Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1372
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Wraking
2,000 tokens
Dictum
gegeven op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gedaan op 14 mei 2025, in de belastingzaak met nummer [nummer 1], in hoger beroep aanhangig bij dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker] ,
met gekozen domicilie in [plaats] ,
hierna: verzoeker,
strekkende tot wraking van mr. drs. C.W.M.M. Verkoijen (voorzitter), mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. H.J. Cosijn, raadsheren in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna: de raadsheren.
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 november 2022, zaaknummer [nummer 2] . De zaak is vervolgens bij de belastingkamer van dit hof ingeschreven onder het hiervoor genoemde zaaknummer.
1.2.
Verzoeker is, in aansluiting op twee door het hof gehonoreerde aanhoudingsverzoeken, uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op de zitting van de meervoudige belastingkamer van 15 mei 2025. Op 30 april 2025 heeft verzoeker op medische gronden verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. Dit uitstelverzoek is afgewezen. Bij op 6 mei 2025 in het digitaal dossier geplaatste brief is verzoeker in kennis gesteld van de afwijzing. De motivering van de afwijzing luidt als volgt:
“Op 30 april 2025 ontving ik uw verzoek om uitstel van de zitting op 15 mei 2025. Daarbij heeft u een attest gevoegd van uw behandeld arts.
Bij het plannen van de behandeling van het door u op 1 februari 2023 ingestelde hoger beroep dient het hof een afweging te maken tussen de verschillende belangen. U heeft reeds twee keer kort voor de geplande zittingsdatum vanwege medische redenen verzocht om uitstel van de zitting. Op 18 december 2024 is uw verzoek om uitstel van de zitting voor de tweede maal ingewilligd. Hierbij is aangegeven dat een volgend verzoek om uitstel in beginsel zal worden afgewezen. Tevens is toen aan u medegedeeld dat als u verwacht langere tijd niet ter zitting te kunnen verschijnen, van u verwacht wordt om een persoon te machtigen die u ter zitting kan vertegenwoordigen. Ook heb ik u op 18 december 2024 bericht dat het hof uw hoger beroep op 15 mei 2025 zal behandelen. U verzoekt nu wederom kort voor de geplande zitting om uitstel van de zitting. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de voortgang van de zaak en het belang van de wederpartij zwaarder wegen dan uw belang om op zitting te worden gehoord en wijst uw verzoek om de zitting wederom te verdagen dan ook af.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep zal dus plaatsvinden op donderdag 15 mei 2025 om 14.15 uur in Den Bosch.”
1.3.
Bij op 14 mei 2025 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift is door verzoeker de wraking verzocht van de raadsheren.
1.4.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek, zonder daaraan voorafgaande behandeling ter zitting, in raadkamer van 14 mei 2025 behandeld.
1.5.
De wrakingskamer heeft daarna besloten dat zo spoedig mogelijk op het wrakingsverzoek zal worden beslist.
Beoordeling
2.1.
Ingevolge artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van 8:16, lid 1, Awb dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2
De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede ‘zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden’ uit artikel 8:16, lid 1, Awb betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Deze tijd was evenwel op 14 mei 2025 ruimschoots verstreken. Uit het schriftelijk wrakingsverzoek is niet gebleken van een rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen het moment dat verzoeker door middel van de brief van 6 mei 2025 bekend is geworden met de wrakingsgronden en het indienen van het wrakingsverzoek op 14 mei 2025. Dat betekent dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek. Met deze beslissing is de schorsing in de hoofdzaak voorbij.
2.3
Ook op inhoudelijke gronden zou het wrakingsverzoek niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daartoe overweegt de wrakingskamer als volgt. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 14, lid 1, IVBPR dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.4.
De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek ziet op de beslissing van de meervoudige belastingkamer om het aanhoudingsverzoek van verzoeker af te wijzen. De wrakingskamer is van oordeel dat deze beslissing moet worden aangemerkt als een rechterlijke (tussen)beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing (…). Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (tussen)beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, zelfs niet als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
2.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de meervoudige belastingkamer om het aanhoudingsverzoek van verzoeker af te wijzen geen blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek, indien verzoeker daarin ontvankelijk zou zijn geweest, niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen.
Dictum
Het hof (de wrakingskamer):
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de inspecteur en de raadsheren, mr. drs. C.W.M.M. Verkoijen, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. H.J. Cosijn.
Deze beslissing is gegeven te ‘s-Hertogenbosch op 15 mei 2025 door mrs. J.W. van Rijkom, voorzitter, A.L. Bervoets en J.M. van der Vegt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, als griffier.
Deze beslissing is, wegens verhindering van de voorzitter, door de oudste raadsheer en de griffier ondertekend.
Zie onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 11 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1515 en voor een wraking in een civielrechtelijke procedure: Hof ’s-Hertogenbosch 9 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2612.
Zie aldus voor wraking in een strafrechtelijke procedure: Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, r.o. 3.3 en 3.4.