Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:1279
Civiel recht
Hoger beroep
1,197 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak: 8 mei 2025
Zaaknummer: 200.342.417/01
in de zaak van:
de vennootschap naar Deens recht
[verzoekster]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Denemarken,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. R.W.L. Russell te Amsterdam,
tegen
[verweerster] B.V. mede handelend onder de naam [naam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. M.B. Hetterscheidt te Amsterdam,
Overwegingen
De eindbeschikking van het hof van 13 maart 2025
1.1.
Bij eindbeschikking van 13 maart 2025 heeft het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van het Deens Instituut voor Arbitrage van 25 januari 2024 op de grond dat het hof vanwege de intrekking door [verzoekster] van haar verzoek op processuele gronden niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Het hof heeft [verzoekster] vervolgens veroordeeld in de proceskosten.
Het verzoek van [verzoekster]
1.2.
Bij e-mail van 20 maart 2025 heeft de advocaat van [verzoekster] het hof verzocht om voornoemde beschikking met betrekking tot de proceskostenveroordeling van [verzoekster] te herzien. De advocaat van [verzoekster] voert in dit verband het volgende aan.
Partijen hebben in Denemarken een schikking bereikt, waarmee het belang van [verzoekster] bij het verzoek was komen te vervallen. Bij voornoemde beschikking heeft het hof [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten, omdat [verzoekster] naar het oordeel van het hof de procedure tot vernietiging van het arbitraal vonnis in Denemarken had moeten afwachten, voordat zij haar verzoek aan het hof had mogen intrekken. Met het bereiken van de schikking en het daarmee intrekken van het verzoek was het voor [verzoekster] niet meer mogelijk om enige uitkomst van een Deense procedure af te wachten.
1.3.
De advocaat van [verweerster] is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Oordeel hof
1.4.
Het hof stelt voorop dat het herzieningsverzoek van [verzoekster] berust op een verkeerde lezing van de eindbeschikking. Het hof heeft in de eindbeschikking immers overwogen dat het aanleiding ziet om [verzoekster] ambtshalve te veroordelen in de proceskosten, omdat [verzoekster] haar verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van het Deens arbitraal vonnis heeft ingediend zonder de uitkomst van de in Denemarken ten tijde van haar verzoek al aanhangige vernietigingsprocedure af te wachten.
1.5.
Het hof ziet voorts geen grond om het herzieningsverzoek toe te wijzen. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Voor zover [verzoekster] bedoelt het hof te vragen om de beschikking te verbeteren als bedoeld in artikel 31 Rv, oordeelt het hof dat geen sprake is van een kennelijke schrijffout of andere
kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Hiervan is immers sprake als voor partijen en derden direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing die eenvoudig kan worden hersteld. [verzoekster] maakt in feite bezwaar tegen de in de beschikking van 13 maart 2025 uitgesproken proceskostenveroordeling. Zij verzoekt het hof in wezen deze veroordeling te heroverwegen. Hiervoor leent zich de procedure ex artikel 31 Rv niet.
Voor zover [verzoekster] met haar herzieningsverzoek het hof vraagt de beschikking te herroepen als bedoeld in artikel 390 jo artikel 382 Rv, geldt dat alleen herroeping kan worden gevraagd nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, wat hier nog niet het geval is, en bovendien slechts op de in artikel 382 Rv genoemde gronden, die hier niet worden aangevoerd.
Het hof wijst het verzoek dan ook af.
1.6.
Het hof merkt ten overvloede op dat niets eraan in de weg staat dat partijen uitvoering geven aan de gestelde schikking, waarvan overigens bij de intrekking geen melding is gemaakt.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek van [verzoekster] tot herziening van de tussen partijen gegeven beschikking van 13 maart 2025 af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, F.C. Alink-Steinberg en C.M. Molhuysen en is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.