Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1367
Civiel recht
Rekestprocedure
4,662 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 15 mei 2025
Zaaknummer : 200.348.252/02
Zaaknummer (HZ HB) : 200.348.252/01
in de zaak van
1 [verzoeker 1]
2. [verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [verzoeker 1] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,
tegen
[B.V. 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. B.E. Gerards te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij verzoekschrift met producties (A tot en met K), ontvangen op 16 december 2024, heeft [verzoeker 1] het hof (in eerste aanleg) verzocht om een deskundigenonderzoek te bevelen met de bedoeling om antwoord te krijgen op de in het verzoekschrift verwoorde vragen en daarover verslag uit te brengen en daarbij als deskundige te benoemen [B.V. 2] B.V. en/of een daartoe door het hof aan te wijzen persoon.
1.2.
Bij verweerschrift, ontvangen op 8 april 2025, heeft [verweerster] verzocht [verzoeker 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek van [verzoeker 1] af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker 1] in de kosten van deze procedure.
1.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
het V8-formulier en de brief van 2 april 2025 van mr. Maat met daarbij de memorie van grieven in de hoofdzaak en
de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door de advocaat van [verzoeker 1] overgelegde pleitnotitie.
1.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2025. Bij deze
gelegenheid zijn gehoord:
- de heer [verzoeker 1] , bijgestaan door mr. Maat en
- de heer [betrokkene 1] en de heer [betrokkene 2] namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Gerards.
Beoordeling
2.1.
Het gaat – kort weergegeven – om het volgende.
a. Tussen [verzoeker 1] en [verweerster] is een geschil ontstaan over een tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst van 8 april 2021 waarbij [verzoeker 1] de opdracht aan [verweerster] heeft gegeven een vrijstaande (nieuwbouw)woning te realiseren. De daarin opgenomen aanneemsom bedraagt € 555.000,00 inclusief btw en inclusief stelposten.
Op 29 juli 2022 is de woning opgeleverd. Bij de oplevering is een aantal gebreken geconstateerd en vastgelegd in een opleveringsrapport dat door partijen is ondertekend.
Bij e-mail van 10 januari 2023 is door [verweerster] de eindfactuur gestuurd van € 40.013,74 (inclusief btw) zijnde, volgens de omschrijving, de laatste termijn van de aanneemsom en het restant van het saldo van het meer- en minderwerk. Bij de factuur is een specificatie van het meer- en minderwerk gevoegd.
In zijn e-mail van 22 januari 2023 heeft [verzoeker 1] zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat diverse posten dan wel gebreken moeten worden verrekend, zodat [verweerster] juist nog een bedrag verschuldigd is aan [verzoeker 1] .
Bij brief van 28 maart 2023 heeft [rechtsbijstandverzekeraar] (de rechtsbijstandsverzekeraar) namens [verweerster] geantwoord dat de door [verzoeker 1] gestelde verrekening ongefundeerd is en hem aangemaand om de eindfactuur te betalen. [verzoeker 1] heeft de factuur niet betaald.
Bij dagvaarding van 19 juni 2023 heeft [verweerster] onder meer gevorderd dat [verzoeker 1] de eindfactuur van € 40.013,74 moet betalen.
[verzoeker 1] heeft in reconventie gevorderd dat [verweerster] de aanneemovereenkomst moet nakomen. Hij heeft daarbij 23 gebreken aan de woning opgesomd.
Bij vonnis van 28 augustus 2024 (zaaknummer C/02/411071 / HA ZA 23-349) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant – kort weergegeven – [verzoeker 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en [verweerster] grotendeels in het gelijk gesteld, zowel in de procedure in conventie, als in reconventie. De rechtbank heeft geoordeeld dat alleen sprake is van een gebrek ten aanzien van de breedte van de deuren van de garage en de bijkeuken en het veiligheidsbeslag. Voor zover van belang heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
“Grondpeil (a) en ontwateringsgaten (b)
(…)
4.11.
Dit verweer slaagt. Uit de e-mail van [verzoeker 1] van 18 november 2021 volgt dat hij op dat moment zijn zorgen heeft geuit over het vollopen van de ontwateringsgaten met valspecie. [verzoeker 1] heeft vervolgens gekozen geen nader onderzoek in te stellen en gesteld noch gebleken is dat hij daarna heeft geklaagd over (de gevolgen van) het ontbreken/afsluiten van de ontwateringsgaten. Pas in augustus 2023 – bijna twee jaar na dato – is [betrokkene 3] ingeschakeld en heeft [verzoeker 1] voor het eerst bij conclusie van eis in reconventie bij [verweerster] geklaagd over de ontwateringsgaten. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van [verzoeker 1] gelegen om – gelet op de gestelde (mogelijke) wateroverlast – hier eerder onderzoek naar te (laten) doen dan wel bij [verweerster] te klagen.
Voorts overweegt de rechtbank dat [verzoeker 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van wateroverlast in de woning en dat dit het gevolg is van de gesloten dan wel ontbrekende ontwateringsgaten. In het rapport van [betrokkene 3] valt immers alleen te lezen dat de ontwateringsgaten onder het maaiveld zouden zijn dichtgezet, maar niet welke gevolgen dit heeft. Ook de vordering onder l.b. zal derhalve worden afgewezen.
(…)
Garagedeur (g)
(…)
4.23.
De rechtbank overweegt dat in de aanneemovereenkomst is overeengekomen dat een (geïsoleerde) sectionaaldeur in de voorgevel van de garage zou worden aangebracht in een standaard RAL-kleur, met aan de buitenzijde een paneel in een ‘satin glad’ uitvoering (zie ro. 2.2.). Over de afmetingen van de sectionaaldeur en de wijze waarop deze dient te worden geplaatst is in de aanneemovereenkomst niets opgenomen. Gelet op de gemotiveerde toelichting van [verweerster] dat de deur niet anders kon worden geplaatst dan met dit montagekader, is de rechtbank van oordeel dat hiermee is voldaan aan de aanneemovereenkomst. Ook ten aanzien van de kleur kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een gebrek. Overeengekomen is immers ‘satin glad’, oftewel zijdeglans. Gesteld noch gebleken is dat in afwijking daarvan een mat zwarte kleur is overeengekomen.
Ten aanzien van de (geluids)isolerendheid van de sectionaaldeur overweegt de rechtbank nog dat [verzoeker 1] heeft nagelaten zijn stelling dat dit onvoldoende is, te onderbouwen. Ook in het rapport van [betrokkene 3] is daarover niets opgenomen. Bij deze stand van zaken kan dan ook niet worden vastgesteld dat op dit punt sprake is van een gebrek waarvoor [verweerster]
aansprakelijk is. De vordering onder l.g. wordt dan ook afgewezen.
(…)
Stucwerk (q)
4.33.
Een ander punt dat door [verzoeker 1] wordt aangevoerd is het stucwerk in de woning. Volgens [verzoeker 1] is dit niet goed uitgevoerd (er is geen voorstrijk gebruikt), als gevolg waarvan het stucwerk tijdens het schilderen afbrokkelde en (zelfs na herstel door een schilder) gaatjes, strepen en naden zichtbaar zijn gebleven. Ook is in de woonkamer een stalen balk zichtbaar gebleven, die middels stucwerk had moeten worden weggewerkt.
[verzoeker 1] vordert herstel van het stucwerk en dat daarna het schilderwerk (ook) opnieuw wordt uitgevoerd.
4.34.
De rechtbank stelt voorop dat in het opleveringsrapport uitsluitend melding is gemaakt van het stucwerk bij de trap. Aangezien het hier gaat om een zichtbaar (gesteld) gebrek, is [verweerster] daarvoor niet (meer) aansprakelijk, anders dan het stucwerk bij de trap.
4.35.
Voor zover [verzoeker 1] stelt dat het stucwerk bij de trap niet goed is uitgevoerd, geldt dat dit – in het licht van het verweer van [verweerster] – onvoldoende is onderbouwd. Niet alleen is onduidelijk welke gebreken het stucwerk specifiek bij de trap zou vertonen, ook voert [verweerster] gemotiveerd aan dat een afwerklaag is gebruikt waarbij voorstrijk niet
nodig is. Hier heeft [verzoeker 1] niet op gereageerd. Daarnaast is volgens [verweerster] – ondanks dat [verweerster] had bevestigd dat nog enkele puntjes ten aanzien van het stucwerk moesten worden afgerond – de door [verzoeker 1] ingeschakelde schilder op de dag van de oplevering aan zijn werkzaamheden begonnen, zodat [verweerster] geen kans gekregen om de (gestelde) gebreken ten aanzien van het stucwerk te verhelpen. [verzoeker 1] heeft dat op zijn beurt niet weersproken, zodat geconcludeerd moet worden dat hij de toestand van het stucwerk heeft geaccepteerd. Gelet daarop wordt de vordering onder l.q. eveneens afgewezen.
(…)
Voegwerk (t en u)
4.38.
Ten aanzien van het voegwerk stelt [verzoeker 1] dat is gewerkt met verschillende
kleuren en dat de voegen aan de buitengevel niet voldoende diep zijn. Hij vordert (onder l.t.)
dat de voegen met de onjuiste kleur worden verwijderd en dat deze worden hersteld met de
juiste kleur en (onder Lu.) dat het voegwerk wordt hersteld in die zin dat de juiste diepte
wordt toegepast.
4.39.
De rechtbank stelt voorop dat de kleur en de diepte van het voegwerk zaken zijn
zichtbaar zijn en die redelijkerwijs tijdens de oplevering hadden moeten worden vastgesteld.
In het opleveringsrapport is over voegen niets vermeld.
Dictum
Het hof:
wijst het verzochte af;
veroordeelt [verzoeker 1] in de proceskosten van deze verzoekschriftprocedure en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 2.428,00 voor salaris advocaat en
verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Smits, S.M.A.M. Venhuizen en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.
Beoordeling
[verweerster] is dan ook ontslagen van
zijn aansprakelijkheid op dit punt. De vorderingen onder l.t. en Lu. worden afgewezen.”
i) Tegen dit vonnis heeft [verzoeker 1] hoger beroep ingesteld. De dagvaarding is op 26 november 2024 bij het hof aangebracht. Op 18 februari 2025 is de memorie van grieven genomen. Op 29 april 2025 heeft [verweerster] de memorie van antwoord genomen (ambtshalve peremptoir) en ook grieven in incidenteel appel.
2.2.
[verzoeker 1] heeft in zijn verzoekschrift – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij in verband met een mogelijke wens tot aanpassing van zijn reconventionele eis en begroting van herstelkosten van gebreken dan wel schadevergoeding, recht heeft op en belang heeft bij een deskundigenoordeel om zijn grieven verder te kunnen formuleren over vier onderwerpen (de ontwateringsgaten, de sectionaaldeur, het stucwerk en het voegwerk).
2.2.1.
Ter zitting heeft [verzoeker 1] – kort weergegeven – hieraan het volgende toegevoegd. [verweerster] beroept zich erop dat [verzoeker 1] op 18 februari 2025 van grieven heeft gediend. [verzoeker 1] bestrijdt dat toewijzing van het verzoek in strijd zou komen met de goede procesorde. Hij verwijst daarvoor onder meer naar het tijdspad en de handelwijze van [verweerster] hierin. Zo werd op 11 november 2024 door [verweerster] een anticipatie-exploot uitgebracht met een oproeping tegen 26 november 2024 (in plaats van 25 maart 2025), werd door [verweerster] een mediationtraject afgewezen en heeft [verweerster] niet ingestemd met een uitstel voor het nemen van de memorie van grieven.
Ook al zijn de grieven genomen, [verzoeker 1] heeft nog steeds belang bij het verkrijgen van de rapportage voordat het hof arrest wijst. Zo heeft [verzoeker 1] belang bij beantwoording van de vragen over de ontwateringsgaten voor de beoordeling van het hof of [verzoeker 1] tijdig heeft geklaagd en is het voor het hof zinnig om te weten of het voegwerk met voldoende diepte is uitgevoerd omdat tussen partijen discussie bestaat over de uitvoering van het voegwerk.
Idealiter zou volgens [verzoeker 1] de dagvaardingsprocedure in dit kader even “on hold” worden gezet. Als de rolraadsheer (of [verweerster] ) daarin niet meegaat, zal [verzoeker 1] zelf een mondelinge behandeling vragen. De praktijk leert dat de datum van de mondelinge behandeling een aantal maanden in de toekomst ligt. Het gewenste deskundigenbericht zal volgens [verzoeker 1] ruimschoots voor de mondelinge behandeling gereed zijn.
2.3.
[verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht moet worden afgewezen. Hiertoe heeft [verweerster] aangevoerd dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde wegens de stand van de procedure in de hoofdzaak. [verzoeker 1] heeft zijn grieven al genomen, waardoor hij geen, dan wel onvoldoende, belang heeft bij een voorlopig deskundigenbericht, mede gelet op de tweeconclusieregel en het grievenstelsel. Een toewijzende beslissing zal ook de voortgang van de hoofdzaak belemmeren; het deskundigenbericht zal niet voor de eventuele mondelinge behandeling beschikbaar zijn. Indien het gerechtshof zich in de hoofdzaak nog voorgelicht wenst te zien, zal het gerechtshof een deskundige benoemen. De vragen aan de deskundige kunnen dan ook specifiek(er) worden gesteld. Verder heeft [verzoeker 1] geen belang bij zijn verzoek, omdat het gerechtshof in de hoofdzaak eerst zal moeten oordelen over (juridische) onderdelen van de rechtbank, voordat aan een deskundigenonderzoek kan worden toegekomen. Daarbij betreft het verzoek geen feiten die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen.
2.4.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
2.4.1.
De dagvaarding is op 7 november 2024 betekend en het verzoekschrift is ingediend op 16 december 2024, zodat het vóór 1 januari 2025 geldende bewijsrecht hierop nog van toepassing is.
2.4.2.
Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW), dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.
2.4.3.
Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [verzoeker 1] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet worden afgewezen. Het hof motiveert dit als volgt.
2.4.4.
Het hof is van oordeel dat het thans gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek, gelet op het stadium waarin het hoofdgeding in hoger beroep tegen het vonnis van 28 augustus 2024 verkeert (zaaknummer 200.348.252/01), strijdig is met de goede procesorde. De memorie van grieven is reeds op 18 februari 2025 genomen en de memorie van antwoord op 29 april 2025 (ambtshalve peremptoir). Ook zijn de grieven in incidenteel appel genomen. Daarna volgt, indien één of beide partijen dat verzoeken, een mondelinge behandeling die naar verwachting van het hof binnen drie tot zes maanden daarna zal plaatsvinden. Het hof houdt er daarbij rekening mee dat in de hoofdzaak de stellingen en verweren van partijen de vraag kunnen doen rijzen of nadere bewijslevering door het gelasten van een deskundigenonderzoek (alsnog) nodig is, en zo ja, op welke onderdelen. Anders dan [verzoeker 1] stelt, zou een toewijzende beslissing in dit stadium in deze zaak de voortgang van de hoofdzaak (kunnen) belemmeren, aangezien het redelijkerwijs de verwachting is dat de uitkomst van het voorlopig deskundigenonderzoek niet tijdig voor de mondelinge behandeling in de hoofdzaak beschikbaar is. Bovendien kan een toewijzing van het verzoek in dit stadium ertoe leiden dat een deskundigenbericht wordt gelast over bepaalde punten die mogelijk in de hoofdzaak geen rol (meer) spelen, omdat de rechtbank met betrekking tot verschillende door [verzoeker 1] gestelde gebreken diens vorderingen op formeel juridische gronden heeft afgewezen, die, voor zover die in hoger beroep in stand blijven, verder feitelijk onderzoek door een deskundige overbodig maken. Het ligt daarom veeleer in de rede dat het hof in de hoofdzaak zelf beoordeelt of het nodig is dat een deskundige wordt benoemd en zo ja, wat de omvang ervan zal zijn, zodat het onderzoek van de deskundige vervolgens ook gerichter zal zijn.
Dat door [verweerster] een anticipatie-exploot is uitgebracht en dat [verweerster] niet heeft ingestemd met een uitstel voor het nemen van de memorie van grieven, maakt het voorgaande niet anders.
2.4.5.
Naar het oordeel van het hof komt toewijzing van het verzoek van [verzoeker 1] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht op dit moment dan ook in strijd met de goede procesorde. Het hof zal het verzoek afwijzen.
Proceskosten
2.5.
Het hof zal, zoals verzocht, [verzoeker 1] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van deze verzoekschriftprocedure aan de zijde van [verweerster] conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II).