Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:1511
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Verschoning
1,375 tokens
Dictum
op het schriftelijke verzoek zich te mogen verschonen als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
mr. B.E.L.J.C. Verbunt,
raadsheer in het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, team handelsrecht,
hierna: verzoeker,
belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer [zaaknummer] (de hoofdzaak) van:
[appellant] h.o.d.n. [naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant
advocaat: mr. K.S. Loilargosain,
tegen
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.E. Polet.
1Het procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft bij e-mail van 7 april 2025 onder opgave van redenen verzocht zich in de hoofdzaak te mogen verschonen.
1.2.
De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege kan blijven. Het verzoek is op 7 april 2025 in raadkamer behandeld.
Motivering
2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat hij met advocaat mr. J.E. Polet (hierna: mr. Polet) ongeveer twintig jaar aan hetzelfde advocatenkantoor verbonden is geweest en in dat verband veelvuldig met mr. Polet heeft samengewerkt. Verzoeker heeft bovendien aangevoerd dat uit deze samenwerking een persoonlijke vriendschap is ontstaan die tot op heden voortduurt. De vriendschap moet volgens verzoeker als hecht worden gekwalificeerd, blijkend uit geregelde ontmoetingen en gesprekken in de privésfeer. Verzoeker is op grond van het voorgaande van mening dat sprake is van omstandigheden die objectief aanleiding geven te vrezen dat hij als raadsheer niet onpartijdig zal zijn.
2.2.
Ingevolge artikel 40, lid 1, jo. artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Vooropgesteld wordt dat een rechter uit hoofde van de aanstelling als rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 14, lid 1, IVBPR, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag of er reden kan zijn voor verschoning moet aldus worden beoordeeld aan de hand van een subjectieve toets, waarbij het gaat om de persoonlijke overtuiging van een rechter in een bepaalde zaak, en aan de hand van een objectieve toets, waarbij moet worden vastgesteld of bij een partij de vrees voor partijdigheid van een rechter kan ontstaan, rekening houdend met de uiterlijke schijn.
2.3.
In de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak van januari 2014 is als aanbeveling 2 opgenomen:
“De rechter zorgt ervoor geen zaak te behandelen waarbij als procespartij iemand uit zijn persoonlijke of zakelijke kennissenkring betrokken is.
Wanneer een overige procesdeelnemer behoort tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter, kan dit deze rechter noodzaken tot het niet behandelen van die zaak.”
2.4.
Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen
voor het oordeel dat verzoeker – subjectief - niet onpartijdig is. Vervolgens dient te
worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende
aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid
schade zou kunnen lijden – objectief - gerechtvaardigd is. Hiervan is naar het oordeel van
de verschoningskamer wel sprake. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat
als gevolg van de door hem geschetste feiten en omstandigheden, zoals hiervoor in
rechtsoverweging 2.1 uiteengezet, de schijn kan bestaan dat het hem aan onpartijdigheid zal
ontbreken. De verschoningskamer wijst in dit kader op de in rechtsoverweging 2.3 opgenomen aanbeveling.
2.5.
Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de verschoningskamer een
gerechtvaardigde grond voor het verschoningsverzoek. De verschoningskamer zal dat
verzoek dan ook toewijzen. Dit betekent dat de behandeling van de hoofdzaak aan een
andere raadsheer dan verzoeker moet worden toegedeeld.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot verschoning toe;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond
ten tijde van het verschoningsverzoek door een kamer van dit hof waarvan verzoeker geen
deel uitmaakt;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de overige raadsheren van de behandelend kamer in de hoofdzaak mrs. J.M.H. Schoenmakers en J.M.W. Werker en de partijen in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. P.M. Arnoldus - Smit en mr. J.M. van der Vegt, bijgestaan door mr. E. Royakkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2025.