Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-05-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:1262
Parketnummer : 20-002328-22 Uitspraak : 2 mei 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 oktober 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-282232-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van feit 1: ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit), meermalen gepleegd’; feit 2: ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit)’; feit 3: ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit)’; feit 4: ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit)’ en; feit 5: ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit)’; veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vraag of de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, gerefereerd aan het oordeel van het hof. Van de aan de verdachte onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten – nu daarin, gelet op de desbetreffende bewijsmiddelen, bewijsoverwegingen en bewezenverklaringen, kennelijk abusievelijk verzuimd is op te nemen dat deze feiten opzettelijk zijn begaan –, de opgelegde gevangenisstraf en de strafmotivering. Ook ziet het hof, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, reden om de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen als opgenomen in het vonnis te verbeteren en aan te vullen op na te melden wijze. Tot slot zullen de in het vonnis opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften worden vervangen. Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het vonnis, als volgt dienen te worden verbeterd en aangevuld. Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, registratienummer PL2000-2021029921, gesloten d.d. 26 juli 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 2717). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop h (klasse 1.1G) ( het hof heeft geconstateerd dat in het politiedossier voor bepaald vuurwerk zowel de benaming Retorno, Retormo als Retomo wordt gebruikt, kennelijk door de grafische gelijkenis van de letters “m”en “rn”; gelet op het “Verkort rapport” van het NFI d.d. 11 april 2020, zaaknummer 2019.11.06.091, pagina 3, is de juiste benaming “Retorno 100” ) - Scream 100 1/1 Flash Banger, 0163-F4-3263. (klasse 1.1G) - Little Joe 1/1 Flash Banger Lj 100, NEM 100 gram, Big Titanium Salute. (klasse 1.1G) - Joker 50g 4/1 Flash Banger, 0163-F4-3263 NEM 50 gram. Arpi (klasse 1.1G) - Zink 901 & 902 Lawine pijlen. Categorie F4, met CE markering, NEM circa 30-43 gram Het betreft een Duitse fabrikant, importeur van Professioneel vuurwerk. (klasse 1.1G) Veel van bovenstaande artikelen zijn NFI bekend, onderzocht en gerapporteerd. Het betreft allemaal Professioneel vuurwerk, wat is in te delen in Lijst III van de Richtlijn Strafvordering Vuurwerkdelicten 2020R001. Het gevaarlijkste vuurwerk heeft de Gevaren klasse 1.1G wat massa explosief betekent. Ten aanzien van feit 2 - Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2020, pagina’s 1285 tot en met 1297 (DOC-056), voor zover inhoudende als de verklaring van [medeverdachte 3] : V: Heb jij dit jaar wel eens in een gehuurde auto gereden? A: Ja. V: Wij hebben onderzoek gedaan naar de gehuurde voertuigen bij het bedrijf [bedrijf 1] . Waar werden deze huurvoertuigen voor gebruikt? A: Vuurwerk. Het vervoer ervan. V: Hoe zag een dag er voor jou uit als jij ging rijden? A: Ik kreeg van [medeverdachte 4] de dag ervoor te horen dat ik een vrachtwagen naar Duitsland moest brengen. V: Hoe en waar heb je de bus opgehaald? A: Ik ben naar [medeverdachte 4] gereden. Toen samen met [medeverdachte 4] naar het verhuurbedrijf met [medeverdachte 4] zijn auto. Daar ben ik in de verhuurbus gestapt en ben naar Duitsland gereden. V: Even voor de duidelijkheid. Wie bedoel je met [medeverdachte 4] ? A: [medeverdachte 4] . Dat is mijn oom. V: [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij zich strafbaar heeft gemaakt aan handel in vuurwerk maar dat zijn aandeel niet zo groot is als dat van zijn vader. Jullie zijn op heterdaad aangehouden in Vuren. [medeverdachte 5] verklaart dus wel over zijn aandeel. Wat was jouw aandeel? A: Voor mij was het een korte periode. Het werd drukker bij [medeverdachte 4] en toen heeft hij mij gevraagd om te helpen. Ik ben dus één keer naar Duitsland gereden en heb bestellingen klaargezet. Ik ben ook mee geweest met de verkoop aan klanten. (…) A: Ik ga uitleggen hoe de rit naar Duitsland is gegaan. Ik ben samen met [medeverdachte 6] naar Duitsland gereden. Ik bracht de bus naar [verdachte] . V: Hoe ging het verder? A: Ik reed naar de parkeerplaats in Duitsland. Toen kwam [verdachte] naar mij toe. We zeiden elkaar gedag. Toen nam een andere man de bus over. Die man ken ik niet. V: [verdachte] . Waar was hij? A: [verdachte] bleef ook op de parkeerplaats. Wij stonden niet bij elkaar. V: Hoe wist je datje met [verdachte] een ontmoeting had? A: Dat had [medeverdachte 4] tegen mij gezegd. [verdachte] zwaaide vanuit zijn auto naar mij toen ik aankwam. Het was vroeg in de ochtend, dus de parkeerplaats was leeg. V: Waar ken jij [verdachte] van? A: [verdachte] ken ik niet als persoon, maar als naam die ik van [medeverdachte 4] kreeg. V: Waar kwam de man die de bus overnam vandaan? A: Dat weet ik niet. Hij kwam met zijn eigen auto aan en ik zag dat hij in gesprek ging met [verdachte] . V: Hoe kan je [verdachte] omschrijven? A: 1,80 m. Zelfde bouw als [medeverdachte 4] . Dik. V: Wat is zijn echte naam? A: Dat weet ik niet. Volgens mij wist [medeverdachte 4] dat ook niet en wist [verdachte] ook de echte naam van [medeverdachte 4] niet. V: Hoe hadden [medeverdachte 4] en [verdachte] contact met elkaar? A: Telefonisch volgens mij. Via Telegram en Wicker. V: Nadat de man met de bus terug kwam met het ingeladen vuurwerk. Wat gebeurde er toen? A: Toen heeft [verdachte] de bus naar Nederland gereden. Ik 2 [betrokkene] Gegevens volgens de inschrijving van de Kamer van Koophandel Gedurende het onderzoek is op 15 februari 2021 de Kamer van Koophandel geraadpleegd op het adres [adres 2] . Hieronder de geregistreerde gegevens: Statutaire naam: [bedrijf 3] Handelsnaam: [bedrijf 3] Statutaire zetel: Sint Willebrord Eerste inschrijving Handelsregister: [datum] Enig aandeelhouder/bestuurder: [betrokkene] , [geboortedag 2] 1946 Telefonisch contact [betrokkene] Op 22 juni 2021 of een van de directe dagen erna heb ik telefonisch contact gehad met [betrokkene] over de doorzoeking in de woning Van het gesprek weet ik nog dat [betrokkene] mij vertelde dat hij de verhuurder is van de woning, dat hij de woning verhuurt aan [verdachte] . Doorzoeking Ik, [verbalisant 4] , was aanwezig bij de doorzoeking op 22 juni 2021. Ik zag dat de garage te betreden was op 2 manieren. Dat was via een deur gelegen in het pand en via de garage door middel van een roldeur welke aan de straatzijde was gelegen. Voorts is in Bijlage II van het vonnis ten aanzien van feit 5 achter het vijfde gedachtestreepje (Het proces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met nummer -130 (DOC.079. p.1500-1503), inhoudende de bevindingen van de verbalisant) een tabel opgenomen die dient te worden vervangen door de volgende tabel: [postcode] .07.01.001 ZBRBA21002_677 1 aangebroken doos met 15 stuks DUMDUM ( het hof begrijpt: DUMBUM )1 doos met 20 stuks DUMDUM ( het hof begrijpt: DUMBUM ) Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 4 De in het vonnis ten aanzien van feit 4 opgenomen bewijsoverweging dient als volgt te worden aangevuld. Tussen de zin “De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar niet bij de daadwerkelijke overdracht van het vuurwerk aanwezig was, maar dat hij wel degene is geweest die het vuurwerk te koop heeft aangeboden en die de afspraak heeft gemaakt voor de overdracht van het vuurwerk.” en de zin “Ook blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat verdachte degene is die de beslissingen neemt over het te verkopen vuurwerk.” dient de volgende zin te worden toegevoegd: “Daar komt bij dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van de overdracht van het vuurwerk via Telegram contact had met de pseudokoper.” Voorts dient na de zin “Uit de bewijsmiddelen volgt afdoende dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij het ter beschikking stellen van het vuurwerk aan de pseudokoper.” de volgende zin te worden toegevoegd: “Hoewel de verdachte niet fysiek bij het feit aanwezig was, was de bijdrage van de verdachte aan (de totstandkoming en verwezenlijking van) dat feit van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.” Ten aanzien van feit 5 De in het vonnis ten aanzien van feit 5 opgenomen bewijsoverweging dient in het geheel te worden vervangen door de hierna volgende overwegingen. “De verdachte wordt onder feit 5 (doorzoeking d.d. 22 juni 2021 te Sint Willebrord (NB) verweten dat hij op of omstreeks 22 juni 2021 tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) professioneel vuurwerk (35 stuks Dumbum) heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet wist dat het vuurwerk in kwestie in de (door hem gehuurde) garage aan [adres 2] lag. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, is vereist dat de verdachte dit vuurwerk bewust aanwezig had. Daarbij dient sprake te zijn van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid, wat betekent dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwerk, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken of tot de exacte locatie van dat vuurwerk. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook spra Op te leggen straffen Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het op grote schaal voorhanden hebben, opslaan, invoeren en ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik. De naam van de verdachte is in drie onderzoeken in het noorden, het westen en het oosten van het land naar boven gekomen als verkopende en/of invoerende partij, terwijl hij zelf in het zuiden van Nederland woonachtig is. Hij noemde zichzelf, op de berichtensoftware Telegram, de grootste vuurwerkhandelaar en is ook door verschillende medeverdachten op die manier aangeduid. Meerdere medeverdachten hebben verklaard dat zij door de verdachte zijn bedreigd en dat zij bang voor hem zijn. Door zeer grote hoeveelheden illegaal vuurwerk voorhanden te hebben, op te slaan en ter beschikking te stellen heeft de verdachte de algemene veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft enkel gedacht aan zijn eigen financieel gewin en zich niet bekommerd om de risico’s die met zijn handelen teweeg zijn gebracht. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook in de periode tussen de behandeling van deze zaak in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep is de verdachte niet met justitie in aanraking gekomen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte momenteel met zijn vriendin in een huurhuis in België woont, daar werkt als monteur bij een keukenbedrijf voor horecakeukens en bezig is met het aflossen van zijn schulden. Ook heeft de verdachte met zijn ex-vriendin een zoontje, dat elk weekend bij hem verblijft en voor wie hij dan zorgt. Voorts is de verdachte slachtoffer geweest in een ontvoeringszaak die 10 jaren geleden plaatsvond en ondervindt hij daar (in Nederland) nog altijd veel last van. Tot slot heeft de verdachte na een maagverkleining chronische ruggenmerg- en zenuwschade opgelopen en kampt hij mede daardoor met lichamelijke klachten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. De advocaat-generaal heeft het hof gevorderd het vonnis waarvan beroep integraal te bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij first offender is en om daarom aan de verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou betekenen dat de verdachte zijn baan en zijn huis zal verliezen en voorts dat hij niet meer (financieel) voor zijn zoontje kan zorgen. Met name gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hiervoor zijn beschreven – de verdachte lijkt zijn leven te hebben gebeterd en op orde te hebben – en op de proceshouding van de verdachte, acht het hof