Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1566
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,490 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 juni 2025
Zaaknummer : 200.347.553/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11092382 en 11092388
in de zaak in hoger beroep van:
[de betrokkene]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz,
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
[de bewindvoerder / mentor]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder of de mentor,
[belanghebbende 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 1] .
[belanghebbende 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 2] .
[belanghebbende 3]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 3] .
[belanghebbende 4]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 4] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot opheffing van het bewind en mentorschap afgewezen.
2.2.
De betrokkene kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2024, heeft de betrokkene verzocht voormelde beschikking te vernietigen en zijn inleidende verzoek alsnog toe te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de betrokkene, bijgestaan door mr. Glenz;
de bewindvoerder/mentor.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier met bijlage van 9 april 2025 namens de betrokkene, ingekomen op 11 april 2025;
het V6-formulier met bijlage d.d. 17 april 2025 namens de betrokkene.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 mei 2015 is de betrokkene wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gesteld.
3.2.
Bij beschikking van de rechtbank van 10 december 2021 is de ondercuratelestelling per 1 januari 2022 opgeheven en is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is een mentorschap ingesteld.
Beoordeling
4.1.
De betrokkene voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat de onderbewindstelling en het mentorschap nog steeds noodzakelijk zijn omdat de druk bij de betrokkene hierdoor wordt weggehouden. De betrokkene ervaart meer druk van het bewind en mentorschap dan wanneer hier geen sprake van zou zijn. Het altijd aan de bel moeten trekken trekt een zware wissel op het leven van de betrokkene. De betrokkene woont zelfstandig en dit vergroot zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden en financiën. Er is sprake van een positieve ontwikkeling in het zelfvertrouwen, assertiviteit en het aangeven van grenzen, zoals blijkt uit de brief van 3 februari 2023 waarin naar voren komt dat de betrokkene zijn behandeldoelen heeft bereikt en ziekte-inzicht heeft. De betrokkene is gestart met een cursus boekhouden waarbij zijn inzicht en overzicht met betrekking tot financiën wordt vergroot. De betrokkene begrijpt dat hij financiële grenzen moet stellen, geld moet reserveren voor onvoorziene omstandigheden en niet moet besteden aan de kinderen. De betrokkene is in staat om zijn budget te overzien en zaken te regelen. Aan één kind heeft hij vanuit zijn budget een lening toegekend en duidelijk aangegeven dat deze lening moet worden terugbetaald. Dit is inmiddels ook gebeurd. De betrokkene heeft hier toezicht op gehouden. De betrokkene begrijpt dat eerst de vaste lasten moeten worden voldaan, waaronder een post onvoorzien, alvorens geld te besteden aan andere uitgaven.
Ook heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de betrokkene geen besef heeft van zijn beslissingen aangaande zijn gezondheid. De betrokkene bezoekt regelmatig de huisarts. De behandeling bij [instantie 1] is beëindigd omdat de behandeldoelen waren behaald. De betrokkene heeft duidelijk inzicht in zijn medische gesteldheid en weet welke wegen hij moet behandelen. Zo is de betrokkene na een terugval uit eigen beweging gestopt met het gebruik van cannabis. De structurele begeleiding via [instantie 2] is per 29 september 2024 beëindigd.
4.2.
De bewindvoerder/mentor voert – samengevat – het volgende aan. Het klopt dat de betrokkene van ver komt en heeft leren omgaan met zijn diagnose, maar hij is niet in staat zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Een voorbeeld hiervan is dat de betrokkene na het overlijden van de ex-echtgenote een brief van de Sociale Verzekeringsbank heeft ontvangen over dat hij mogelijk aanspraak maakt op kinderbijslag en kindgebonden budget voor zijn nog minderjarige dochter [dochter] . Ondanks dat [dochter] elders woont heeft de betrokkene hier mogelijk recht op. De betrokkene loopt vast met het invullen van de formulieren hiertoe maar levert, ondanks herhaaldelijk verzoek hiertoe, niet de juiste informatie aan de bewindvoerder aan om het te laten doen. Hierdoor loopt de betrokkene veel geld mis, terwijl het ook belangrijk is dat hij op financieel gebied zijn verantwoordelijkheid neemt richting zijn dochter.
De betrokkene heeft het traject bij [instantie 2] afgerond. De mentor heeft af en toe contact met de huisarts. Enkele maanden geleden heeft de betrokkene de praktijkondersteuner van de huisarts benaderd. Hij heeft daarnaast nog zelf een andere zorgverlener benaderd. De mentor was hier niet van op de hoogte en omdat het niet goed was geregeld werd voor deze zorg niet betaald. Het is belangrijk dat de betrokkene goede begeleiding krijgt, maar de mentor dient te weten wat de betrokkene nodig heeft. De betrokkene laat begeleiding niet toe. Hij heeft op eigen initiatief tegen het advies van [instantie 1] en de mentor in het adres gewijzigd waar hij zijn medicatie moet ophalen. [instantie 1] vindt het belangrijk dat dit op hun kantoor gebeurt, zodat zij een controlemoment hebben waarbij zij de betrokkene zien. De mentor heeft dit derhalve teruggedraaid. De betrokkene kan erg in de stress raken door uitslagen van de huisarts, terwijl daar geen aanleiding toe is. De mentor is dan nodig om een terugkoppeling en een goede uitleg te geven.
4.3.
Het hof overweegt als volgt.
4.3.1.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 respectievelijk 1:462 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind en het mentorschap opheffen indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind en mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder respectievelijk mentor of degene die gerechtigd is het bewind en het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 respectievelijk 1:451 BW, alsmede ambtshalve.
4.3.2.
Naar voren is gekomen dat de betrokkene in de afgelopen jaren stappen heeft gezet en behandelingen heeft afgerond. Dat de betrokkene binnen zijn diagnose behandeldoelen heeft bereikt en zelfstandig woont betekent echter niet zonder meer dat hij zelfstandig zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen kan behartigen. Hiertoe zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en gebleken. De betrokkene heeft nog wekelijks begeleiding van [instantie 1] en overziet zijn (financieel) handelen onvoldoende. Zo laat hij door het niet verschaffen van informatie over de (woon)situatie van zijn dochter geld liggen, omdat hierdoor geen kinderbijslag en kindgebonden budget kan worden aangevraagd. Daarbij heeft de mentor onbetwist naar voren gebracht dat de betrokkene de mentor nodig heeft om - bijvoorbeeld - informatie van de huisarts op de juiste manier te begrijpen en te verwerken. De betrokkene heeft voorts tegen het advies van de begeleiders van [instantie 1] de locatie waar hij zijn medicatie kan ophalen gewijzigd en houdt zich daarmee niet aan de gegeven adviezen.
De betrokkene heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak voor een onderbewindstelling en een mentorschap niet meer bestaat omdat hij zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig of met hulp uit zijn directe netwerk behoorlijk kan behartigen. De betrokkene dient zijn zelfredzaamheid eerst aan te tonen alvorens het bewind en mentorschap kan worden opgeheven. Voorts is niet gebleken dat voortzetting van het bewind of mentorschap niet zinvol is gebleken.
4.4.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 juli 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.J.M. van Engelen en A.C. van den Boogaard en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025 in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.