Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1370
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,467 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 15 mei 2025
Zaaknummer : 200.351.486/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/326660/ FA RK 24-256
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader
- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).
In het kort
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 7-jarige [minderjarige] heeft beëindigd.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2025, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige] af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het hoger beroep af te wijzen.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 april 2025, heeft de GI verzocht de moeder in haar ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel
af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;
de vader;
de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 december 2024.
Beoordeling
3.1.
Uit de moeder is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Tot het moment waarop de bestreden beschikking werd gegeven waren de moeder en de vader samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.2.
[minderjarige] staat sinds 8 juni 2022 onder toezicht van de GI. Op 20 september 2022 is zij met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien heeft zij niet meer thuis bij de moeder gewoond. De moeder en [minderjarige] hebben begeleid contact met elkaar.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 8 juni 2025. [minderjarige] verblijft sinds 30 januari 2024 op de behandelgroep [behandelgroep] van [instantie 1] .
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat en voor zover relevant – het volgende aan.
Ondanks dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer ligt bij de moeder betekent dit niet dat is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging van het gezag. Er is voor [minderjarige] nog geen concreet perspectief bepaald waar zij kan opgroeien, hoewel de aanvaardbare termijn is verstreken. Het gezag van de vader is niet beëindigd en het perspectief van [minderjarige] ligt ook niet bij hem. De rechtbank heeft miskend dat de beëindiging van het gezag in strijd is met het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht van moeder en kind op een gezinsleven, nu de doorkruising ervan noodzakelijk noch proportioneel is. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de moeder de hulpverlening in het verleden meermalen heeft beschuldigd van seksueel misbruik, liegen, bedriegen en samenspannen. De rechtbank heeft het oordeel van de Gl tot de hare gemaakt, in navolging van de raad, dat de moeder kennelijk in strijd met haar opvoedingsplicht handelde door van concrete signalen melding te maken bij de politie. De rechtbank heeft door dat te doen het beginsel van hoor en wederhoor geschonden ex artikel 19, eerste lid Rv, althans de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft miskend dat het sterk verouderde raadsrapport géén voldoende feitelijke grondslag meer kan bieden voor de verstrekkende maatregel van beëindiging van het gezag. Daarmee is géén sprake meer van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM en is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft ten aanzien van de moeder een striktere toetsingsmaatstaf aangelegd dan ten aanzien van de vader in strijd met artikel 8 jo. artikel 14 EVRM. De rechtbank heeft miskend dat de rechtsbescherming van ouder en kind op een goed contact ex artikel 8 EVRM door de beëindiging van het gezag structureel wordt beperkt. De moeder heeft tot op heden laten zien in het belang van [minderjarige] te hebben gehandeld. Haar wordt kennelijk verweten dat zij zorgelijke uitspraken en gedrag van [minderjarige] heeft geadresseerd. De beëindiging van de destijds als perspectiefbiedend bedoelde plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders is géén keuze van moeder geweest. De moeder werd destijds onterecht verweten dat zij wilde dat de signalen van seksueel misbruik werden onderzocht. [minderjarige] is te jong om te beseffen wat ouderlijk gezag inhoudt. Het kan niet dat zij positief op de beëindiging daarvan reageert, zoals de GI beweert. De moeder heeft nooit toestemming gegeven dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] (voormalig pleegmoeder van de broer van [minderjarige] ) betrokken zou raken bij [minderjarige] . De vader en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] zijn in het verleden te close met elkaar geworden en daarom wil de moeder [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] niet in [minderjarige] leven. De moeder heeft zelfs zwart op wit dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] geen contact meer zou hebben met [minderjarige] . [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is helemaal niet belangrijk voor [minderjarige] .
3.5.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
De gronden voor de gezagsbeëindigende maatregel zijn nog altijd aanwezig. [minderjarige] is een 7-jarig meisje dat in haar jonge leven veel onveiligheid heeft gekend en veel kwetsuren heeft opgelopen op het gebied van trauma en hechting. [minderjarige] ontvangt bij [instantie 1] intensieve zorg. Ze vertoont daar zeer heftig gedrag, zoals slaan, schoppen, schreeuwen, schelden en het toebrengen van pijn aan zowel andere kinderen als groepsleiding. Dit gedrag vormt een ernstige belemmering voor [minderjarige] verdere ontwikkeling en behoeft een gestructureerde en veilige behandelsetting met voorspelbare volwassenen en hechtingsfiguren zodat [minderjarige] toe kan komen aan de voor haar zo noodzakelijke traumabehandeling. Het lukt de moeder nog steeds niet om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft en in te stemmen met de nodige zorg en veilige contacten om [minderjarige] zich zo optimaal mogelijk te laten ontwikkelen, waardoor er zicht kan komen op haar perspectief. De moeder is wisselend in haar houding richting de GI en [minderjarige] waarbij het de moeder nog steeds niet lukt om zich aan afspraken rondom bijvoorbeeld de omgang te houden of in te stemmen met contact tussen [minderjarige] en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is op dit moment de enige veilige hechtingsfiguur in het leven van [minderjarige] en zij kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Ook staan de continuïteit van de hulpverlening ( [instantie 2] , [instantie 3] , [instantie 4] ) en [minderjarige] verblijfplek met regelmaat onder druk of worden deze abrupt beëindigd vanwege beschuldigingen van de moeder richting hulpverleners en het wisselend geven van toestemming. Hierdoor kent bijvoorbeeld de medicatietherapie geen stabiel verloopt.
De gezagsbeëindigende maatregel is ook gelet op artikel 8 EVRM noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . De wijze waarop de moeder invulling gaf aan haar gezag en, naar is te verwachten, zou geven wanneer de beschikking van de rechtbank zou worden vernietigd, is schadelijk voor [minderjarige] . Het raadsrapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek tot de gezagsbeëindigende maatregel van de moeder is weliswaar verouderd, maar de informatie waarop de raad zich baseert bij dit advies is recent. De raad heeft in oktober 2024 de zaak opnieuw volledig onder de loep genomen naar aanleiding van het verzoek van de GI om, opnieuw, de wenselijkheid van behoud van het gezag van de vader over [minderjarige] te onderzoeken.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
De moeder kan niet accepteren dat [minderjarige] niet bij haar kan wonen en blijft keuzes maken die niet in het belang zijn van [minderjarige] . De GI ziet geen aanleiding dat er ook voor de vader een gezagsbeëindigende maatregel dient te worden uitgesproken. De vader werkt volledig mee met de GI en hij realiseert zich dat hij niet voor [minderjarige] kan zorgen. Sinds er duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] en het gezag van de moeder wordt er bij [minderjarige] ander gedrag gezien. Ze benoemt richting hulpverlening wat ze wel en niet wil in het contact met de moeder, iets wat [minderjarige] eerder niet kon/deed. De moeder geeft wisselend toestemming voor belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] en handelt daarmee niet in [minderjarige] belang, ook niet tijdens de omgangsregeling.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, S.P.A. Wensink-Vergunst en M. Jonker en is op 15 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Beoordeling
Ze houdt zich niet aan de afspraken en de planning die zij tevoren heeft gemaakt, ze verrast [minderjarige] met andere activiteiten en past zich niet aan op het moment dat [minderjarige] duidelijk aangeeft het niet te willen en bang te zijn. Tijdens de bezoeken wordt er ook gezien dat de moeder moeite heeft met het aansluiten bij [minderjarige] , het handelen in [minderjarige] belang, inspelen op de behoeftes van [minderjarige] en het leeftijdsadequaat reageren op [minderjarige] . [minderjarige] is zoekend naar een veilige hechtingsfiguur. Uit diagnostiek onderzoek blijkt, wat ook op de groep wordt geconstateerd, dat ze tijdens de bezoeken geen veiligheid ervaart bij haar ouders. De moeder heeft op 17 oktober 2024 haar toestemming ingetrokken rondom het contact met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] (voormalig gezinshuismoeder van de oudste broer van [minderjarige] en al betrokken bij [minderjarige] vanaf zeer jonge leeftijd). [minderjarige] is in het verleden meerdere keren hiernaartoe gegaan en heeft hier ook vaker overnacht. Sinds begin maart 2025 is er een vaste omgangsregeling tussen [minderjarige] en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . Er wordt door de groep een verschil gezien in hoe [minderjarige] terugkomt van [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en hoe ze terugkomt van de ouders. Na een bezoek van de ouders is [minderjarige] niet te sturen en wordt er bij haar lichamelijke spanning gezien. Na het bezoek met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is [minderjarige] ontspannen en is zij door groepsleiding te sturen. [minderjarige] is iedere zaterdag bij [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en gaat dan ook naar de scouting. Dat gaat goed, maar het is fragiel. De GI wil deze contacten uitbreiden met overnachtingen met als doel dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] een weekendpleeggezin wordt voor [minderjarige] . De contacten met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] moeten worden gecontinueerd. De GI is vrijwel zeker van dat, op het moment dat de moeder het gezag terug zou krijgen, deze contacten stopgezet zouden worden omdat de moeder een conflict heeft met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . Hierbij wordt er door de moeder niet gekeken naar het belang van [minderjarige] en dat het stoppen van dit contact weer een verlieservaring betekent voor [minderjarige] . In juni 2025 komt de plaatsing van [minderjarige] bij [instantie 1] tot een einde. Er wordt naar een ander passend gezinshuis gezocht. [minderjarige] komt niet tot behandeling. Ze vertoont in toenemende mate gevaarlijk gedrag (voor zichzelf en medewerkers) en over haar seksuele ontwikkeling bestaan ook grote zorgen. Voor [minderjarige] is één op één begeleiding niet toereikend. Ze is getraumatiseerd, maar ze is nog te jong om haar verhaal te kunnen vertellen. Traumatherapie is nog niet passend.
3.7.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij het eens is met de beslissing van de rechtbank.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.2.
Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn/haar leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
3.8.3.
Er is geen sprake van misbruik van het gezag. De vraag die aldus aan het hof voorligt, is of [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
3.8.4.
De 7-jarige [minderjarige] is sinds september 2022 onafgebroken uithuisgeplaatst geweest. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [minderjarige] ADHD heeft, met hechtingsproblematiek kampt, zeer onveilig is opgegroeid in haar eerste levensjaren, onverwerkte trauma’s heeft en dat zij agressief gedrag vertoont naar dieren, kinderen en volwassenen. Uit het plan van aanpak van de GI van 25 maart 2025 blijkt dat angst de grootste emotie is die [minderjarige] heeft. [instantie 1] signaleert in februari 2025 dat [minderjarige] gedrag op de groep steeds verder verslechtert. Haar fysieke aanvallen nemen toe waarbij ze over de grenzen van de groepsleiding en andere kinderen gaat. [instantie 1] observeert dat [minderjarige] regelmatig in een herbeleving lijkt te zitten. [minderjarige] roept dan ‘ga weg’ en ‘laat me met rust’ terwijl er niemand anders in de kamer bij haar is. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de plaatsing van [minderjarige] bij [behandelgroep] in juni 2025 zal worden beëindigd. Ze is op de groep niet te handhaven en komt niet tot behandeling omdat ze nog te vol zit met onverwerkte trauma’s waardoor ze niet tot ontwikkeling komt. Traumatherapie is nog niet haalbaar. [minderjarige] voelt zich nergens veilig en is zelfs met één op één begeleiding onhandelbaar. Uit onderzoek van [instantie 5] (februari 2025) blijkt dat verbinding met opvoeders bij [minderjarige] voor chaos zorgt en dat opgroeien in een kleinschalige groep wenselijk is voor haar.
3.8.5.
Voor [minderjarige] is de in de wet bedoelde aanvaardbare termijn inmiddels verstreken. Waar [minderjarige] zal opgroeien is nog onbekend, maar het staat vast dat dit in ieder geval niet bij één van haar ouders zal zijn. [minderjarige] heeft een bovengemiddelde behoefte aan een veilige en voorspelbare opvoedomgeving.
Beoordeling
Door de jaren heen is er een patroon zichtbaar geworden waarbij keer op keer wordt gesignaleerd door diverse hulpverleners dat de moeder ten opzichte van [minderjarige] ernstig tekort schiet in haar pedagogische en emotionele vaardigheden. Tekenend hiervoor is dat het nog steeds noodzakelijk is om de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder begeleid te laten verlopen, omdat het voor [minderjarige] onverantwoord is dat zij zonder toezicht contact heeft met haar moeder. Aan de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] heeft de GI op 25 maart 2025 vijftien veiligheidsafspraken verbonden. Meerdere incidenten hebben zich voorgedaan waarbij de moeder niet lijkt te begrijpen dat haar gedragingen in het contact met [minderjarige] , maar ook daar buiten, ernstige gevolgen hebben voor [minderjarige] . Het meest recente voorbeeld is dat de moeder niet wil dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] (de voormalige pleegmoeder van de broer van [minderjarige] ) contact heeft met [minderjarige] , terwijl juist is gebleken dat [minderjarige] bij [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] enige voorzichtige vorm van veiligheid lijkt te hebben gevonden. Bij haar ouders vindt ze dit niet. Vanaf de eerste uithuisplaatsing zijn al verschillende pleeg- en gastouders intensief betrokken geweest bij [minderjarige] , maar tot nu toe krijgt bijna niemand grip haar, behalve [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . Sinds kort is [minderjarige] iedere zaterdag bij [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en dit gaat goed. De GI onderzoekt wat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] kan betekenen als pleegouder in het kader van een duurzame weekendplaatsing. In oktober 2024 heeft de moeder het contact tussen [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en [minderjarige] verboden en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ze hierover ook haar ongenoegen geuit. Haar gedachte dat ‘ [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] niet belangrijk is voor [minderjarige] ’ is onjuist. Het hof is het met de GI eens dat de contacten tussen [minderjarige] en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] wederom in het gedrang zouden komen als de moeder haar gezag over [minderjarige] zou behouden. In het verleden heeft de moeder er voor gezorgd dat [minderjarige] noodgedwongen afscheid moest nemen van meerdere personen die belangrijk waren geworden voor haar, waaronder een gastoudergezin tegen wie de moeder beschuldigingen van seksueel misbruik uitte. De moeder denkt oprecht dat ze hiermee juist in het belang van [minderjarige] handelt. Door haar verstandelijke beperking in combinatie met haar persoonlijke problematiek (waar zij onvoldoende inzicht in heeft), is de moeder niet in staat om de beslissingen te nemen waar [minderjarige] bij gebaat is. De moeder heeft haar ouderlijk gezag meerdere keren niet ingezet op een manier waarbij tegemoet gekomen werd aan wat [minderjarige] op dat moment nodig had. Een gezagsbeëindigende maatregel maakt hier een einde aan en hierdoor kunnen in de toekomst voortvarend stappen worden gezet als er beslissingen moeten worden genomen over [minderjarige] . De moeder beschikt niet over voldoende vaardigheden om de verantwoordelijkheden op zich te nemen die de rol van een gezagsdragende ouder met zich brengt. Dit is niet verbeterd, ondanks betrokkenheid van hulpverlening in de afgelopen jaren. Voor de vader – thans de enige ouder met gezag – ligt dit anders. Hij werkt volledig mee met de hulpverlening en accepteert dat [minderjarige] niet bij hem kan opgroeien.
3.8.6.
Het hof acht het nu bovenal in het belang van [minderjarige] dat er rust komt in haar opvoedingssituatie en dat zij tot ontwikkeling gaat komen. [minderjarige] heeft hierbij nog een lange weg te gaan, gezien haar jonge leeftijd, complexe gedrag en onverwerkte trauma’s. Het is positief dat er al een kleine vooruitgang in [minderjarige] gedrag waarneembaar is sinds de gezagsbeëindigende maatregel. Sinds aan [minderjarige] is verteld dat haar moeder niet meer beslissingen over haar kan nemen, durft zij zich te uiten in wat zij wel/niet fijn vindt in het contact met haar moeder. Het gedrag van de moeder lijkt – tot het moment waarop haar gezag werd beëindigd – voor [minderjarige] een belemmerende factor geweest. Meerdere keren heeft de moeder ervoor gezorgd dat het proces waarin [minderjarige] op dat moment in zat, werd verstoord. Dit heeft [minderjarige] steeds verder beschadigd. Om te garanderen dat [minderjarige] op ongestoorde wijze verder kan opgroeien is het noodzakelijk dat het gezag van de moeder over haar wordt beëindigd. Er is geen minder ingrijpend alternatief voorhanden en instandhouding van het ouderlijk gezag van de moeder is schadelijk voor [minderjarige] .
3.8.7.
Tot slot volgt het hof de moeder niet in haar standpunt dat de inhoud van het raadsrapport (19 januari 2024) sterk verouderd is en dat de rechtbank hier niet van uit had mogen gaan. [minderjarige] kampt nog steeds met ernstige problematiek en de gedragsproblemen die in het rapport zijn opgenomen, zijn sindsdien alleen maar toegenomen. Hetzelfde geldt voor het gedrag van de moeder, dat gekenmerkt werd – en nog steeds wordt – door incident op incident waarbij ze laat zien niet in het belang van [minderjarige] te kunnen denken en handelen. Het beperkt inzicht in haar eigen psychisch functioneren en in de problematiek van [minderjarige] vormt een rode draad in het algehele procesdossier. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat de raad zich nog recent, in oktober 2024, over de situatie van [minderjarige] en haar ouders heeft gebogen om nogmaals tot een advies te kunnen komen over het behoud van het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] .
3.8.8.
De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Al het overige dat de moeder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.