Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:1512
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
2,532 tokens
Inleiding
Wrakingskamer
Parketnummer : [parketnummer]
Wrakingsnummer : 200.353.244/01
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gehouden op 9 april 2025 te 9:00 uur, in de zaak van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
huidig BRP-adres: [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
strekkende tot wraking van mrs. R.G.A. Beaujean (voorzitter), Y.G.M. Baaijens-van Geloven en A.C. van der Schans, raadsheren van de meervoudige strafkamer van dit hof.
Tegenwoordig:
mr. J.W. van Rijkom, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. A.L. Bervoets,
mr. A.S. van Middelkoop en mr. N. van Abeelen, griffiers.
Verschenen zijn:
mr. R.G.A. Beaujean,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven,
mr. A.C. van der Schans,
mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen de verzoeker uitroepen.
De verzoeker is niet verschenen.
De voorzitter deelt het volgende mede:
De verzoeker heeft bij e-mail van 8 april 2025 om 14:15 uur aan de strafgriffie van het hof medegedeeld dat hij de meervoudige strafkamer van het hof, bestaande uit de raadsheren, mrs. Beaujean, Baaijens-van Geloven en Van der Schans wraakt wegens de schijn van kennelijke vooringenomenheid. Van de voorzitter van de meervoudige strafkamer, mr. Beaujean, is op 8 april 2025 om 15:44 uur een verklaring wel/niet berusten ontvangen. Hieruit volgt dat mr. Beaujean niet berust in het wrakingsverzoek.
De raadsheren mrs. Baaijens-van Geloven en Van der Schans verklaren dat zij evenmin berusten in het wrakingsverzoek, ingediend op 8 april 2025 door de verzoeker.
De voorzitter deelt het volgende mede:
De verzoeker heeft verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak ter terechtzitting van het hof op 9 april 2025. De strafkamer van het hof heeft de verzoeker per e-mail laten weten dat het verzoek om uitstel ‘wegens ernstige gezondheidsproblemen’ niet is onderbouwd, dat het hof geen aanleiding ziet om op voorhand aan te kondigen dat de behandeling van de strafzaak opnieuw zal worden uitgesteld en dat ter terechtzitting van 9 april 2025 op het aanhoudingsverzoek zal worden beslist. Vervolgens is op 8 april 2025, per e-mail, een wrakingsverzoek door de verzoeker ingediend. Door de coördinator van de wrakingskamer is bij e-mail van 8 april 2025 aan de verzoeker medegedeeld dat het wrakingsverzoek door de wrakingskamer zal worden behandeld op 9 april 2025 om 09:00 uur. Dit heeft geresulteerd in een wrakingsverzoek strekkende tot wraking van de wrakingskamer, ingekomen op 8 april 2025 om 18:09 uur. Het wrakingsverzoek strekkende tot wraking van de wrakingskamer is hedenmorgen in raadkamer behandeld. De beslissing in raadkamer luidt dat het wrakingsverzoek strekkende tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling is gesteld wegens evident misbruik van het recht. Deze beslissing zal schriftelijk worden vastgelegd en daarvan ontvangt u te zijner tijd mededeling. Gelet hierop gaat de wrakingskamer nu over tot inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek strekkende tot wraking van de raadsheren, mrs. Beaujean, Baaijens-van Geloven en Van der Schans.
De voorzitter geeft het woord aan mr. Beaujean die hierop het volgende verklaart:
De verzoeker heeft, zoals u zojuist opmerkte, een aanhoudingsverzoek ingediend. Daarop is gereageerd met de mededeling dat ter terechtzitting van 9 april 2025 op het aanhoudingsverzoek zal worden beslist. Er was voor ons geen aanleiding om het aanhoudingsverzoek reeds op voorhand toe te wijzen. De verzoeker had aangevoerd dat sprake was van ernstige gezondheidsproblemen, maar had dit niet verder toegelicht. Daarom is in de reactie op het aanhoudingsverzoek aangegeven dat een onderbouwing van de gestelde ernstige gezondheidsklachten ontbreekt. Vervolgens zijn door de verzoeker diverse e-mails gestuurd waarin door ons geen aanleiding werd gezien om te reageren. Op het aanhoudingsverzoek zal vandaag worden beslist. In zijn reactie geeft de verzoeker aan dat hij lang op een reactie op het aanhoudingsverzoek heeft moeten wachten. De oorzaak daarvan was gelegen in het feit dat wij nog in afwachting waren van het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het aanhoudingsverzoek. Dat standpunt kwam op 3 april 2025. Vervolgens is een reactie op het aanhoudingsverzoek van de verzoeker gestuurd. Ik merk desgevraagd op dat het aanhoudingsverzoek van de verzoeker op 30 maart 2025 is ingediend en dat daarop op 3 april 2025 is gereageerd.
In aanvulling hierop verklaart mr. Baaijens-van Geloven het volgende:
In de reactie op het aanhoudingsverzoek van de verzoeker is erop gewezen dat de verzoeker de mogelijkheid heeft zijn aanhoudingsverzoek ter terechtzitting nader te onderbouwen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat wordt beslist dat de strafzaak tegen de verzoeker alsnog zal worden aangehouden. Er is niet medegedeeld aan de verzoeker dat de behandeling van de strafzaak niet zal worden aangehouden.
De voorzitter merkt het volgende op:
In het procesdossier in de strafzaak tegen de verzoeker zit een doktersverklaring van 2 december 2024: “Verklaring op verzoek van patiënt voor de rechtbank: bovengenoemde patiënt kan om medische redenen niet voor de rechtbank verschijnen.”. Deze verklaring is ingediend naar aanleiding van een eerder aanhoudingsverzoek van de verzoeker. Uit die verklaring valt niet af te leiden wat de oorzaak is van de ernstige gezondheidsklachten bij de verzoeker en evenmin hoe lang die ernstige gezondheidsklachten (voort)duren. Die verklaring is van december 2024 en zegt dus niets over de toestand in april 2025.
Hierop verklaart mr. Beaujean het volgende:
Deze doktersverklaring ziet op de procedure bij het hof. De verzoeker heeft reeds eerder aanhoudingsverzoeken ingediend. Ik vraag me af of het nodig is om inhoudelijk in te gaan op het aanhoudingsverzoek. Er is medegedeeld dat het hof ter terechtzitting zal beslissen op het aanhoudingsverzoek, mede gelet op wat in de periode na het laatste aanhoudingsverzoek is gebeurd. Er is dus nog geen inhoudelijke beslissing op het aanhoudingsverzoek.
Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter zitting voor beraad.
Na een korte onderbreking hervat de voorzitter het onderzoek ter zitting en deelt mede als
Dictum
1. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 14, lid 1, IVBPR dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3. De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek ziet op de beslissing van de meervoudige strafkamer om niet reeds op voorhand op het aanhoudingsverzoek van de verzoeker te beslissen. De wrakingskamer is van oordeel dat deze beslissing moet worden aangemerkt als een rechterlijke (tussen)beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (tussen)beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, zelfs niet als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
4. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de meervoudige strafkamer om niet reeds op voorhand op het aanhoudingsverzoek van de verzoeker te beslissen, althans (het ontbreken van) de motivering daarvan, geen blijk heeft van (de schijn van) vooringenomenheid. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
Het hof (de wrakingskamer):
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, de advocaat-generaal en de raadsheren, mrs. R.G.A. Beaujean, Y.G.M. Baaijens-van Geloven en A.C. van der Schans.
De voorzitter sluit het onderzoek ter zitting van de wrakingskamer.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.
Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, r.o. 3.3 en 3.4.