Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1441
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
761 tokens
=== VOLLEDIG ===
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.350.443/01
Zaaknummer eerste aanleg : [nummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Als vervolg op het door dit hof op 13 maart 2025 gewezen tussenarrest.
5Het tussenarrest van 13 maart 2025
Bij dat tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de afdrachten die [appellante] heeft gedaan tijdens het aan het schuldsaneringstraject voorafgaande faillissement, niet kwalificeren als aflossingen gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw, op grond waarvan een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden vastgesteld, als bedoeld in artikel 349a, eerste lid Fw.
Verder heeft het hof [appellante] opgedragen om meer informatie aan te leveren over de afdrachten die zouden zijn gedaan tijdens het buitengerechtelijke akkoord en in het kader van gelegde beslagen, zodat het hof kan beoordelen of deze afdrachten wel kunnen leiden tot een eerdere ingangsdatum. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van de brief met producties 5 t/m 11 van de advocaat van [appellante] , ontvangen op 26 maart 2025.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof is inmiddels ambtshalve bekend geworden dat in een andere zaak bij het hof een vergelijkbaar feitencomplex aan de orde is, te weten de situatie dat er een faillissement aan de wettelijke schuldsanering vooraf is gegaan. In die zaak heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, waaronder de vraag of de afdrachten die tijdens het aan de schuldsanering voorafgaande faillissement zijn gedaan ook kunnen worden aangemerkt als een eerste aflossing gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw, zoals bedoeld in artikel 349a Fw en zoals bedoeld door de Hoge Raad in het arrest van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913). Nu bij [appellante] hetzelfde vraagstuk aan de orde is, is het hof van oordeel dat ook de behandeling van deze zaak moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen door de Hoge Raad.
7.2.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.
8De uitspraak
Het hof:
houdt iedere verdere beslissing aan tot 20 november 2025 PRO FORMA.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, L.G.J.M. van Ekert en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.