Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1369
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
1,924 tokens
=== VOLLEDIG ===
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 15 mei 2025
Zaaknummer : 200.351.032/01
Zaaknummer EA : C/01/398535 / FT RK 23/624
Insolventienummer : [insolventienummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. H.E. ter Horst te Zwolle,
tegen
De Ontvanger van de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf,
mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de Belastingdienst,
advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam.
5Het tussenarrest van 20 maart 2025
Bij dat tussenarrest heeft het hof onder meer bepaald dat [appellant] ruimer in de gelegenheid gesteld moet worden om op de, voor het eerst ter zitting ingenomen, stelling van de Belastingdienst – dat [bedrijf 2] B.V. nog een vordering heeft op [appellant] – te reageren, alvorens het over de vraag of sprake is van pluraliteit kan oordelen. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van:
de brief van 3 april 2025 van [appellant] met productie 14;
de brief van 11 april 2025 van de Belastingdienst en
de brief van de curator van 15 april 2025.
7De verdere beoordeling
7.1.
Bij brief van 3 april 2025 heeft [appellant] het hof bericht dat het uit te betalen bedrag van € 101.367,18 is verrekend met het reeds in 2024 en 2025 door [appellant] ontvangen bedrag als gevolg waarvan hij niets meer aan zijn vennootschap [bedrijf 2] verschuldigd is.
7.2.
Bij brief van 11 april 2025 heeft de Belastingdienst het hof bericht dat de Belastingdienst geen gebruik zal maken van de termijn van twee weken om op de reactie van [appellant] te reageren.
7.3.
Bij brief van 15 april 2025 heeft de curator het hof bericht dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een schuld van [appellant] aan [bedrijf 2] , nu eventuele schulden uit 2024 en/of 2025 zijn verrekend met een bonus van € 198.522,05. Naar zijn oordeel moet er in deze procedure dan ook vanuit worden gegaan dat geen sprake is van een steunvordering van [bedrijf 2] op [appellant] . Volgens de curator blijkt uit de door [appellant] overgelegde betaalbewijzen dat alle vorderingen van schuldeisers, die hun vordering ter verificatie hebben ingediend, zijn voldaan, inclusief – gezien het betaalbewijs van 14 april 2025 – de crediteur [crediteur] . Er zijn bij de curator derhalve geen schuldeisers, anders dan de Belastingdienst, bekend. Daarnaast heeft de curator een gewijzigd pro forma salarisverzoek gestuurd van € 13.852,22 inclusief btw.
7.4.
Zoals reeds is geoordeeld in het tussenarrest van 20 maart 2025 (r.o. 3.5.3.), is het hof van oordeel dat de vordering van de Belastingdienst op [appellant] (summierlijk) aannemelijk is.
7.5.
Daarnaast is het de vraag of sprake is van meerdere schuldeisers en of dus ook voldaan is aan het pluraliteitsvereiste. Het hof is van oordeel dat voldaan was aan het pluraliteitsvereiste op het moment dat de rechtbank Oost-Brabant [appellant] bij vonnis van 4 februari 2025 in staat van faillissement heeft verklaard. Naast de vordering van de Belastingdienst was er namelijk nog de vordering van [bedrijf 1] . Of de vordering van [bedrijf 1] al dan niet opeisbaar was, is niet relevant, aangezien opeisbaarheid geen vereiste voor een steunvordering is. In ieder geval moet één schuld opeisbaar zijn. Dat [bedrijf 1] heeft uitgedragen niet als steunvordering te willen fungeren, is ook niet relevant. Dat geldt ook voor de stelling dat [bedrijf 1] geen vordering ter verificatie in het faillissement van [appellant] zal indienen. Volgens [appellant] is de rechtbank volledig voorbijgegaan aan onder meer het feit dat de schuld aan [bedrijf 1] is overgenomen en wordt ingelost door [bedrijf 2] . Ook de curator is de mening toegedaan dat [bedrijf 1] (inmiddels) schuldeiser is van [bedrijf 2] .
Maar dat de schuld op 4 februari 2025 was overgenomen door laatstgenoemde, is het hof niet gebleken. Op die datum was er blijkens de door [appellant] zelf overgelegde stukken nog steeds een lopende afspraak tussen [appellant] en [bedrijf 1] , als vervat in een vaststellingsovereenkomst tussen hen beiden van juli 2022, inhoudende dat [appellant] zijn schuld aan [bedrijf 1] mocht aflossen met afname van bier, hetgeen blijkbaar door [bedrijf 2] plaatsvond. Per 4 februari 2025 was de schuld van [appellant] aan [bedrijf 1] nog niet volledig ingelost.
Inlossing heeft eerst plaatsgevonden lopende de procedure in hoger beroep en wel op 10 maart 2025, zoals blijkt uit productie 11 als door [appellant] overgelegd bij brief van 10 maart 2025.
Er was dus sprake van (minstens) twee schuldeisers – de Belastingdienst en [bedrijf 1] – die een onbetaalde vordering hebben/hadden op [appellant] en daarmee stond de pluraliteit (en de toestand van te hebben opgehouden te betalen) naar het oordeel van het hof vast op 4 februari 2025.
7.6.
Ten aanzien van de vraag of thans nog steeds voldaan is aan het pluraliteitsvereiste, is het hof van oordeel dat daaraan niet is voldaan. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt namelijk dat inmiddels – tot en met 14 april 2025 – alle bekende schuldeisers, behalve de Belastingdienst, zijn voldaan. Dit wordt bevestigd door de curator. Dat betekent dat er thans slechts één crediteur resteert, zijnde de Belastingdienst, en dat er dus geen pluraliteit is. Ook verkeert [appellant] niet in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
7.7.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en het oorspronkelijke verzoek tot faillietverklaring alsnog afwijzen.
7.8.
De curator heeft verzocht om zijn salaris vast te stellen (begroot op € 13.852,22 inclusief btw). Omdat [appellant] op 4 februari 2025 terecht failliet is verklaard en lopende de procedure in hoger beroep nog diverse crediteuren heeft betaald, al dan niet na het treffen van een schikking, ziet het hof aanleiding om [appellant] te veroordelen tot betaling van de faillissementskosten aan de curator. Het hof zal omtrent het salaris van de curator overeenkomstig de opgave van 15 april 2025 beslissen als in het dictum vermeld.
8De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
wijst het verzoek van de Belastingdienst tot faillietverklaring van [appellant] af;
vernietigt het faillissement van [appellant] ;
bepaalt dat de faillissementskosten € 13.852,22 inclusief btw bedragen en veroordeelt [appellant] tot betaling van dit bedrag aan de curator;
verklaart dit arrest voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier van de rechtbank zorg te dragen voor kennisgeving van de uitspraak aan de administratie van de posterijen.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, L.G.J.M. van Ekert en J.B. Smits en is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.