Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:1487
Civiel recht
Hoger beroep
2,552 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.299/01
arrest van 27 mei 2025
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv en 235 Rv in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats]
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.P.A.M. van Balen te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 januari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing (artikel 351 Rv) althans tot zekerheidstelling (artikel 235 Rv) met producties van [appellante] ;
de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] ;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde] tevens wijziging eis met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In de incidenten
3.1.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 290.399,65 aan schadevergoeding voor daadwerkelijk door [geïntimeerde] gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, de proceskosten van € 5.655,38, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.2.
[appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan en heeft in de memorie van grieven primair een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring opgeworpen en subsidiair een incident tot zekerheidsstelling ex artikel 235 Rv.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen in het incident.
Op de standpunten van partijen zal het hof in het hiernavolgende ingaan.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.3.
Het hof stelt ambtshalve vast dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de rechtbank bevoegd is om van de vordering kennis te nemen en dat Nederlands recht van toepassing is.
3.4.
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) dan wel zekerheidsstelling (artikel 235 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.5.
De rechtbank heeft de beslissingen om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. Het komt dus aan op een afweging van de belangen van partijen (zie de hiervoor onder 3.4. sub a en b genoemde maatstaven). Daarbij dient uit te worden gegaan van de in het bestreden vonnis gegeven beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen.
3.6.
[appellante] heeft niet gesteld dat sprake is van een kennelijke misslag op grond waarvan de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst moet worden. Het hof zal dan ook de belangen van partijen tegen elkaar afwegen.
Belangenafweging
3.7.
Bij de belangenafweging in beide incidentele vorderingen is een belangrijk gezichtspunt dat de rechtbank de vordering gedeeltelijk heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Het uitgangspunt is dus dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan de belangen van degene die de veroordeling heeft verkregen.
3.8.
[appellante] stelt dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij executie en voert hiertoe aan dat zij in eerste aanleg als gevolg van een bijzonder ongelukkige samenloop van omstandigheden geen verweer heeft kunnen voeren waardoor de vordering van [geïntimeerde] is toegewezen. Dit vonnis is op 28 februari 2025 aan [appellante] betekend. Ook heeft [geïntimeerde] inmiddels conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [appellante] in [woonplaats] en op de vordering van [appellante] op Mondzorg Clinics Waalwijk B.V..
Indien [geïntimeerde] tot executie zal overgaan zal dat niet alleen de (onnodige) kostenverhoging tot gevolg hebben, maar ook leiden tot onomkeerbare gevolgen indien het zou komen tot een executoriale veiling van de woning van [appellante] , aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat op een executieveiling altijd een lagere prijs tot stand komt dan bij een onderhandse verkoop. Daarnaast leidt executie van roerende zaken en/of registergoederen van [appellante] tot praktisch onomkeerbare gevolgen; de zaken zullen buiten het vermogen van [appellante] geraken en het is de vraag of zij die zaken zal kunnen revindiceren indien het hof het bestreden vonnis vernietigd.
Verder stelt [appellante] dat er een goede reden is dat de rechtbank anders had beslist als zij wel gelegenheid had om verweer te voeren. Het gaat om een betwiste vordering die gebaseerd is op een onrechtmatige daad (bijzonder onrechtmatige procesvoering), welke vordering alleen is toegewezen omdat de rechter vanwege het (quasi-)verstek alleen heeft beoordeeld of de vordering hem of haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
[appellante] weet niets over de verhaalpositie van [geïntimeerde] , zodat ook nog sprake is van een reëel restitutierisico.
Voor zover het hof de schorsing niet toewijst vordert [appellante] subsidiair dat een de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis de voorwaarde van zekerheidstelling door [geïntimeerde] wordt verbonden in de vorm van aan afroepgarantie van een eerste klas bank voor een bedrag van € 296.147,03.
3.9.
[geïntimeerde] voert onder meer aan dat voor haar bij de eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging het risico dreigt dat bij afwijzing van de hoger beroep procedure in België van haar vordering tot levering van het familiehuis in [woonplaats] , dit huis onverwijld aan de ontwikkelaar zal worden verkocht en geleverd. [geïntimeerde] verliest dan haar familiehuis en bovendien de mogelijkheid om haar vordering op de door [appellante] ontvangen koopprijs of op enig ander tot haar vermogen behorende bestanddeel te verhalen.
Dictum
Het hof:
in de incidenten:
schorst de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 januari 2025 totdat op het hoger beroep is beslist;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2025 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep c.q. antwoord eiswijziging) aan de zijde van [appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei 2025.
griffier rolraadsheer
Zie pt 107 mvg
Zie pt 108 mvg
Zie pt 109 mvg
Zie pt 110 en 111 mvg
Zie pt 114 en 116 mvg
Zie pt 120 en 122 mvg