Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1443
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
4,862 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.353.052/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/339846 / FT RK 25/134
in de zaak in hoger beroep van:
[B.V. 1] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellant,
hierna (ook) te noemen [appellant] ,
advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel, gemeente Cranendonck,
tegen
1 [B.V. 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna (ook) te noemen [geïntimeerde 2] (in enkelvoud),
advocaat mr. L. Wouters te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van 25 maart 2025 van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond), waarbij de rechtbank het verzet van [appellant] ongegrond heeft verklaard en het vonnis van 25 februari 2025, waarbij [appellant] in staat van faillissement werd verklaard op verzoek van [geïntimeerde 2] , heeft gehandhaafd.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 t/m 11, ontvangen op 2 april 2025, heeft [appellant] verzocht het faillissementsvonnis te vernietigen en:
te beslissen dat aannemelijk is dat het vonnis van 2 oktober 2024 in hoger beroep vernietigd zal worden vanwege de absolute bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in dit geschil;
te beslissen dat de berekening en onderbouwing van de vordering van [geïntimeerde 2] in het vonnis van 2 oktober 2024 evident ondeugdelijk is en aannemelijk is dat deze niet in stand zal blijven in beroep;
te beslissen dat zelfs indien voornoemde vordering in stand blijft, de rechtbank Roermond de tegenvordering onvoldoende inhoudelijk heeft beoordeeld en dat de gestelde tegenvorderingen van [appellant] op [geïntimeerde 2] voldoende wettig en overtuigend bewezen zijn;
kosten rechtens van beide instanties;
te beslissen dat [geïntimeerde 2] het faillissement onrechtmatig heeft aangevraagd en daarmee [appellant] ernstig heeft beschadigd;
[geïntimeerde 2] te veroordelen voor de kosten gemaakt in het faillissement zoals gesteld in eerste aanleg.
2.2.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 20 maart 2025 inzake het verzetschrift;
producties 12 en 13 van mr. Vlaar, ontvangen op 14 april 2025;
producties 14 en 15 van mr. Vlaar, ontvangen op 25 april 2025;
de brief met bijlagen van mr. Wijnands namens mr. J. van Baar van 30 april 2025, ontvangen op 30 april 2025;
het verweerschrift van [geïntimeerde 2] , ontvangen op 2 mei 2025;
de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Vlaar overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen;
de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Wouters overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de heer [medewerker] namens [appellant] , bijgestaan door mr. Vlaar;
de heer [geïntimeerde 2] , ook namens [B.V. 2] B.V., bijgestaan door mr. Wouters;
mr. M.A.E. Wijnands namens mr. J.G.C. van Baars, hierna te noemen: de curator.
Beoordeling
Wat vooraf ging
3.1.
[geïntimeerde 2] heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. In de kern ging het in die procedure om de uitleg van een artikel van een overeenkomst tussen hen en de daaruit voortvloeiende vraag of [appellant] tekort was geschoten in de nakoming van die overeenkomst door geen 4% van de netto-opbrengst per verkochte machine aan [geïntimeerde 2] te betalen. De overeenkomst betrof een akte overdracht intellectuele eigendomsrechten, waarin – kort gezegd – [geïntimeerde 2] zijn octrooirechten verkocht aan [appellant] in ruil voor een vergoeding van 4% van de netto-opbrengst per verkochte machine en 40% van de aandelen in [appellant] .
3.2.
Tegen de stelling van [geïntimeerde 2] in die procedure dat er machines waren verkocht en dat [appellant] gelet daarop verplicht was [geïntimeerde 2] 4% van de netto-opbrengst te betalen, heeft [appellant] , kort gezegd, het verweer gevoerd dat er bij de verkopen nog geen winst was gemaakt binnen de vennootschap en dat er enkel sprake was (geweest) van een experimentele fase waardoor er geen sprake was van de door [geïntimeerde 2] gestelde betaalverplichting. [appellant] heeft in die procedure geen tegenvorderingen gesteld.
3.3.
Bij vonnis van 2 oktober 2024 heeft de rechtbank het verweer van [appellant] verworpen en de uitleg van [geïntimeerde 2] van de overeenkomst tussen partijen gevolgd. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat [geïntimeerde 2] terecht de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft ontbonden en [appellant] onder meer uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan [geïntimeerde 2] een totaalbedrag van € 78.272,55 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en ook veroordeeld in de proceskosten.
3.4.
[appellant] heeft [geïntimeerde 2] niet betaald waartoe zij was veroordeeld. [geïntimeerde 2] heeft daarop de rechtbank verzocht om [appellant] failliet te verklaren.
3.5.
Bij vonnis van 25 februari 2025 is [appellant] failliet verklaard zonder te zijn verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Bij hetzelfde vonnis is mr. J.G.C. van Baars als curator benoemd.
3.6.
Op 10 maart 2025 is bij de griffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, een verzetschrift met producties binnengekomen van [appellant] , waarin wordt verzocht het vonnis tot faillietverklaring van 25 februari 2025 te vernietigen.
3.7.
De rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 25 maart 2025 het verzet van [appellant] ongegrond verklaard en het verzoek van [appellant] tot vernietiging van het vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat summierlijk is gebleken van het door [geïntimeerde 2] aangevoerde vorderingsrecht op [appellant] .
De standpunten van partijen in hoger beroep
3.8.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift en ter zitting in hoger beroep – zakelijk en kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
De rechtbank Limburg was in de eerste plaats niet bevoegd om op de vordering van [geïntimeerde 2] te beslissen en had op grond van artikel 72 Rv zich ambtshalve onbevoegd moeten verklaren en de zaak over moeten dragen aan de rechtbank Den Haag. Feitelijk komt de vordering van [geïntimeerde 2] erop neer dat hij de octrooirechten terugeist. De voorgeschreven route voor een dergelijke vordering is die van artikel 78 lid 1 Rijksoctrooiwet 1995 (hierna ROW).
Daarnaast is er geen sprake van een echte vordering van [geïntimeerde 2] op [appellant] , omdat geen producten zijn gemaakt maar prototypes en er nog geen winst is gemaakt zoals in de overeenkomst bedoeld.
Ten slotte heeft [appellant] tegenvorderingen op [geïntimeerde 2] waarvan het totaalbedrag de hoogte van de vordering van [geïntimeerde 2] overstijgt, namelijk uit hoofde van/vanwege ‘facturen [naam 1] /aankoopkosten, betaalde management fee, kosten [naam 2] 2021, jaartaksen als [geïntimeerde 2] eigenaar wordt van het octrooi en aan het octrooi toegevoegde meerwaarde.
3.9.
[geïntimeerde 2] heeft in het verweerschrift en ter zitting in hoger beroep – zakelijk en kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
[appellant] lijkt met het hoger beroep tegen het vonnis op verzet een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van 2 oktober 2024 te willen voeren, waarvoor dit hoger beroep niet is bedoeld.
[geïntimeerde 2] is de procedure, die heeft geleid tot het vonnis van 2 oktober 2024, gestart, omdat [appellant] haar (financiële) afspraken uit de overeenkomst met [geïntimeerde 2] niet was nagekomen. Dat in die betreffende overeenkomst een octrooi is betrokken, maakt niet dat de rechtbank Den Haag expliciet bevoegd is kennis te nemen van dat geschil.
[geïntimeerde 2] heeft genoegzaam aangetoond dat hij een rechtsgeldige en opeisbare vordering heeft op [appellant] . De rechtbank Limburg heeft [appellant] op grond hiervan veroordeeld tot volledige betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 67.637,- aan schadevergoeding, van een bedrag van € 6.624,90 aan onverschuldigd betaalde jaartaksen en van een bedrag van € 4.132,99 aan proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Het vonnis van 2 oktober 2024 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen van [geïntimeerde 2] zijn dus opeisbaar. De tenuitvoerlegging van het vonnis 2 oktober 2024 kan alleen worden tegengehouden als het vonnis klaarblijkelijk op evident onjuiste gronden gebaseerd is. [appellant] heeft geen (nieuwe of andere) feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hiervan sprake is.
[geïntimeerde 2] betwist ten slotte dat [appellant] tegenvorderingen op haar heeft.
3.10.
De curator heeft per brief van 30 april 2025 en ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De curator beschikt niet over de boekhouding en administratie van [appellant] vanwege het ontbreken dan wel niet aanleveren hiervan door de bestuurder. De schuldenlast van [appellant] is sinds het laatste verslag van de curator van 19 maart 2025 grotendeels gelijk gebleven, maar er is wel een preferente schuld bijgekomen aan de Belastingdienst ten bedrage van € 2.757,-. Voor zover uit de administratie blijkt, heeft [appellant] geen vorderingen op [geïntimeerde 2] . Naast de vordering van [geïntimeerde 2] , bestaan ook vorderingen van [naam 3] , [naam 2] , de Belastingdienst, de heer [medewerker] , de heer [naam 4] en de heer [naam 5] op [appellant] . Ook staat er nog een schuld onder ‘nog te factureren’ op de balans van [appellant] van 31 december 2022. De curator stelt zich dan ook op het standpunt dat het faillissement in stand moet blijven.
Beoordeling
3.11.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.11.1.
Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 6 lid 3 Fw wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het betreft hier een summiere toets. Summierlijk blijken betekent dat dit na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken. Er bestaat derhalve geen ruimte voor uitvoerige debatten en over de posities van de betrokkenen en over de genoemde toestand moet (betrekkelijk) snel helderheid kunnen worden verkregen.
3.11.2.
[geïntimeerde 2] stelt een vordering op [appellant] te hebben op grond van het vonnis van 2 oktober 2024. Het hof stelt vast dat [appellant] bij dat vonnis is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 67.637,00 aan schadevergoeding, een bedrag van € 6.624,90 aan terugbetaling van de jaartaksen van de octrooien en een bedrag van € 4.132,99 aan proces- en nakosten, alles vermeerderd met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de toegewezen vorderingen zijn daarmee opeisbaar. Het hof heeft in beginsel van dit vonnis en dus van de uit dat vonnis voortvloeiende vorderingsrechten uit te gaan.
3.11.3.
Dit zou slechts anders zijn, indien het hof summierlijk kan vaststellen dat het oordeel van de burgerlijke rechter bij voornoemd vonnis op evident onjuiste gronden is gebaseerd. Het hof begrijpt dat [appellant] van mening is dat dit het geval is en daartoe, heel kort gezegd, aanvoert dat (1) de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren om van het geschil kennis te nemen, omdat door [geïntimeerde 2] feitelijk het octrooi is teruggeëist en daarom de rechtbank Den Haag bevoegd is, en (2) [geïntimeerde 2] op grond van de overeenkomst geen vordering op [appellant] heeft, zodat de rechtbank de vordering van [geïntimeerde 2] ten onrechte heeft toegewezen. Het hof overweegt hierover het volgende.
De bevoegdheid van een rechtbank wordt beoordeeld ten aanzien van de hoofdzaak van het geschil. In de kern ging het in deze zaak om een verbintenisrechtelijk geschil, waarin bevestiging werd gevraagd van de buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van haar verplichtingen uit die overeenkomst. Dat op grond van die ontbinding een octrooi moet worden teruggeleverd aan [geïntimeerde 2] , maakt niet dat sprake is van het opeisen van een octrooi zoals bedoeld in de ROW. Op grond van artikel 83 ROW was de rechtbank Limburg daarom bevoegd om deze ontbindingskwestie te behandelen.
Het hof kan, gelet op hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht in dit hoger beroep, ook niet summierlijk vaststellen dat het inhoudelijke oordeel van de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 op evident onjuiste gronden is gebaseerd. Het vonnis is op tegenspraak van [appellant] gewezen, waardoor een uitgebreide inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft haar overwegingen goed gemotiveerd en haar oordelen berusten niet op evident onjuiste grondslagen. De enkele omstandigheid dat [appellant] het inhoudelijk niet eens is met de beslissing van de rechtbank is onvoldoende om hierover anders te oordelen.
Nu het hof niet is gebleken dat het vonnis op evident onjuiste gronden is gebaseerd of onbevoegd zou zijn gewezen, is de vordering van [geïntimeerde 2] op [appellant] (summierlijk) aannemelijk.
3.11.4.
[appellant] heeft aangevoerd dat zij tegenvorderingen op [geïntimeerde 2] heeft die gezamenlijk hoger zijn dan de vordering van [geïntimeerde 2] op [appellant] . Deze vorderingen zouden derhalve verrekend moeten worden met elkaar, waardoor er geen vordering van [geïntimeerde 2] op [appellant] zou overblijven. De curator heeft ter zitting gesteld dat de administratie van [appellant] onvolledig is, waardoor het bestaan van deze vordering(en) zoals gesteld niet door haar kan worden vastgesteld. Het hof zal ieder van de vijf gestelde vorderingen apart nagaan of summierlijk blijkt van het bestaan van de vordering zoals gesteld.
Facturen [naam 1] /aankoopkosten: het hof is te weinig bekend over de grondslag van deze gestelde vordering. De vordering staat enkel op de balans van [appellant] . Uit de aangeleverde stukken blijkt niet dat [geïntimeerde 2] gehouden is een bedrag dat – zoals door [appellant] gesteld, en wat daar verder ook van zij – voor hem is betaald, terug te betalen. Het hof kan zonder nadere onderbouwing het bestaan van deze vordering niet summierlijk nagaan.
Management fee’s: het hof is ook onvoldoende gebleken van een grondslag voor de terugvordering van de door [geïntimeerde 2] ontvangen management fee’s. Uit de aangeleverde stukken volgt niet dat dit een vooruitbetaling van de management fee’s zou zijn geweest die [geïntimeerde 2] later terug zou moeten betalen. Het hof kan enkel op basis van een verwijzing naar de jaarrekening en de notulen van de aandeelhoudersvergadering niet vaststellen dat deze vordering bestaat. Dat andere aandeelhouders niets uitbetaald hebben gekregen, zoals door [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht, vormt als zodanig geen voldoende grondslag voor de gestelde terugvordering.
Kosten [naam 2] : het is mogelijk dat de registratiekosten door [appellant] zijn gemaakt en nog niet door [geïntimeerde 2] zijn vergoed, terwijl in de overeenkomst is opgenomen dat de kosten voor rekening van [geïntimeerde 2] komen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat de hoogte van deze registratiekosten vergelijkbaar is met de hoogte van de vordering van [geïntimeerde 2] op [appellant] . De in totaal zeven posten die aan [naam 2] betaald zijn, zijn namelijk niet verder gespecificeerd. Het hof kan dus niet vaststellen dat al deze facturen verband houden met registratiekosten. Zelfs als dat wel het geval is, is het totaalbedrag van deze vordering nog steeds niet gelijk aan de vordering van [geïntimeerde 2] , zodat diens vordering door verrekening niet (volledig) teniet gaat.
Jaartaksen: voor deze vordering ontbreekt de juridische grondslag. In 2021 en 2022 was [appellant] namelijk rechtsgeldig eigenaar van de octrooien. Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht. De jaartaksen van 2021 en 2022 komen en blijven daarom voor rekening van [appellant] .
Meerwaarde verbeteringen octrooi: ook hier ontbreekt de grondslag van de vordering. [geïntimeerde 2] krijgt het octrooi namelijk terug in de staat zoals het toentertijd was overgedragen aan [appellant] . De verbeteringen – voor zover deze zijn aangebracht – blijven dus bij [appellant] . Daarnaast staat (de hoogte van) deze vordering niet vast, omdat het om een mogelijke toekomstige vordering gaat. Deze eventuele vordering is op dit moment niet opeisbaar of voldoende bepaald en kan daarom niet voor verrekening in aanmerking komen.
3.11.5.
Het hof is daarnaast van oordeel dat ook voldaan is aan het pluraliteitsvereiste. Het hof slaat hierbij acht op de brief van de curator van 19 maart 2025, waaruit blijkt dat [appellant] aanzienlijke schulden heeft aan de heren [medewerker] , [naam 4] en [naam 5] , elk ter hoogte van € 57.385.00. Ook is een schuld bekend aan [naam 2] van ten minste € 23.048,85. Dan is er nog een schuld aan de Belastingdienst van € 1.390,-, waar, volgens de brief van de curator van 30 april 2025, een schuld ter hoogte van € 2.757,- is bijgekomen. Ook heeft [appellant] een schuld aan [naam 3] van, na verrekening, € 569.662,-. Deze vorderingen zijn door [appellant] niet (gemotiveerd) betwist, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid daarvan.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 25 maart 2025 van de rechtbank Limburg;
wijst hetgeen overigens is verzocht af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, K.J.H. Hoofs en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.