Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1362
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,526 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 15 mei 2025
Zaaknummer : 200.350.695/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/333402 / JE RK 24-1303
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R. Engwegen,
tegen
Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Deze zaak gaat over:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende merkt het hof aan:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de verdeling van zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat de vader gedurende drie uur per week begeleid contact heeft met [minderjarige] , door een nader te bepalen hulpverleningsorganisatie waarbij de locatie en de dag zullen worden afgestemd op de mogelijkheden van de vader en deze nader te bepalen hulpverleningsorganisatie.
2.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling zijdens de GI af te wijzen. Kosten rechtens.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, evenals de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
2.4.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2025, heeft de moeder verzocht de verzochte wijziging van de bestreden beschikking af te wijzen.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 oktober 2024;
het V6-formulier met bijlagen d.d. 27 maart 2025 namens de vader;
het V6-formulier met bijlage d.d. 31 maart 2025 namens de moeder;
bericht via Zivver d.d. 1 april 2025 namens de vader over de voortgang van de onderhavige procedure in verband met een andere lopende hoger beroepsprocedure tussen partijen.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Engwegen;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
de moeder, bijgestaan door mr. Hermans.
2.6.1.
De raad is, met bericht van afmelding, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.6.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.7.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van 3 april 2025 namens de GI, ontvangen op 7 april 2025, en het V6-formulier met bijlage d.d. 16 april 2025 namens de vader.
Feiten
3.1.
Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders is onder andere [minderjarige] geboren. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.3.
Bij de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 januari 2023 is een zorg- en contactregeling vastgesteld nadat de ouders deze onderling zijn overeengekomen, waarbij [minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
gedurende drie achtereenvolgende zaterdagen van 10.00 uur tot 17.00 uur na het afleggen van een negatieve alcohol- en drugstest door de vader in het bijzijn van de grootmoeder vaderszijde om 9.00 uur op de ochtend van het contact;
gedurende drie achtereenvolgende zaterdagen van 10.00 uur tot 20.00 uur;
vervolgens een keer per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag 8.30 uur en wekelijks op woensdag na school tot 19.00 uur;
gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
3.4.
De moeder heeft medio juni 2023 de zorg- en contactregeling stopgezet. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 27 juli 2023 is de moeder onder meer veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 20 januari 2023 vastgestelde zorg- en contactregeling op straffe van een dwangsom. Bij arrest van dit hof van 2 april 2024 is voornoemd vonnis vernietigd voor zover het betreft de veroordeling om aan de vader een dwangsom te betalen indien de moeder niet voldoet aan de veroordeling om mee te werken aan de zorg- en contactregeling, en is de vordering van de vader tot het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot nakoming alsnog afgewezen.
3.5.
Bij beschikking van de rechtbank van 18 december 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van negen maanden. Deze maatregel is vervolgens bij beschikking van 10 september 2024 verlengd tot 18 september 2025.
3.6.
Na de bestreden beschikking van 30 oktober 2024 is bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 december 2024 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en onder andere bepaald dat de regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: [minderjarige] verblijft bij de vader middels een onder begeleiding van [instantie 1] op te bouwen zorgregeling - waarbij [minderjarige] op dit moment gedurende drie uur per week onder begeleiding van [instantie 1] contact met de vader heeft (en waarbij de locatie en de dag zullen worden afgestemd op de mogelijkheden van de vader en [instantie 1] ) - eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag 08.30 uur en wekelijks op woensdag tot 19.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, met dien verstande dat het aan de professionals is om de (verdere) opbouw naar die regeling toe te bepalen en het tempo van [minderjarige] daarbij leidend is.
Beoordeling
4.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is dat het contact met de vader onder begeleiding zal plaatsvinden. De vader is in staat om op een goede en verantwoorde wijze zorg te dragen voor [minderjarige] . De vader heeft een hechte band met [minderjarige] en [minderjarige] ervaart last van het feit dat de zorgregeling is beperkt en onder begeleiding plaatsvindt. Het klopt dat er in het verleden een aantal meldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan. Dit is niet enkel aan de vader te verwijten maar is ook het gevolg geweest van de wijze waarop de moeder en haar partner zich hebben gedragen tijdens wisselmomenten. Deze houding heeft vaak tot confrontaties geleid. Begin oktober 2024 is er voor het laatst een Veilig Thuis melding gedaan, dit was te wijten aan het gedrag van de partner van zijn dochter. Sinds het inleidende verzoek is de (thuis)situatie van de vader rustig. De vader is met zichzelf aan de slag gegaan en er is sprake van een positieve ontwikkeling.
Het is opvallend dat de GI tijdens de verlengingszitting van de ondertoezichtstelling op 10 september 2024 niets heeft opgemerkt over het verzoek met betrekking tot wijziging van de zorgregeling, terwijl dat op dat moment wel al ingediend was. Ook is opvallend dat de GI de onbegeleide zorgregeling steeds heeft ondersteund in de periode vanaf indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de bestreden beschikking. Uit deze gedragingen van de GI blijkt dat de noodzaak voor begeleid contact er niet was.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank zorgen geuit over de emoties van de vader en overwogen dat de incidenten in zijn thuissituatie en zijn weigerachtige houding om hulpverlening accepteren, de ontwikkeling van [minderjarige] in de weg staan. De vader heeft de zorgen serieus genomen. De vader is in april 2024 aangehouden op verdenking van huiselijk geweld waarvoor bewaring is bevolen, doch is direct geschorst onder een aantal voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht. De vader heeft in overleg met de reclassering besloten om te verzoeken de schorsingsvoorwaarden uit te breiden met een alcoholverbod. Dit is gebeurd. Er vinden sindsdien controles plaats door de reclassering en dit gaat goed. De reclassering heeft geen terugmelding bij het Openbaar Ministerie gedaan. Dit laat zien dat de vader bereid is zijn problemen aan te pakken. Ook weigert de vader hulpverlening niet langer. Hij wordt thans begeleid door [instantie 2] . Gelet op deze positieve ontwikkeling is er geen noodzaak (meer) aanwezig om de contactmomenten begeleid te laten plaatsvinden. Dit blijkt te meer uit de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 maart 2025 waarbij het verzoek van de raad om de twee jongste kinderen van de vader onder toezicht te stellen is afgewezen. Deze tweeling woont bij de vader, dit is dezelfde situatie als waarin hij [minderjarige] ontvangt. De raad heeft in die zaak dezelfde redenen benoemd voor een ondertoezichtstelling als die in de onderhavige zaak naar voren zijn gebracht als reden om de zorgregeling begeleid te laten plaatsvinden. De kinderrechter heeft in de beschikking van 4 maart 2025 de positieve ontwikkeling van de vader erkend en overwogen dat de zorgen in de thuissituatie van de vader er niet meer zijn. Hieruit blijkt dat de vader [minderjarige] veilige contactmomenten kan bieden. Dit wordt bevestigd door het feit dat de kinderen van zijn partner en haar ex, die ook onder toezicht van de GI staan, onbegeleid bij de vader en zijn partner mogen komen.
De dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep is het contactmoment vroegtijdig afgebroken. De kinderrechter heeft beslist dat de contactmomenten drie uur duren, maar aan die tijdsduur wordt door de GI niet volledig uitvoering gegeven. Dit zorgt voor frustratie bij de vader. Daarbij probeerde de vader met [minderjarige] de uitnodiging voor het kindgesprek te bespreken. Hierbij heeft hij zich niet diskwalificerend uitgelaten over de moeder. Er is een woordenwisseling ontstaan maar dit is anders gelopen dan zoals door de omgangsbegeleidster is gesteld. Dit incident dient er niet toe te leiden dat de begeleide zorgregeling gecontinueerd wordt. Uit de evaluatieverslagen komt naar voren dat de zorgregeling over het algemeen goed verloopt, dat zich geen noemenswaardige problemen hebben voorgedaan, dat de vader zich stuurbaar en leerbaar toont en dat [minderjarige] het contact met de vader als zeer prettig ervaart.
4.2.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. Het is onjuist dat uit het handelen van de GI blijkt dat er geen noodzaak is voor begeleide contactmomenten. Op 17 april 2024 heeft de GI een aankondiging schriftelijke aanwijzing aan de vader gestuurd om hem aan te sturen om tot een constante samenwerking met de GI te komen, waarbij veiligheidsafspraken gemaakt, gepland en nagekomen worden waardoor de zorgregeling op een veilige manier kan verlopen voor [minderjarige] . Op 1 juni 2024 volgt echter een Veilig Thuis melding waaruit blijkt dat de vader met zijn partner verbaal ruzie had in aanwezigheid van [minderjarige] , waarbij de veiligheidsafspraken niet zijn nagekomen. Op basis van een inschatting van de politie was de vader zichtbaar onder invloed van alcohol en mogelijk cannabis. Hierop heeft de GI op 12 juni 2024 een schriftelijke aanwijzing aan de vader gestuurd overeenkomstig de vooraankondiging. De beschreven consequentie voor het niet opvolgen van de schriftelijke aanwijzing was onder andere dat de GI genoodzaakt was om een wijziging van de zorgregeling te verzoeken. Op 29 juni 2024 volgde een nieuwe Veilig Thuis melding waarin de partner van de vader aangaf dat de vader zich wederom niet hield aan de veiligheidsafspraken. Hierop heeft de GI het inleidende verzoek ingediend. Gedurende de periode tussen het indienen van het verzoek en de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn er meerdere positieve urinecontroles geweest (op 6 juli 2024, 16 juli 2024 en 1 oktober 2024 werden hoge waardes van alcohol getest, 16 juli 2024 werd ook cocaïne getest). Op 5 oktober 2024 heeft een nieuw incident plaatsgevonden in de thuissituatie van de vader tijdens een contactmoment met [minderjarige] . De vader heeft gedurende gesprekken met de jeugdbeschermer in de periode tussen het inleidend verzoek en de mondelinge behandeling aangegeven niet voornemens te zijn zich te houden aan de veiligheidsafspraken. Het voorgaand beschreven proces is de juridisch correcte weg die de GI heeft bewandeld.
De GI zag een voorzichtige positieve ontwikkeling bij de vader. De reclasseringswerker heeft de GI op 10 maart 2025 laten weten dat de uitslagen van de urinecontroles sinds begin november 2024 schoon zijn van harddrugs en alcohol. Enkel met oud en nieuw had de vader minimaal gedronken en hij had dit al voor de controle kenbaar gemaakt. De vader heeft meegewerkt aan [instantie 2] en heeft openheid van zaken gegeven. Het alcoholverbod is ter sprake gekomen als extra stok achter de deur en daar heeft hij direct mee ingestemd, ondanks dat zijn advocaat hem hierin negatief adviseerde. In het licht van het eerder waargenomen patroon, waarbij rustige periodes afwisselen met vervelende periodes, is het belangrijk dat de ontwikkeling wordt doorgezet. De door de vader beschreven situatie over de moeder en haar partner betreft één Veilig Thuis melding. Dit is niet vaker voorgekomen. Wat betreft het incident op 5 oktober 2024 merkt de GI op dat de vader als volwassen man en vader in staat behoort te zijn om zijn eigen handelen, zeker in aanwezigheid van zijn kind, te reguleren. De vader heeft moeite om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen rol, waarbij hij de schuld vooral buiten zichzelf legt. De GI maakt zich zorgen over de mate waarin hij zijn emoties kan reguleren. De vader benoemt dat het sinds de bestreden beschikking rustig is in zijn thuissituatie.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 oktober 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.D.M. van der Linden en A.M. van Riemsdijk en is op 15 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.
Beoordeling
In het evaluatiegesprek met de vader, de jeugdbeschermer en [instantie 1] heeft de vader echter aangegeven dat de relatie met zijn partner is verbroken maar dat hij nog wel met haar en hun kinderen samenwoont. Later gaf hij aan wel een relatie met haar te hebben. Er is wederom onrust in de thuissituatie. Tevens heeft er daags voor de mondelinge behandeling in hoger beroep nog een heftig incident tijdens de omgang plaatsgevonden. Vader heeft zich niet aan de veiligheidsafspraken gehouden en heeft de omgangsbegeleider onheus bejegend.
4.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Er is noodzaak voor een begeleide zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De vader heeft weer aangetoond dat hij niet structureel in staat is om op een goede en verantwoorde wijze zorg te dragen voor [minderjarige] , hetgeen los staat van de band tussen de vader en [minderjarige] . De moeder concludeert uit het verweerschrift van de GI dat er sprake is van voorzichtige positieve ontwikkelingen binnen de begeleide zorgregeling maar dat als gevolg van het patroon van onrust en rust in de thuissituatie van de vader, een begeleide zorgregeling nog altijd noodzakelijk is ondanks een ontwikkeling in het probleembesef en de welwillendheid van de vader om aan zijn problemen te werken. In maart 2025 zijn er wederom problemen geweest tussen de vader en zijn huidige partner. De vader heeft abusievelijk een bericht naar de moeder gestuurd die voor de partner bedoeld was waaruit de moeder kon afleiden dat er weer spanningen zijn geweest. Ook de dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft er een incident plaatsgevonden in het bijzijn van [minderjarige] . De moeder is van mening dat er nog geen sprake is van een langdurige en structurele verbetering aan de zijde van de vader die de nodige garanties kan bieden dat [minderjarige] niet wederom in de onveilige situaties van spanningen en geweld bij de vader terecht zal komen, zodat het verzoek van de vader prematuur is.
4.4.
Het hof overweegt als volgt.
4.4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
of een omgangsregeling vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de
minderjarige noodzakelijk is.
4.4.2.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het contact met de vader onder begeleiding zal plaatsvinden gedurende drie uur per week. Dit in verband met de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. Het is positief dat de vader op eigen initiatief de schorsingsvoorwaarden heeft laten uitbreiden met een alcoholverbod en niet is gebleken dat hij nog alcohol heeft gebruikt (behalve eenmalig met oud en nieuw). Echter, van rust in de thuissituatie is geen sprake. Niet alleen is naar voren gekomen dat de relatie tussen de vader en zijn partner verbroken is (geweest), ook heeft er één dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep wederom een incident plaatsgevonden bij de vader in het bijzijn van [minderjarige] . Uit de door de GI overgelegde stukken blijkt dat de vader zich niet aan de veiligheidsafspraken gehouden heeft. Hierbij is het contactmoment vroegtijdig afgebroken door de omgangsbegeleider. Daarbij is de omgangsbegeleider door de vader onheus bejegend, waarbij sprake was van spugen, schreeuwen en schelden in aanwezigheid van [minderjarige] . [instantie 1] heeft hierop de zorginzet ‘on hold’ gezet. Het hof begrijpt dat een andere organisatie de zorgregeling verder zal gaan begeleiden. Ook blijkt uit de stukken dat er die dag politie inzet nodig is geweest op het park waar de vader woont vanwege overlast van de vader en zijn partner. Als gevolg van het incident is de huur van de vader op het vakantiepark waar hij verblijft per 5 april 2025 opgezegd. Dit incident is een voorbeeld van momenten waarbij de vader de veiligheidsafspraken niet naleeft en waarbij hij niet inziet dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] belast met volwassenproblematiek en heeft zicht agressief gedragen nadat het contactmoment werd afgebroken. De voorzichtige positieve ontwikkeling van de vader is dus niet volgehouden. Wederom is het patroon waarbij momenten van rust en onrust zich afwisselen bevestigd. Het hof acht dit niet in het belang van [minderjarige] en ziet hierin voldoende aanleiding om de zorgregeling vooralsnog begeleid te laten plaatsvinden. Dat de jongste kinderen van de vader niet onder toezicht staan en de kinderen van de partner van de vader onbegeleide omgang hebben, doet hier niet aan af. Mogelijk spelen de leeftijd van die kinderen, de omgangsfrequentie en duur en de overige omstandigheden waarin die kinderen verkeren daarbij een rol. De onrust en onveiligheid in de thuissituatie van de vader is niet in het belang van [minderjarige] en hij moet hiertegen beschermd worden. Hoewel het hof constateert dat uit de omgangsverslagen blijkt dat de vader ook heel goed met zijn zoon kan omgaan, lijkt hij niet te beseffen welk schade en nadelige effecten zijn agressieve verbale en non-verbale handelen heeft op [minderjarige] . Het hof verwacht van de GI dat zo nodig op dit punt psycho-educatie voor de vader wordt ingezet. De vader dient als ouder verantwoordelijkheid voor zijn handelen te nemen en [minderjarige] veiligheid en structuur te bieden in een ontspannen omgeving. Zodra de vader in staat is te kunnen samenwerken met de GI en de contactmomenten rustig en gezellig kan laten verlopen, kan er toegewerkt worden naar onbegeleid contact. Dat is helaas op dit moment nog niet het geval.
4.5.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.