Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1364
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,852 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 15 mei 2025
Zaaknummer: 200.347.836/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11169036 OV VERZ 24-4063
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. A. Huseinovic,
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
[VOF] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[belanghebbende 1] ,
wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,
en
[belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [belanghebbende 2] .
Als informant merkt het hof aan:
[de mentor] h.o.d.n. [B.V.] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de mentor.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , van 30 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 5 november 2024 heeft de rechthebbende verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toe te wijzen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. Huseinovic.
2.2.1.
[belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] zijn, hoewel op de juiste wijze opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.2.2.
De bewindvoerder en de mentor zijn, met bericht van afmelding, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van 7 juni 2018 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , over de goederen die aan [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1943 als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende, met benoeming van [vennoot 1] en [vennoot 2] , beiden vennoot van [VOF] tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert – samengevat – het volgende aan. Het bewind moet worden opgeheven omdat aan de gronden voor het bewind niet, althans niet langer, wordt voldaan.
In 2018 is de rechthebbende vrijwillig (op eigen verzoek) onder bewind gesteld vanwege haar gezondheidssituatie en de situatie rondom haar echtgenoot. De rechthebbende werd in 2018 gediagnosticeerd met borstkanker en kort daarna geopereerd. Ook haar echtgenoot kampte met gezondheidsproblemen en is in 2019 overleden. In die moeilijke periode was de rechthebbende geestelijk in de war en was het noodzakelijk om haar goederen te beschermen. Dit is nu niet meer noodzakelijk omdat de omstandigheden zijn gewijzigd. Na de operatie is de rechthebbende volledig hersteld. Zij heeft nu regelmatig contact met de huisarts voor de controle van haar gezondheid. Het enkele feit dat de rechthebbende op leeftijd is, is onvoldoende grond voor voortzetting van het bewind.
De rechthebbende is in staat om haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zij weet wat haar inkomsten en vaste lasten zijn en de meeste betalingen kunnen via een automatische incasso verlopen. In het geval zij toch hulp nodig heeft bij financiële zaken kan zij terecht bij haar zus, [zus] . Deze zus woont in [plaats] , verkeert in een goede gezondheid en is een aantal jaren jonger dan de rechthebbende. Rechthebbende bezoekt haar zus een keer in de veertien dagen.
Met behulp van een vriend pint de rechthebbende haar leefgeld. Met deze vriend doet ze wekelijks boodschappen. De rechthebbende woont volledig zelfstandig, zorgt voor haar eigen eten en heeft verschillende hobby’s waarmee zij een invulling geeft aan haar dag. Vanuit de gemeente [gemeente] ontvangt zij al geruime tijd ambulante hulpverlening in de vorm van een maatschappelijk werkster. Daarnaast is de mentor betrokken waarmee de rechthebbende een goede band heeft. De mentor heeft kenbaar gemaakt dat als het bewind wordt opgeheven en er in de toekomst toch weer een dergelijke maatregel nodig zou zijn, zij hiertoe actie zal ondernemen.
De rechthebbende ervaart het bewind als een last en de samenwerking met de bewindvoerder is verstoord. Ook maakt de rechthebbende zich zorgen dat de bewindvoerder mogelijk schulden laat ontstaan. Zo betaalde de bewindvoerder de afgelopen periode verschillende rekeningen niet op tijd, zoals de griffierechten van de onderhavige procedure terwijl hiervoor tijdig bijzondere bijstand was verstrekt. De rechthebbende is bang dat zij een dubbeltje schuld maakt terwijl zij nog nooit schulden heeft gehad. De bewindvoerder is daarnaast vaak onbereikbaar en verstrekt geen jaaroverzicht van de rekeningen. Op deze manier worden de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende niet voldoende behartigd.
3.5.
De bewindvoerder heeft in hoger beroep niet gereageerd op het verzoek van de rechthebbende.
Het wettelijk kader
3.6.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.7.
Op grond van het voorgaande dient het hof allereerst te beoordelen of bij de rechthebbende nog steeds sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand die een onderbewindstelling van haar goederen rechtvaardigt. Het hof beantwoordt deze vraag, anders dan de kantonrechter, ontkennend en licht dit oordeel als volgt toe.
3.8.
De rechthebbende is in het verleden (vrijwillig) onder bewind gesteld vanwege een kwetsbare emotionele toestand als gevolg van het ziektebeeld en latere overlijden van haar echtgenoot, alsmede vanwege het feit dat de rechthebbende zelf ernstig ziek is geworden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechthebbende het hof helder en overtuigend geïnformeerd over haar huidige (gezondheids-)situatie. Hieruit blijkt dat zij weliswaar op hoge leeftijd is en fysiek kwetsbaar vanwege haar reuma, maar er is geen enkele aanwijzing dat zij op dit moment wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand nog steeds niet in staat is om haar financiën te beheren. Zo heeft de rechthebbende blijk gegeven goed inzicht te hebben in haar inkomsten en uitgaven, ontvangt zij van de bewindvoerder haar leefgeld maandelijks (in plaats van wekelijks dat vaak gebruikelijk is bij bewind) en is niet gesteld noch gebleken dat zij hier niet mee om kan gaan; niet gebleken is dat zij bijvoorbeeld regelmatig om extra leefgeld verzoekt of iets dergelijks. Evenmin is gebleken noch aannemelijk geworden dat er misbruik van de rechthebbende of haar financiële positie wordt gemaakt. Daarnaast is relevant dat de rechthebbende een weliswaar beperkt maar stabiel (sociaal) netwerk lijkt te hebben. Zo heeft de rechthebbende een zus waar zij regelmatig contact mee heeft en die haar kan helpen met het beheren van haar financiën en een vriend die haar wekelijks helpt met het pinnen van (leef-)geld en het doen van boodschappen en met wie zij ook leuke dingen onderneemt. Daarnaast zijn een maatschappelijker werkster en huisarts bij de rechthebbende betrokken. Tot slot is een professioneel mentor betrokken met wie de rechthebbende een goede band heeft. Het past bij de rol van de mentor om de situatie rondom de rechthebbende te monitoren en waar nodig in toekomst stappen te zetten rondom de financiële belangen van de rechthebbende als de toekomstige situatie daarom zou vragen. Daar komt bij dat volgens de rechthebbende de verhoudingen met de bewindvoerder zijn verstoord en de rechthebbende er geen vertrouwen in heeft dat haar financiële belangen door de bewindvoerder op een adequate wijze worden behartigd.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is er onvoldoende grond om het bewind te laten voortduren.
3.9.
Hoewel de bewindvoerder in eerste aanleg een schriftelijke reactie heeft ingediend en op de mondelinge behandeling in eerste aanleg is verschenen, heeft de bewindvoerder ervoor gekozen om tijdens de mondeling behandeling van het hoger beroep niet (digitaal) aanwezig te zijn. De bewindvoerder heeft het hof niet nader schriftelijk geïnformeerd over het (actuele) verloop van het bewind en eerdere gedane verzoeken tot opheffing van het bewind.
3.10.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het bewind opheffen met ingang van 1 juni 2025.
3.11.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , van 30 augustus 2024;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van 1 juni 2025, het bewind over de goederen van [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , overlegt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg , in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.D.M. van der Linden, G.M. Goes en is op 15 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van mr. T. Kuijs, griffier.