook bepleit, een duidelijke regeling komt.
3.21.2.
Het hof zal gelet op het voorgaande de beschikking van 4 december 2024 vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader tot wijziging van de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties en de in de beschikking van 6 juni 2023 opgenomen regeling wijzigen.
Conclusie
3.26.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover het de aan de vader opgelegde dwangsom betreft en voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling tijdens de vakanties (niet zijnde de kerst-, mei- en zomervakantie) betreft. Het hof zal de beschikking van 6 juni 2023 ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedurende de helft van de vakanties wijzigen.
Proceskosten
3.27.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2024, doch uitsluitend voor zover het de aan de vader opgelegde dwangsom betreft en voor zover daarbij het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling gedurende de vakanties is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juni 2023 voor zover het betreft de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de kinderen gedurende de helft van de vakanties;
stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ), [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ), gedurende de helft van de vakanties als volgt vast:
het begin- en het eindweekend horen bij de vakanties, de kinderen gaan aan het begin van de vakantie op vrijdag om 18.30 uur naar de vader en komen terug bij de moeder op zondag om 19.00 uur;
bij vakanties van één week verblijven de kinderen bij één ouder, de langere vakanties delen in twee gelijke delen;
bij vakanties van langer dan een week het middelste weekend delen, door ophalen/brengen op zaterdag 18.00 uur;
wanneer de vader in een vakantieperiode (anders dan de kerst-, mei- of zomervakantie) nachtdienst heeft en niet beschikbaar is voor de kinderen, verblijven de kinderen bij de moeder;
zomervakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken van de vakantie bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder, in de even jaren is dat omgekeerd;
herfstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen bij de moeder, in de even jaren bij de vader;
kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader en in de even jaren omgekeerd;
voorjaarsvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
meivakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in de even jaren omgekeerd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens, K.A. Boshouwers en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.