Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:1509
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
2,114 tokens
Dictum
gegeven op het schriftelijk verzoek van 10 maart 2025 als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), voorafgaand ingediend aan de openbare terechtzitting, gepland op 14 maart 2025, in de zaak met parketnummer [parketnummer] , aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, van:
[verzoeker]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
wonende te [postcode] [woonplaats] , aan [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot wraking van mrs. A.R. Hartmann, A.J. Henzen en P.J.D.J. Muijen (hierna: de raadsheren).
1Het procesverloop
1.1.
Op 14 maart 2025 van 09.00 uur tot 09.45 uur staat de behandeling van de strafzaak van verzoeker gepland. De meervoudige strafkamer van dit hof, bestaande uit voornoemde raadsheren, zullen dit hoger beroep behandelen.
1.2.
Op 10 maart 2025 heeft verzoeker de Wrakingskamer het volgende e-mailbericht gestuurd:
“Hallo, komende vrijdag is er een zitting, hoger beroep waarbij ik ben opgeroepen. Ik wil hierbij alle 3 de betrokken rechters vooraf wraken vanwege partijdigheid.”
1.3.
Verzoeker is door het secretariaat van de wrakingskamer schriftelijk bericht dat zijn verzoek geen feiten en/of omstandigheden bevat ex artikel 1 lid 4 van het Wrakingsprotocol. De wrakingskamer heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen en alsnog feiten en/of omstandigheden in te dienen waar de wraking op ziet. Hierop heeft verzoeker de wrakingskamer op 10 maart 2025 nog twee afzonderlijke e-mailberichten gestuurd.
1.4.
De wrakingskamer heeft het verzoek vervolgens in behandeling is genomen. De wrakingskamer heeft het verzoek, zonder daartoe een zitting te hebben gelast, in raadkamer behandeld en bepaald dat op het verzoek zal worden beslist.
2Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot wraking de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd in zijn twee e-mailberichten waarbij de wrakingskamer de inhoud van beide e-mailberichten letterlijk weergeeft:
- E-mailbericht van 10 maart 2025 om 16.56 uur:
“De feiten zijn dat de rechters aantoonbaar partijdig zijn vanwege het volgende argument:
Ten eerste heb ik geen toestemming gegeven of anderszins een overeenstemming getekend waarbij ik afstand doe van mijn autoriteit aan de staat, de monarchie of welke externe partij dan ook. Feitelijk is dus dat niet bewezen kan worden dat ik toestemming heb gegeven dat de autoriteit van de koning op mij van toepassing is. Dat de koning deze meent te hebben en zich is al in deze hoedanigheid gedraagt is trouwens wel een strafbaar feit. Het maakt namelijk inbreuk op mijn priveleven ongevraagd en zonder toestemming. Daarnaast blijkt uit een woo verzoek dat de gratie gods waarop de koning zijn autoriteit kan beroepen feitelijk niet bestaat. Volgens [adviseur] adviseur van het wef is monarchie, de staat en landen enkel een mentale constructie en realiteit.
Gezien deze bijdrage is het duidelijk dat de betrokken rechters feitelijk partijdig zijn namelijk ten dienste van hun werkgever en, het instituut de kroon en de staat, en ik op voorhand benadeelde ben. Daarnaast is feitelijk aangetoond dat de jurisdictie niet op mij van toepassing is dus de 3 rechters kunnen geen uitspraak doen over mij.
Als u het niet eens bent hiermee [naam] zie ik graag een feitelijk bewijs van de gratie gods waarop de koning zijn autoriteit beroept, een verklaring waarin ik toestemming geef dat ik mijn autoriteit heb overgedragen aan de koning, en een verklaring dat de staat, Nederland en de monarchie niet een mentale realiteit en constructie is. Ik zie graag uw bewijzen tegenmoet.”
- E-mailbericht van 10 maart 2025 om 19:31 uur:
“En ik wil graag toevoegen hieraan dat ik voor deze vragen door de hovj als verward ben beschouwd tijdens de aanhouding mbt deze rechtzaak met als gevolg dat hij medische dienst mij heeft laten onderzoeken in de cel. De reclassering heeft ook aangegeven dat ik verward gedrag heb hierom. Dit is beschamend omdat ik feitelijk enkel een legitieme, samenhangende en terechte vraag stel om mijn positie als verdachte duidelijk te hebben. Verder behoor ik ook niet tot een groep van souvereinen of autonomen, ben ik niet op sociale media of in algemeen met andere mensen met dit onderwerp actief en ben ik niet tegen de koning of de staat. Dus frame mij dan ook aub niet onder 1 van deze groepen. Het is zo dat ik enkele maanden geleden bij een rechtzaak ben veroordeeld door een rechter die mij geen toestemming heeft gegeven voor een advocaat tijdens de rechtzaak. Dit is zo oneerlijk ook vanwege het feit dat de rechtbank er niks van aantrekt terwijl ze juist over recht spreken dat dit voor mij de druppel is geweest om nu zonder enige vorm van rebelie, tegenwerking of negatieve gevoelens wel mijn positie als verdachte probeer duidelijk te maken middels dit wraking verzoek. Daarnaast is deze rechtzaak ook niet koosjer verlopen alsmede het onderzoek van de politie en de rol van het om.”
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 512 Sv kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Ingevolge artikel 513, lid 2, Sv moet een wrakingsverzoek worden gemotiveerd. Dit houdt in dat het verzoek de feiten of omstandigheden dient te vermelden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een verzoek voldoet niet aan de motiveringseis als iedere motivering ontbreekt. Daarvan is slechts sprake als ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende rechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Een dergelijk verzoek kan niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv.
3.3.
De wrakingskamer maakt uit de e-mailberichten van verzoeker op dat de kern van het verzoek tot wraking inhoudt dat de raadsheren – volgens verzoeker – ten dienste staan van hun werkgever, zijnde het instituut de kroon en de staat, en dat verzoeker daarom op voorhand benadeelde is, omdat hij nooit toestemming heeft gegeven dat de autoriteit van de koning op hem van toepassing is.
3.4.
Uit artikel 512 Sv blijkt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Na aanschrijven van de wrakingskamer heeft de verzoeker nog steeds verzuimd om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die zouden kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij dit hoger beroep schade zou kunnen lijden of daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het onder 3.3 vermelde raakt alle rechters in dit land en is niet specifiek gericht tegen de raadsheren. Het onderhavige verzoek voldoet daarmee niet aan de eis dat het verzoek tot wraking is gemotiveerd (artikel 513 lid 2 Sv) en kan dus niet worden aangemerkt als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling laten.
Dictum
Het hof (de wrakingskamer):
stelt het verzoek tot wraking buiten behandeling;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek tot wraking;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, het Openbaar Ministerie en de raadsheren mrs. A.R. Hartmann, A.J. Henzen en P.J.D.J. Muijen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. T.A. Gladpootjes (voorzitter), M. van Ham en S.V. Pelsser, in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
Mrs. Van Ham, Pelsser en Van der Horst zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.