Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1437
Civiel recht; Internationaal privaatrecht, Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,981 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.342.112/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/409894 FA RK 23-2443
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter,
tegen
[de man]
,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen: de man.
De zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020, hierna: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022, hierna: [minderjarige 2] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze procedure gaat over het verzoek van de vrouw tot echtscheiding en het treffen van een nevenvoorziening over het gezag.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 5 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2024, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, zo nodig onder aanvulling van gronden, de verzoeken van de vrouw tot echtscheiding en het verkrijgen van eenhoofdig gezag verkrijgen over de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , alsnog toe te wijzen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Broekman-de Feijter en de tolk A. Salomon (tolknr 22528)
-de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Op deze mondelinge behandeling is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de zaak over de ontkenning van het vaderschap met nummer 200. 342.887.
2.3.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 december 2023;
- het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 21 november 2024;
- de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vrouw overgelegde geboorteakte van [minderjarige 3] (zie 3.7.).
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De vrouw is in 2016 vanuit Eritrea naar Nederland gekomen. Sinds 13 oktober 2016
heeft zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
3.2.
In de verhoren bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de vrouw aangegeven gehuwd te zijn. Op 22 november 2016 heeft de vrouw een zogenaamde Verklaring onder Ede (hierna ook: VOE) afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 1] . Zij heeft daarin verklaard dat zij op 26 januari 2012 in [plaats] , Eritrea met de man is gehuwd. Op basis van deze verklaring staat de vrouw in de Basisregistratie Personen (BRP) als gehuwd geregistreerd.
3.3.
In 2017 heeft de vrouw bij de IND, onder overlegging van een huwelijksakte waarin is vermeld dat zij op 26 januari 2012 in [plaats] , Eritrea, met de man is gehuwd, een aanvraag ingediend voor nareis van de man. De IND heeft die huwelijksakte op echtheid onderzocht en heeft deze vals bevonden.
Na bezwaar heeft de bestuursrechter in de rechtbank Den Haag het beroep van de vrouw gegrond verklaard (op grond van – kort gezegd – een motiveringsgebrek en de schending van hoor en wederhoor) en het bestreden besluit vernietigd. De IND is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van vrouw met inachtneming van uitspraak.
In bezwaar heeft de IND haar eerdere conclusie gehandhaafd. De aanvraag voor nareis is afgewezen.
3.4.
Sinds november 2021 is er geen contact meer geweest tussen de man en de vrouw.
3.5.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2023 is het verzoek van de vrouw tot verklaring voor recht dat het huwelijk van partijen niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, althans in Nederland niet kan worden erkend als een rechtsgeldig huwelijk, afgewezen.
3.6.
Bij besluit van 7 mei 2024 heeft het college van B&W van de gemeente [gemeente 2] het verzoek van de vrouw om niet langer als gehuwd in de BRP geregistreerd te staan en/of de kinderen van de vrouw niet binnen dit huwelijk zijn geboren, afgewezen.
3.7.
De vrouw heeft in Nederland drie kinderen gekregen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024.
3.8.
De biologische vader van de kinderen is de heer [biologische vader] (hierna: [biologische vader] ).
3.9.
De vrouw wenst het huwelijk met de man door echtscheiding te laten ontbinden. Bij het hof is ook een procedure aanhangig inzake het hoger beroep van de vrouw tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2024 waarbij het verzoek van haar en ook van de in die procedure benoemde bijzondere curator tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn afgewezen (200.342.887/01).
3.10.
De vrouw heeft de Eritrese nationaliteit. Van de man is de nationaliteit onbekend.
Van de man is geen woon- of verblijfplaats bekend. Hij heeft voor zover bekend nooit in Nederland gewoond.
Dictum
3.11.
Bij de bestreden beschikking van 5 maart 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en het verzoek om bij wijze van nevenvoorziening te bepalen dat het ouderlijk gezag over de kinderen uitsluitend door de vrouw zal worden uitgeoefend, althans te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw zal zijn, afgewezen.
De standpunten
3.12.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.13.
De vrouw voert - kort samengevat - het volgende aan.
De vrouw is op 26 januari 2012 in Eritrea met de man gehuwd. Zij is in 2016 als vluchteling in Nederland aangekomen. Zij had geen beschikking over originele documenten van haar geboorte of het huwelijk met de man. Omdat de vrouw niet over originele bescheiden beschikte, is conform de standaardprocedure op 22 november 2016 een verklaring onder ede opgemaakt. In de VOE, het aanmeldgehoor, het eerste gehoor en het nader gehoor bij de IND, heeft de vrouw het bestaan van haar huwelijk bevestigd en daar consistent over verklaard. Op basis van de VOE is het huwelijk in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd.
De vrouw is later via de man alsnog in het bezit gekomen van een huwelijksakte. De IND heeft in het kader van de nareisprocedure ten behoeve van de man, deze huwelijksakte als ‘vals’ bestempeld.
Dat de huwelijksakte vals is, betwist de vrouw. Ondanks de door de vrouw in de bezwaar- en beroepsprocedure overgelegde contra-expertise, waar de IND nauwelijks acht op heeft geslagen, heeft de IND zijn standpunt gehandhaafd. De vrouw heeft dit besluit niet aangevochten, omdat op dat moment het contact met de man verbroken was.
De vrouw heeft ondanks het oordeel van de IND altijd de visie en overtuiging gehad dat zij op 26 januari 2012 rechtsgeldig met de man is gehuwd.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat zij niet kan vaststellen dat de vrouw en de man een (rechtsgeldig) huwelijk hebben gesloten. Zelfs indien moet worden aangenomen dat de huwelijksakte van de vrouw (productie 3 bij verzoekschrift) vals is, dan geldt overeenkomstig artikel 2.8 Wet BRP dat de VOE nog steeds bewijs biedt voor het bestaan van het huwelijk tussen partijen. De vrouw verwijst naar het oordeel van het gerechtshof Den Haag d.d. 11 maart 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2411). De vrouw realiseert zich dat de VOE uitsluitend is opgemaakt op basis van de door haar verstrekte informatie, maar zij is 12 jaar na de huwelijksdatum en 8 jaar na haar aankomst in Nederland niet in staat om, zoals de rechtbank van haar verlangt, meer bewijs te leveren van het bestaan van het huwelijk met de man.
Na de bestreden beschikking en onder toezending van die beschikking heeft de vrouw de gemeente [gemeente 2] in maart 2024 verzocht om de gegevens in de BRP te wijzigen, in die zin dat zij niet meer als gehuwd staat geregistreerd. De gemeente heeft dit verzoek afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs is om zonder redelijke twijfel het huwelijk als niet bestaand of nietig te beschouwen.
De vrouw kan het bewijs van haar huwelijk niet leveren, maar zij kan ook niet bewijzen dat zij niet gehuwd is. De vrouw bevindt zich daardoor in een onmogelijke (bewijs) positie, die aanzienlijke gevolgen heeft voor haar, haar kinderen en [biologische vader] . [biologische vader] dreigde te worden uitgezet uit Nederland en verblijft nu in een illegaal vluchtelingenkamp in Engeland, waardoor de kinderen op dit moment al maanden hun vader niet hebben gezien.
De vrouw is dan ook van mening dat op grond van artikel 8 EVRM de rechten van zowel haar, haar kinderen als [biologische vader] worden geschaad als de huidige situatie wordt gehandhaafd. De vrouw wijst er in dit verband op dat, indien zij de rechtbank niet had geïnformeerd over het oordeel van de IND over haar huwelijksakte, de kans groot was geweest dat de rechtbank de echtscheiding had uitgesproken en [biologische vader] inmiddels de kinderen had kunnen erkennen en een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning had kunnen indienen.
3.14.
De raad is in deze procedure betrokken vanwege het voorliggende verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening ten aanzien van het gezag. Daarover heeft de raad zich niet uitdrukkelijk uitgelaten. Wel heeft de raad zijn verbazing uitgesproken over hoe de ene instantie tot de conclusie kan komen dat er geen rechtsgeldig huwelijk is, terwijl de andere instantie concludeert dat er wel een rechtsgeldig huwelijk is, met alle gevolgen van dien voor de moeder, haar kinderen en [biologische vader] . Het is verdrietig dat zij al zo lang wachten op duidelijkheid en een juridische bestendiging van de feitelijke situatie.
Overwegingen
3.15.
Het hof overweegt ten aanzien van de echtscheiding het volgende.
Rechtsmacht
3.15.1.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
Nu de gewone verblijfplaats van de vrouw zich sinds langer dan één jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 aanhef sub a onder v Brussel II-ter rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
3.15.2.
Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Voorvraag huwelijk
3.15.3.
Evenals de rechtbank zal het hof eerst de vraag beantwoorden of tussen de vrouw en de man een (rechtsgeldig) huwelijk is gesloten.
3.15.4.
Ingevolge artikel 815 lid 5 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt bij de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding overgelegd een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte. Lid 6 bepaalt dat indien stukken zoals bedoeld in het vijfde lid niet
kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of op
andere wijze daarin kan worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.
Nu een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte ontbreekt, verwijst de vrouw ter onderbouwing van het bestaande huwelijk naar het Aanmeldgehoor van de vrouw dat plaatsvond bij de IND op 15 oktober 2016, het Eerste gehoor dat plaatsvond op 15 november 2016 en het Nader gehoor dat plaatsvond op 17 november 2016. In deze verhoren heeft de vrouw (consequent) verklaard dat zij op 26 januari 2012 te Eritrea met de man is gehuwd.
Verder staat de vrouw in de BRP geregistreerd als gehuwd met de man op 26 januari 2012. Een registratie van een huwelijk in de BRP heeft plaatsgevonden op grond van een verklaring onder ede, door de vrouw afgelegd op 22 november 2016.
3.15.5.
De VOE is geregeld in art. 2.8 lid 2 van de Wet BRP. Dit artikel luidt als volgt:
“De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten
Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke
hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d
en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e
:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse
burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een
bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het
college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft
afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
3.15.6.
Bij gebreke van andersluidende informatie gaat het hof ervan uit dat de vrouw in de BRP als gehuwd is geregistreerd op grond van een VOE. Het hof stelt voorop dat de wetgever, met het creëren van de mogelijkheid om het rechtsfeit van een buitenlands huwelijk te ontlenen aan en dus voor inschrijving vatbaar te maken op grond van een (enkele) VOE, bewust het uitgangspunt heeft verlaten dat zo een feit alleen wordt ingeschreven als zij kan worden ontleend aan een van de geschriften als bedoeld in de leden a-d van lid 2 van genoemd artikel.
3.15.7.
Het hof is van oordeel dat uit de VOE, die door de vrouw is afgelegd op 22 november 2016 en heeft geleid tot de registratie in de BRP, het rechtsfeit van het in Eritrea tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk kan worden ontleend, welk rechtsfeit in het onderhavige geval bovendien wordt ondersteund door de verklaringen van de vrouw in de rapporten van de verhoren bij de IND. Het hof gaat er dus van uit dat er een tussen partijen gesloten rechtsgeldig huwelijk is. Het uitgangspunt dient immers te zijn dat de verklaring onder ede/belofte naar waarheid tot stand is gekomen. Onderhavig geval kenmerkt zich daarbij ook dat de vrouw, ook in hoger beroep, consequent haar stelling handhaaft dat naar haar overtuiging sprake is van een huwelijk en dus ook bij haar VOE blijft.
3.15.8.
Aan de registratie van het huwelijk op basis van de VOE doet niet af dat de nadien door de vrouw in de nareisprocedure overgelegde huwelijksakte door de IND als vals is bestempeld. De vrouw heeft zich in de onderhavige (echtscheidings)procedure ook niet op die huwelijksakte beroepen. Zij heeft enkel verklaard dat de IND de akte in verband met diverse afwijkingen als vals heeft bestempeld en dat zij, door de omstandigheden (in Eritrea), niet in staat is een nieuwe huwelijksakte te verstrekken.
3.15.9.
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW)). De vrouw stelt dat sprake is van een burgerlijk huwelijk dat ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken, in het bijzijn van zes getuigen. Uit hetgeen de vrouw heeft verklaard over de wijze waarop het huwelijk is voltrokken, stelt het hof vast dat dit overeenstemt met de wijze waarop een rechtsgeldig huwelijk in Eritrea tot stand komt. Het hof verwijst daarbij naar de Transitional Civil Code of Eritrea (TCCE) uit 1991. Daarmee is sprake van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland voor erkenning in aanmerking komt.
Beoordeling
3.15.10.
Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, gaat het hof daarvan uit. Het hof zal het verzoek van de vrouw om tussen haar en de man de echtscheiding uit te spreken, toewijzen.
3.16.
Gelet op het voorgaande komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van (de ontvankelijkheid van) het tijdens de mondelinge behandeling namens de vrouw gedane (subsidiaire) verzoek om voor recht te verklaren dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de man en de vrouw.
3.17.
Het hof overweegt ten aanzien van het gezag het volgende.
Rechtsmacht
3.17.1.
Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Op het moment van de procesinleiding, te weten 25 mei 2023, hadden de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd.
Toepasselijk recht
3.17.2.
Overeenkomstig artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, Trb. 1997, 299 (hierna: het Verdrag) is het Nederlandse recht van toepassing op het onderhavige verzoek.
Voorvraag ouderlijk gezag
3.17.3.
Het hof dient eerst te beoordelen of zowel de man als de vrouw met het ouderlijk gezag zijn belast.
3.17.4.
Voor de vraag welk recht van toepassing is op de gezagsverhouding bepaalt artikel
16 lid 1 van het Verdrag dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Het hof zal de gewone verblijfplaats van de minderjarige vaststellen ten tijde van zijn geboorte, aangezien dat het moment is dat van rechtswege de ouderlijke verantwoordelijkheid ontstaat. In de BRP is opgenomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland zijn geboren. Het hof zal dan ook naar Nederlands recht beoordelen wie van rechtswege het gezag over de minderjarige heeft.
3.17.5.
Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staande het huwelijk tussen de man en de vrouw zijn geboren, volgt uit artikel 1:251 lid 1 BW dat de man en de vrouw van rechtswege gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen zijn belast.
Beoordeling
3.17.6.
Ingevolge artikel 1:251 lid 2 BW blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.17.7.
Het hof is van oordeel dat van die laatste situatie (art. 251a lid 1 onder b BW) sprake is, nu de man in het buitenland verblijft en de vrouw hem op geen enkele manier kan bereiken. Het hof zal, uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag beëindigen en de vrouw met het eenhoofdig gezag belasten.
3.18.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en als volgt beslissen.
3.19.
Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 5 maart 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het de beslissing over de echtscheiding en het gezag betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Eritrea op 26 januari 2012;
bepaalt dat het ouderlijk gezag over:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022,
aan de vrouw alleen toekomt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezag uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.J.F. Manders en M.A. Stammes en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.