Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1431
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,609 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.348.509/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11086958 BM VERZ 24-2764 en 11114962 MS VERZ 24-711
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. L.A.W. Hermans,
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[bewindvoerder en mentor] , vennoot van [onderneming 1],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder en mentor] ,
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader van [verzoeker] ,
[de broer]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de broer van [verzoeker] .
Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] tot ontslag van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor wegens gewichtige redenen en de benoeming van de moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van [verzoeker] tot ontslag van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor, onder gelijktijdige benoeming van de moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor, alsnog toe te wijzen. Kosten rechtens.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[verzoeker] , bijgestaan door mr. Hermans;
[bewindvoerder en mentor] (via een digitale verbinding);
de moeder.
2.3.1.
De vader en de broer van [verzoeker] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het e-mailbericht d.d. 18 maart 2025 met bijlagen van [bewindvoerder en mentor] ;
het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van [verzoeker] op 7 april 2025.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van 22 december 2017 heeft de kantonrechter, met ingang van 1 januari 2018, over de goederen die aan [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld en ten behoeve van [verzoeker] een mentorschap ingesteld, met benoeming van de moeder tot bewindvoerder en mentor.
3.2.
Bij beschikking van 19 februari 2019 heeft de kantonrechter, met ingang van die datum, de moeder als bewindvoerder en mentor wegens gewichtige redenen ontslagen, onder gelijktijdige benoeming van [betrokkene] , vennoot van [onderneming 2] (de voorganger van [B.V.] B.V.), tot opvolgend bewindvoerder en mentor.
3.3.
Bij beschikking van 8 mei 2019 heeft de kantonrechter met ingang van 16 mei 2019 het bewind over de goederen die aan [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren opgeheven.
3.4.
Bij beschikking van 11 maart 2021 heeft de kantonrechter op grond van de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] opnieuw een bewind ingesteld over de goederen die aan [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren en [B.V.] B.V. wederom tot bewindvoerder en mentor benoemd.
3.5.
Bij de beschikkingen van 6 september 2021 heeft de kantonrechter de verzoeken van de moeder tot ontslag van [B.V.] B.V. als bewindvoerder en mentor en haar tot opvolgend bewindvoerder en mentor te benoemen, afgewezen.
De moeder heeft tegen die beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het hof.
Het hof heeft bij beschikking van 26 januari 2023 de beschikkingen van 6 september 2021 bekrachtigd.
3.6.
Bij beschikking van 22 september 2023 heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om [B.V.] B.V. als bewindvoerder en mentor te ontslaan, na instemming van [B.V.] B.V., toegewezen.
De kantonrechter heeft daarbij verder het verzoek van [verzoeker] om zijn moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor te benoemen afgewezen. De kantonrechter heeft vervolgens met ingang van 1 oktober 2023 [bewindvoerder en mentor] , vennoot van [onderneming 1] , tot opvolgend bewindvoerder en mentor benoemd.
Procesverloop
3.7.
[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor te ontslaan en gelijktijdig de moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor te benoemen.
3.8.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter genoemd verzoek van [verzoeker] afgewezen.
Procesverloop
3.9.
[verzoeker] kan zich met deze beslissing van de kantonrechter niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.10.
[verzoeker] voert – samengevat – het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen gewichtige redenen aanwezig zijn voor het ontslag van [bewindvoerder en mentor] . De kantonrechter heeft daarbij ten onrechte aangenomen dat de belangen van [verzoeker] op een juiste wijze door [bewindvoerder en mentor] zijn behartigd. [bewindvoerder en mentor] heeft echter veel ‘dingen’ nagelaten; [verzoeker] heeft hier bewijzen van. De moeder heeft die ‘dingen’ alsnog voor [verzoeker] geregeld. [verzoeker] heeft de navolgende klachten over [bewindvoerder en mentor] :
[verzoeker] wil graag zelfstandig wonen. Hij woont echter nog steeds noodgedwongen bij zijn moeder en er is geen zorg in de thuissituatie geregeld. [verzoeker] had in maart 2023, in juli 2023 en in september 2023 de mogelijkheid om begeleid te gaan wonen, maar [bewindvoerder en mentor] heeft al deze opties ‘afgekaatst’;
[verzoeker] had vanaf december 2023 pijn aan meerdere tanden en kiezen. [bewindvoerder en mentor] was hiervan op de hoogte en zij heeft geen/onvoldoende oog gehad voor de situatie waarin [verzoeker] verkeerde;
[bewindvoerder en mentor] heeft zich afzijdig gehouden toen [verzoeker] vanuit de crisisdienst werd overgeplaatst naar [instantie 1] voor GGZ te [plaats] . Gedurende de behandeling van [verzoeker] zijn er zaken voorgevallen die niet conform de regels waren. [bewindvoerder en mentor] gaf telkens aan dat [verzoeker] zich aan de behandeling moest houden. De klachtencommissie heeft de klachten van [verzoeker] gegrond verklaard en [instantie 1] voor GGZ veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding;
[bewindvoerder en mentor] is zonder overleg met [verzoeker] akkoord gegaan met de overplaatsingen van [verzoeker] in december 2023, in mei 2024 en in juni 2024. Bovendien heeft zij tijdens de overplaatsing van [verzoeker] naar [instantie 2] – ondanks herhaaldelijk verzoek – de eigendommen van [verzoeker] niet overgebracht;
[verzoeker] had over de periode van 10 juli 2023 tot 10 januari 2024 geen zorgverzekering. Hierdoor heeft [verzoeker] niet eerder een behandeling voor zijn verslaving kunnen ondergaan;
[bewindvoerder en mentor] heeft herhaaldelijk nagelaten om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de gefinancierde rechtshulp aan te vragen. [verzoeker] heeft hierdoor onnodig een eigen bijdrage van € 636,- betaald;
[bewindvoerder en mentor] heeft nagelaten om de individuele inkomenstoeslag over de jaren 2023 en 2024 aan te vragen. Hierdoor is [verzoeker] een bedrag van € 980,- misgelopen;
[bewindvoerder en mentor] heeft nagelaten om een vrijstelling van de lage eigen bijdrage bij het CAK aan te vragen. Hierdoor is [verzoeker] een bedrag van € 200,- per maand misgelopen;
[bewindvoerder en mentor] heeft het Meedoenbudget over 2023 en 2024 niet aan [verzoeker] doorbetaald;
[bewindvoerder en mentor] heeft niet meegewerkt aan het verkrijgen van een lagere CIZ-indicatie. Hierdoor kan [verzoeker] geen PGB ontvangen en kan hij zich niet inschrijven voor begeleid wonen. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de CIZ-indicatie. [verzoeker] is in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat [bewindvoerder en mentor] heeft geweigerd om het bezwaar te ondertekenen.
De kantonrechter heeft verder onvoldoende oog gehad voor de verstoorde relatie tussen [verzoeker] en [bewindvoerder en mentor] . Er is weinig contact tussen [verzoeker] en [bewindvoerder en mentor] en het contact dat er is verloopt stroef. [verzoeker] voelt zich niet gehoord en hij ontvangt vaak geen reactie van [bewindvoerder en mentor] . De kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat een wijziging van de bewindvoerder en mentor niet zal bijdragen aan de benodigde stabiliteit voor [verzoeker] . Het is de uitdrukkelijke wens van [verzoeker] om zijn moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor te benoemen. Er zijn geen gegronde redenen aanwezig die zich tegen deze benoeming verzetten. [verzoeker] heeft – anders dan [bewindvoerder en mentor] – een goed contact met zijn moeder en zij ondersteunt hem waar nodig. Wanneer de moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor zou worden benoemd, dan zou dat juist voor rust en stabiliteit bij [verzoeker] zorgen. De moeder is bereid en geschikt om de taken van [bewindvoerder en mentor] over te nemen. De moeder heeft [bewindvoerder en mentor] in de afgelopen periode op het aanvragen van diverse financiële tegemoetkomingen gewezen en sommige van die financiële tegemoetkomingen zelf samen met [verzoeker] aangevraagd. Bovendien is de moeder in het verleden anderhalf jaar lang de bewindvoerder en mentor van [verzoeker] geweest.
3.11.
[bewindvoerder en mentor] voert – samengevat – het volgende aan.
[verzoeker] heeft de ondersteuning van een bewindvoerder en mentor nodig. Er is een ‘batterij’ aan hulpverleners bij [verzoeker] betrokken. [bewindvoerder en mentor] heeft veel tijd aan deze casus besteed. [verzoeker] en zijn moeder willen echter niet samenwerken; ook met de vorige bewindvoerder en mentor was dit het geval. [verzoeker] dient enkel verzoeken om extra geld en klachten in. Er is amper contact met [verzoeker] . Hij beantwoordt de vragen van [bewindvoerder en mentor] niet. Zo is het nog steeds onbekend wie de huisarts van [verzoeker] is. De moeder regelt ook buiten [bewindvoerder en mentor] om zaken voor [verzoeker] . [bewindvoerder en mentor] loopt daardoor continu achter de feiten aan. De moeder heeft onder meer bij het UWV een Wajong-uitkering voor [verzoeker] aangevraagd en de eerste betaling hiervan op haar eigen bankrekening laten storten. Ook heeft [verzoeker] geen begroting van de tandartskosten overgelegd. Hierdoor heeft [bewindvoerder en mentor] geen fondsen kunnen aanschrijven waardoor er geen geld aanwezig was om de tandartsrekeningen van [verzoeker] volledig te betalen. Ook de overige door [verzoeker] in het beroepschrift genoemde klachten over de uitvoering van het bewind en mentorschap kunnen gemotiveerd worden weerlegd. Zo waren de eigendommen van [verzoeker] na zijn overplaatsing naar [instantie 2] al door de moeder opgehaald voordat [bewindvoerder en mentor] op het verzoek van de instelling kon reageren. [bewindvoerder en mentor] heeft ook een zorgverzekering voor [verzoeker] geregeld. Bij de aanvang van het bewind heeft zij een postadres voor [verzoeker] aangevraagd, zodat hij verzekerd kon worden. Verder was het niet mogelijk om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de gefinancierde rechtshulp aan te vragen. Hiervoor is het noodzakelijk dat binnen acht weken de facturen worden ingediend. [bewindvoerder en mentor] heeft die facturen pas maanden later van [verzoeker] ontvangen. [bewindvoerder en mentor] heeft ook facturen van [advocatenkantoor] ontvangen, maar zij was van de betrokkenheid van dit kantoor bij [verzoeker] niet op de hoogte. Verder heeft zij geen toevoeging van [verzoeker] ontvangen. [bewindvoerder en mentor] heeft vorig jaar het Meedoenbudget aan [verzoeker] ter beschikking gesteld. Toen [verzoeker] bij [instantie 1] voor GGZ verbleef heeft [bewindvoerder en mentor] geld overgemaakt voor de aanschaf van een fiets. Recent heeft [bewindvoerder en mentor] nogmaals een bedrag van € 250,- voor de aanschaf van een fiets overgemaakt. Het CIZ heeft grondig onderzoek gedaan naar de indicatie van [verzoeker] . Het CIZ kwam tot een GGZ-5 indicatie (intensieve begeleiding). Hierdoor is de kans dat [verzoeker] in aanmerking komt voor begeleid wonen klein.
Motivering
3.12
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 respectievelijk artikel 1:461 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder respectievelijk de mentor door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder respectievelijk mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van degene die gerechtigd is onderbewindstelling respectievelijk mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid respectievelijk artikel 1:451, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.12.2.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van gewichtige redenen om [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor te ontslaan. [bewindvoerder en mentor] heeft de door [verzoeker] aangevoerde klachten rondom haar functioneren als bewindvoerder en mentor allemaal gemotiveerd weersproken. Anders dan [verzoeker] aanvoert heeft hij, naar het oordeel van het hof, niet dan wel onvoldoende, met onderliggende stukken aangetoond dat de bewindvoerder en mentor bij de uitvoering van haar taak tekort is geschoten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in hoger beroep juist is gebleken dat [bewindvoerder en mentor] in de uitoefening van haar taak als bewindvoerder en mentor ernstig werd gehinderd door het eigenmachtig handelen van de moeder (en [verzoeker] ). Zo heeft de moeder erkend dat zij – buiten [bewindvoerder en mentor] om – een Wajong-uitkering voor [verzoeker] bij het UWV heeft aangevraagd en dat zij de eerste uitbetaling van die uitkering op haar eigen bankrekening heeft laten storten. Ook hebben [verzoeker] en de moeder – naar eigen zeggen – zelf besloten om de medicatie van [verzoeker] af te bouwen, terwijl [verzoeker] met Schizofrenie gediagnosticeerd is en hij verschillende keren (gedwongen) binnen de GGZ opgenomen is geweest. Dat de diagnose Schizofrenie door een andere psychiater in twijfel wordt getrokken, zoals de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld, is het hof niet gebleken. Verder heeft [bewindvoerder en mentor] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken gesteld dat zij – door de nalatigheid van [verzoeker] – sommige zaken voor [verzoeker] niet goed heeft kunnen regelen. Zo heeft [bewindvoerder en mentor] verklaard dat zij niet binnen de daarvoor vereiste termijn de facturen betreffende de door [verzoeker] gemaakte advocaatkosten heeft ontvangen en dat zij van de betrokkenheid van [advocatenkantoor] niet op de hoogte was. Hierdoor heeft [bewindvoerder en mentor] geen bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de gefinancierde rechtshulp voor [verzoeker] kunnen aanvragen. Ook zou [verzoeker] geen begroting van de tandartskosten hebben overgelegd. [bewindvoerder en mentor] heeft hierdoor geen fondsen kunnen aanschrijven waardoor er onvoldoende geld beschikbaar was om de tandartskosten van [verzoeker] volledig te kunnen betalen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat niet, en in ieder geval onvoldoende, is gebleken dat [bewindvoerder en mentor] in haar taakuitoefening als bewindvoerder en mentor tekort is geschoten.
3.12.3.
Wel staat vast dat sprake is van een verstoorde relatie tussen [verzoeker] en [bewindvoerder en mentor] . Deze verstoorde relatie levert – naar het oordeel van het hof – evenmin een grond op voor het ontslag van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de relatie tussen [verzoeker] en [bewindvoerder en mentor] kennelijk niet zodanig verstoord is geraakt dat er een onwerkbare situatie tussen hen is ontstaan. [bewindvoerder en mentor] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij deze casus graag aan een andere bewindvoerder en mentor zou willen overdragen, maar zij heeft niet gesteld dat het bewind en mentorschap door de verstoorde relatie niet langer uitvoerbaar is. Verder kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de verstoorde relatie tussen [verzoeker] en [bewindvoerder en mentor] mede is ontstaan door de bemoeienis en de inmenging van de moeder in de uitvoering van het bewind en mentorschap. Verder staat vast dat per 1 oktober 2023 op verzoek van [verzoeker] , en met instemming van [B.V.] B.V., [B.V.] B.V. als bewindvoerder en mentor is ontslagen en [bewindvoerder en mentor] tot opvolgend bewindvoerder en mentor is benoemd. [verzoeker] heeft vervolgens bij verzoekschrift, door de kantonrechter ontvangen op 3 mei 2024, al weer om het ontslag van [bewindvoerder en mentor] verzocht. Het hof is, mede gelet op dit korte tijdsbestek, evenals de kantonrechter, van oordeel dat de benoeming van een andere bewindvoerder en mentor niet zal bijdragen aan de voor [verzoeker] benodigde stabiliteit en continuïteit. [bewindvoerder en mentor] heeft verklaard dat zij graag met [verzoeker] wil samenwerken en met hem in gesprek wil gaan. Aan [bewindvoerder en mentor] moet daarom alsnog de kans worden geboden om tot een samenwerking(srelatie) met [verzoeker] te komen. Het hof acht het daarbij van belang dat [bewindvoerder en mentor] bij de uitvoering van haar taken als bewindvoerder en mentor een actievere en regievoerende rol op zich neemt, waarbij zij degene is die met de behandelaren van [verzoeker] en de betrokken instanties en derden overlegt en daarbij de inmenging van de moeder probeert te voorkomen. Indien haar dit niet lukt en de uitvoering van het bewind en mentorschap – door de inmenging van de moeder en/of de houding van [verzoeker] – alsnog feitelijk onmogelijk wordt, dan ligt het op de weg van [bewindvoerder en mentor] om bij de kantonrechter een verzoek tot ontslag in te dienen.
3.12.4.
Omtrent het verzoek van [verzoeker] om zijn moeder tot opvolgend bewindvoerder en mentor te benoemen overweegt het hof nog het volgende. Nog daargelaten dat er geen gewichtige redenen aanwezig zijn om [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor te ontslaan, is er – naar het oordeel van het hof – tevens sprake van gegronde redenen als bedoeld in de artikelen 1:435 lid 3 BW en 1:452 lid 3 BW die zich tegen het volgen van de uitdrukkelijke voorkeur van [verzoeker] verzetten. De moeder is in het verleden eerder tot bewindvoerder en mentor benoemd en door de kantonrechter ontslagen. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij is ontslagen omdat instellingen niet met haar konden samenwerken en dat zij geen verweer tegen het ontslagverzoek heeft kunnen voeren. Omdat de desbetreffende beschikking van 19 februari 2019 niet is overgelegd, heeft het hof niet zelf kunnen vaststellen wat de grond voor het ontslag van de moeder is geweest. Het hof is echter van oordeel dat het enkele gegeven dat de moeder – kennelijk niet op eigen verzoek – is ontslagen een contra-indicatie vormt om haar opnieuw tot bewindvoerder en mentor te benoemen. Daarnaast ziet het hof een contra-indicatie in de wijze waarop de moeder met eigenmachtig optreden de verplichtingen en bevoegdheden van [bewindvoerder en mentor] en daarmee ook de belangen van [verzoeker] doorkruist.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
3.14.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
Proceskosten
3.15.
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2024;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.P. de Beij en M.I. Peereboom-van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.