Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1455
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,407 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.348.636/01
Zaaknummers eerste aanleg : 11305185 BM VERZ 24-4586 en 11305186 MS VERZ 24-1119
in de zaak in hoger beroep van:
[de betrokkene]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
Stichting [stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [stichting] ,
advocaat: mr. R.W. Janssen,
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder en/of de mentor,
[de oudste zoon]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de oudste zoon,
[de jongste zoon]
,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de jongste zoon.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 oktober 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter – kort gezegd – een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene en [B.V.] BV benoemd als bewindvoerder en mentor.
2.2.
De betrokkene kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 november 2024, heeft de betrokkene verzocht voormelde beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot instelling van bewind en mentorschap alsnog af te wijzen, zulks kosten rechtens.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2025, heeft [stichting] verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en om het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren en/of af te wijzen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Kreutzkamp namens de betrokkene;
mr. Janssen namens [stichting] ;
[vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens de bewindvoerder/mentor;
2.4.1.
De betrokkene is, met bericht van afmelding, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. De oudste en jongste zoon zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, eveneens niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlagen d.d. 14 april 2025 namens de betrokkene.
Beoordeling
3.1.
De betrokkene voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat de betrokkene als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De betrokkene is in staat, indien het nodig is, zelf een bewind- en mentorverzoek in te dienen. De verklaring van de heer [niet-praktiserend arts] bevat onjuistheden. [niet-praktiserend arts] noemt zichzelf een niet-praktiserend arts. De betrokkene kent [niet-praktiserend arts] niet en hij heeft de betrokkene niet onderzocht of met haar gesproken. De betrokkene stond op 16 mei 2024 met haar auto op een parkeerplaats in [plaats 1] . Er was niets aan de hand toen plotseling politie verscheen met mogelijk personen namens [stichting] . Het is onjuist dat de betrokkene een onsamenhangend en onnavolgbaar verhaal heeft verteld. Er is een crisismaatregel ingevolge de Wvggz uitgesproken, waarna een opname bij [stichting] heeft plaatsgevonden. Vervolgens is een zorgmachtiging verleend tot 1 januari 2026. De betrokkene krijgt tegen haar zin in medicatie. De betrokkene bestrijdt dat zij psychotisch gekleurde en incoherente verhalen vertelt of dat ze zou hebben medegedeeld dat ze stroomschokken rond haar hart ervaart en ijzerdraden door haar hele lichaam heeft. Ook heeft ze nooit verklaard dat ze een afstammeling is van het Belgisch Koningshuis en van Prins [prins] . De betrokkene heeft ook niet verklaard dat ze een drietal huizen bezit in [plaats 2] , België en [plaats 3] . Er zijn twee woningen in [plaats 2] en België, waar ze aantoonbaar verzekeringspremie, hypotheek en eigenaarslasten voor betaalt. Het is bovendien onjuist dat de betrokkene in haar auto heeft gewoond.
Op basis van de stukken is er geen aanleiding voor een onderbewindstelling. De stukken geven hooguit aanleiding voor een mentorschap. De financiële positie van de betrokkene is duidelijk, ze ontvangt een WIA-uitkering. Daarbij heeft de betrokkene verklaard dat ze alle vermogensrechtelijke zaken zelf verzorgt, dat er zaken lopen tegen – bijvoorbeeld – het UWV en dat ze daartoe zelf de correspondentie verzorgt.
3.2.
[stichting] voert – samengevat – het volgende aan. [stichting] beseft dat het instellen van een bewind en mentorschap zeer ingrijpend is en dat dit de betrokkene in haar onafhankelijkheid aantast, naast een lopende zorgmachtiging die ook ernstige beperkingen aan haar oplegt. Desalniettemin zijn zowel het bewind als het mentorschap noodzakelijk. Volgens [stichting] ontbreekt bij de betrokkene enig ziektebesef en -inzicht. Het klopt dat de heer [niet-praktiserend arts] de betrokkene niet heeft gesproken; het is immers niet gelukt om met haar in gesprek te komen. De heer [niet-praktiserend arts] heeft zijn onderzoek noodgedwongen uitgevoerd op basis van de gegevens die hij via het behandelteam had ontvangen. De observaties over het onsamenhangende en onnavolgbare verhaal met betrekking tot het incident op 16 mei 2024 zijn door de politie en de crisisdienst aan de beoordelend psychiater medegedeeld. Er is geen reden om te twijfelen aan de waarheid daarvan. De beoordelend psychiater heeft op basis van zijn eigen onderzoek de volgende symptomen beschreven: “het denken verloopt incoherent, het denken verloopt versneld, er zijn grootheidswanen en paranoïde wanen, er zijn oordeels- en kritiekstoornissen, betrokkene slaapt niet en rijdt in de nachten rond en betrokkene ziet er verwaarloosd en vermoeid uit.” en: “Ziektebesef ontbreekt volledig, daarom ziet betrokkene geen noodzaak voor behandeling, sterker nog, zij maakt daar bezwaar tegen.”. Er is geen reden om aan de juistheid van de observaties en beoordeling van de psychiater te twijfelen. Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 januari 2025 is een zorgmachtiging verleend tot 6 januari 2026. De betrokkene is psychotisch en verblijft op een gesloten afdeling.
Inmiddels is gebleken dat de betrokkene over geen enkele woning in Nederland beschikt. De woning in België is al in 2014 verkocht. Toch verzoekt ze de bewindvoerder maandelijks om betalingen te doen aan [bedrijf] voor de twee beweerdelijk in haar bezit zijnde woningen. Betrokkene is niet in staat om haar vermogensrechtelijke en niet-vermogens-rechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Het feit dat ze technisch in staat is brieven te schrijven of procedures te voeren wil nog niet zeggen dat ze haar vermogensrechtelijke belangen kan behartigen. Daarbij is afgelopen periode haar wilsbekwaamheid ten aanzien van het nemen van beslissingen van niet-vermogensrechtelijke aard verschillende keren door professionals ingeschat, waarbij steeds de conclusie was dat de betrokkene hiertoe niet wilsbekwaam was.
3.3.
De bewindvoerder/mentor voert – samengevat – het volgende aan. De betrokkene heeft bij aanvang van de onderbewindstelling en het mentorschap aangegeven dat ze twee woningen heeft. Duidelijk is geworden dat ze nog hypotheeklasten betaalde voor een woning in [plaats 2] , maar ze is daarvan geen eigenaar en hoeft daar niets meer voor te betalen. De betrokkene blijft echter aangeven dat de hypotheek betaald moet worden. De woning in België is in oktober 2014 openbaar verkocht. Toch betaalde de betrokkene hier nog de premie opstalverzekering voor. De betrokkene is vanaf 2012 onbekend in Nederland; ze stond nergens ingeschreven. De bewindvoerder/mentor heeft nog niet duidelijk kunnen krijgen waar de betrokkene de afgelopen tien jaren heeft verbleven. Ze had geen zorgverzekering. Dat is nu geregeld. De betrokkene had bij aanvang van het bewind elf bankrekeningen, op sommige stond geen geld. Het is onduidelijk wat ze met die rekeningen deed. Ze ontvangt een uitkering van het UWV. De betrokkene stelt dat er sprake was van loonbeslag, maar dat is onjuist. Ze vraagt steeds om cash geld, mogelijk kan ze niet pinnen. Ze heeft een schuld bij de Belastingdienst en hieromtrent lopen procedures bij het hof. De betrokkene heeft procedures gevoerd tot aan de Hoge Raad. Hierin is ze steeds niet-ontvankelijk verklaard of is haar beroep afgewezen. Dat de betrokkene wellicht hoogbegaafd is betekent niet dat er geen noodzaak kan zijn voor een onderbewindstelling of mentorschap. Het contact met de betrokkene verloopt goed, er is maandelijks contact. De betrokkene vraagt of er een woning voor haar geregeld kan worden. Dit is lastig omdat ze nooit ingeschreven heeft gestaan.
3.4.
Het hof overweegt als volgt.
Het wettelijk kader
3.4.1.
Op grond van artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kan de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
3.4.2.
Ingevolge artikel 1:431 lid 1 BW kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Beoordeling
3.4.3.
De kantonrechter heeft op juiste gronden een mentorschap ingesteld over de betrokkene. Uit verschillende medische verklaringen van psychiaters volgt dat de betrokkene een psychotisch ziektebeeld heeft waarbij onder andere sprake is van wanen en lichamelijke verwaarlozing. De betrokkene heeft geen enkel ziektebesef of -inzicht en ze maakt bezwaar tegen haar behandeling. Er loopt thans een zorgmachtiging tot 6 januari 2026 op grond waarvan de betrokkene op een gesloten afdeling verblijft en medicatie krijgt toegediend. Duidelijk is dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het is van belang dat een mentor haar belangen behartigt aangaande haar verzorging, verpleging, (medische) behandeling en begeleiding. Dit geldt temeer nu er geen naasten van de betrokkene bekend zijn die de taak van de mentor op informele wijze zouden kunnen en willen overnemen.
3.4.4.
Voorts is naar voren gekomen dat de betrokkene geen adequaat inzicht heeft in haar financiële zaken. Ze heeft lange tijd betalingen gedaan ten behoeve van huizen die niet (meer) haar eigendom waren en ze had elf bankrekeningen. Ook nadat de bewindvoerder de situatie omtrent de vermeende huizen had opgehelderd en geld had terug ontvangen, wilde en wil de betrokkene nog steeds dat de betalingen voor hypotheken en verzekeringen voor deze huizen worden gecontinueerd. Dat de betrokkene zelf procedures voert of bezwaar maakt inzake financiële aangelegenheden maakt niet dat een onderbewindstelling niet noodzakelijk is. De betrokkene is als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, zodat de kantonrechter op juiste gronden een bewind heeft ingesteld.
3.4.5.
Niet gebleken is van bezwaren tegen de huidige bewindvoerder en mentor.
3.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 oktober 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.