Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:1235
Strafrecht
Hoger beroep
8,085 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002285-24
Uitspraak : 25 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-143119-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1980,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
doch wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de feiten onder 1, 2 en 3 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen ter zake de feiten 1 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en ter zake de overtreding van feit 2 de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde mensensmokkel en het dragen van het mes (feiten 1 en 2). Voor het voorhanden hebben van het busje pepperspray (feit 3) heeft de verdediging de toepassing van artikel 9a Sr bepleit.
Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 26 april 2024 te Venlo, althans in Nederland, een ander of anderen, te weten [gesmokkelde] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;
2.hij op of omstreeks 26 april 2024 te Venlo een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had, heeft gedragen;
3.hij op of omstreeks 26 april 2024 te Venlo een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
In het bijzonder leest het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde de naam van de betrokkene “ [gesmokkelde] ” verbeterd en leest in plaats daarvan “ [gesmokkelde] ”, nu blijkens het politiedossier dit de naam is die de betrokkene bij de politie heeft opgegeven. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 26 april 2024 te Venlo, een ander, te weten [gesmokkelde] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk was;
2.hij op 26 april 2024 te Venlo een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had, heeft gedragen;3.hij op 26 april 2024 te Venlo een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
1. Het op ambtsbelofte resp. ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 26 april 2024 (pg. 12-15), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , wachtmeester der Koninklijke Marechaussee en [verbalisant 2] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
Op 26 april 2024 omstreeks 04:00 uur, waren wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met het toezicht op vreemdelingen en de bestrijding van mensensmokkel en identiteitsfraude op basis van
artikel 4 lid 1 onder f en g van de Politiewet 2012, belast met de uitoefening van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV), ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding.
Omstreeks 04:15 uur zagen wij een gele personenauto van het merk Opel, type Corsa, voorzien van de Duitse kentekenplaten [kenteken] bij het BP tankstation welke gelegen is aan de autosnelweg A67 te Venlo komende vanuit de Duitse grens. Ik, [verbalisant 2] , zag dat het voertuig stilstond en dat er een manspersoon in het voertuig zat op de passagiersstoel. Het viel mij op dat deze persoon strak naar voren keek en hierbij niet naar achter of opzij keek. Bij mij rees het vermoeden dat hij zat te wachten op de bestuurder, waarvan ik verwachtte dat deze zich in het tankstation zou ophouden. Na verloop van enkele minuten kwam er een manspersoon naar buiten en deze liep rechtstreeks naar de Opel Corsa. Op dit moment besloten wij de inzittenden van dit voertuig te controleren op basis van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000.
Om 04:20 uur heb ik, [verbalisant 1] , de bestuurder van het voornoemde voertuig staande gehouden op grond van artikel 50 lid 1 van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van de identiteit,
nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Ik, [verbalisant 1] , vorderde van de bestuurder mij een document te tonen als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit, waaruit zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken. Ik zag dat bestuurder mij een Duits rijbewijs overhandigde, afgegeven op 10-02-2014, geldig tot 09-02-2029 en voorzien van documentnummer [documentnummer] . Dit document is voorzien van een op de staande gehouden persoon goed gelijkende pasfoto.
Ik zag dat dit document op naam stond van:
Naam : [verdachte]
Voorna(a)m(en) : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedag 1] 1980
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Om 04:20 uur heb ik, [verbalisant 2] , de bijrijder van het voornoemde voertuig staande gehouden op grond van artikel 50 lid 1 van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Ik, [verbalisant 2] , vorderde van de bestuurder (het hof begrijpt: de bijrijder) mij een document te tonen als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit, waaruit zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken. Ik, verbalisant, hoorde de bijrijder in gebrekkig Duits zeggen dat hij zijn papieren thuis had laten liggen en deze dus vergeten was. Hierop vroeg, ik wat zijn nationaliteit was. Hierop hoorde ik de bijrijder zeggen "Marokkaans".
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Gevoerde verweren
De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde mensensmokkel aangevoerd dat de verdachte niet wist dat de gesmokkelde [gesmokkelde] , die hij kende onder een andere naam, te weten “ [gesmokkelde] ”, geen rechtmatig verblijf in Nederland dan wel elders in Europa had. Evenmin waren er concrete aanwijzingen die bij de verdachte hadden kunnen of hadden moeten leiden tot een redelijk vermoeden dat deze “ [gesmokkelde] ” illegaal was. Er was voor de verdachte geen reden om te vragen naar zijn documenten. Ook tijdens de reis waren er geen objectieve signalen van illegaliteit zoals opvallend gedrag bij de grensovergang of uitlatingen van de gesmokkelde, die daar op gewezen hebben. Omdat de verdachte niet wist van de illegale status van de gesmokkelde en er ook geen ernstige redenen waren op grond waarvan hij dat had moeten vermoeden, dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.
Tevens heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor het tenlastegelegde dragen van het mes (het hof begrijpt: het feit onder 2). De verdachte wist niet dat in de auto een mes lag. De auto was van zijn moeder en ook andere familieleden maakten gebruik van die auto. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het mes bij zich had/droeg met de vereiste bewustheid daarvan, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit onder 1 zijn weerlegging vindt in de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte en [gesmokkelde] vanaf het moment van aanhouding tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hoe lang ze elkaar kennen, waarvan ze elkaar kennen en over wat ze nu precies in Nederland gingen doen. [gesmokkelde] blijkt slechts gebrekkig Duits te spreken. Daarbij komt dat [gesmokkelde] in ieder geval wisselend heeft verklaard over zijn nationaliteit, de tijd dat hij de verdachte kende en het doel van zijn verblijf in Nederland. De verdachte heeft met name wisselend verklaard over het doel en de bestemming van zijn verblijf met [gesmokkelde] in Nederland. Zo verklaart de verdachte bij de politie aanvankelijk dat ze op weg waren naar het treinstation in Venlo omdat ze daar een afspraak hadden en [gesmokkelde] gisteren jarig was. [gesmokkelde] verklaart daarentegen dat hij op [geboortedag 2] 1981 is geboren. Bij de politie verklaart de verdachte vervolgens dat ze onderweg waren naar het casino, waarvan hij wist dat het al dicht was, omdat de verdachte dat graag aan [gesmokkelde] wilde laten zien. Vervolgens zou [gesmokkelde] dan met de trein terug reizen, terwijl de verdachte een afspraak met een vrouw zou hebben op het treinstation van Venlo. Bij het politieverhoor verklaart [gesmokkelde] uiteindelijk dat hij naar Nederland kwam om asiel aan te vragen en dat de verdachte dit wist, omdat hij dit van tevoren tegen de verdachte heeft gezegd. Gelet op de gehele context aan feiten en omstandigheden acht het hof deze laatste verklaring van [gesmokkelde] het meest aannemelijk en geloofwaardig en gaat daar derhalve van uit. Uit zowel de verklaring van de verdachte als uit die van [gesmokkelde] blijkt dat verdachte echter niet heeft gevraagd naar de verblijfsdocumenten van [gesmokkelde] en daarop dus in ieder geval geen controle heeft uitgevoerd.
Mede gelet op de andere omstandigheden en het feit dat ook de verdachte wisselend heeft verklaard, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dan wel minst genomen heeft moeten vermoeden dat hij met het vervoeren van de betrokkene naar Venlo hem wederrechtelijk de toegang tot Nederland zou verschaffen. Met het vervoeren van de betrokkene vanuit Duitsland naar Nederland is het hof van oordeel dat er sprake is van behulpzaam zijn in de zin van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit wijst het hof op het volgende.
In artikel 1, onder 10e Wet wapens en munitie wordt onder 'dragen van een wapen' verstaan: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer in onder 9e (van artikel 1 van de Wet wapens en munitie) bedoelde zin. In artikel 1, onder 9e Wet wapens en munitie wordt onder 'vervoer van een wapen' verstaan: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat zodanig is verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. Van 'dragen' is blijkens de jurisprudentie ook sprake als men het wapen niet bij zich draagt, maar wel in zijn/haar onmiddellijke nabijheid heeft, bijvoorbeeld in de auto (vgl. HR 22 oktober 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB5646/NJ 1975, 99; HR 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0810/NJ 1998, 105 en HR 14 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC3383/NJ 1986, 481).
Door de raadsvrouw van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van het mes in de auto. Het mes is echter in de auto aangetroffen onder het gaspedaal. De omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit een overtreding is, maakt dat wetenschap omtrent de aanwezigheid van het wapen geen te bewijzen vereiste is. Het verweer wordt dienaangaande door het hof dan ook opgevat als een verweer dat betrekking heeft op het ontbreken van/afwezigheid van alle schuld van de verdachte ter zake van het dragen van het wapen. De vraag is dan of de verdachte door onder de gegeven omstandigheden te handelen zoals bewezenverklaard, een strafrechtelijk relevant verwijt is te maken. Met andere woorden; ontbreekt bij verdachte, gezien de aard van de gedraging van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze is verricht, de strafrechtelijke relevante verwijtbaarheid? Naar het oordeel van het hof kan het gezien de omstandigheden waaronder het mes is aangetroffen bij verdachte niet anders zijn dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het mes in de auto. Het hof acht het immers niet aannemelijk dat verdachte van Düsseldorf naar Venlo is gereden met een mes onder het gaspedaal zonder dat hij dat heeft opgemerkt. Daardoor acht het hof het ontbreken van/afwezigheid van alle schuld van de verdachte ter zake van het dragen van het wapen niet aannemelijk geworden en is de verdachte niet verontschuldigbaar ter zake van het dragen van het mes. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
mensensmokkel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op de overtreding:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Veroordeelt de verdachte ter zake het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. dr. A.R. Hartmann en mr. C.N.M. Antens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 25 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
De griffier is buiten staat dit arrest
mede te ondertekenen.
Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het door verbalisant [verbalisant 2] op ambtseed opgemaakte en doorgenummerde dossier van de KMAR Brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord/Venlo MTV, dossiernummer: PL27YN/24-001862, sluitingsdatum 15 mei 2024, pg. 1 tot en met 99 (digitale pagina’s 1-101). Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Inleiding
Ik vroeg de bijrijder of hij in het bezit was van enig Duits document. Hierop gaf hij te blijken dat hij mij niet begreep. Hierna heb ik de bijrijder verzocht uit het voertuig te stappen en met mij bij mijn dienstvoertuig te komen staan. Nadat de bijrijder dit gedaan had, heb ik aan de bijrijder verzocht waar hij de bestuurder van kende. De bijrijder zei dat de bestuurder een vriend was en dat zij elkaar al 10 jaren kende en dat ze in Venlo waren om plezier te hebben. Dit verhaal bevreemdde mij gezien het tijdstip van de staande houding.
Nadat ik de bijrijder vroeg om zijn personalia, gaf hij op te zijn:
Voornaam: [gesmokkelde]
Achternaam: [gesmokkelde]
Geboortedatum: [geboortedag 2] 1981
Nationaliteit: [nationaliteit 1]
Op 26 april 2024, omstreeks 04:21 uur heb ik, [verbalisant 1] , de bestuurder gevraagd hoe lang hij en de bijrijder elkaar kenden. Hierop zei de bestuurder dat hij 2 à 3 maanden bevriend was met de bijrijder en dat de bijrijder gister jarig was geweest. Tevens vertelde de bestuurder dat zij onderweg waren naar het treinstation van Venlo. Ik hoorde hem zeggen dat hij om 05:00 uur een afspraak had bij het treinstation van Venlo. Ik zag dat de navigatie op de mobiele telefoon stond ingesteld op het Holland Casino in Venlo.
Op 26 april 2024 te 04:30 uur heb ik, [verbalisant 1] , op basis van artikel 50 lid 5 Vreemdelingenwet, de Opel Corsa doorzocht. Hierbij trof ik het volgende aan. Onder het gaspedaal trof ik een zwart mes met foedraal.
Tijdens de doorzoeking werd door de bestuurder aan de andere zijde van het voertuig een busje pepperspray overhandigd. Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bestuurder deze uit het voertuig haalde om te overhandigen.
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2024 (pg. 24-38), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [gesmokkelde]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: Wat is uw voornamen?
A: [gesmokkelde]
V: Wat is uw achternaam?
A: [gesmokkelde]
V: Wat is uw nationaliteit?
A: [nationaliteit 2]
A: Ik heb geen papieren of adres. Ik ben hier om asiel aan te vragen.
V: Bent u nu in het bezit van een paspoort?
A: Nee ik heb niets.
V: Heeft u andere formulier/documenten waar u personalia op staat weergegeven?
A: Nee niks.
V: Van welke documenten/papieren heeft u gebruik gemaakt tijdens de reis?
A: Ik heb geen documenten gebruikt tijdens het reizen want ik ben gesmokkeld naar Europa.
V: U bent door mijn collega's meegenomen naar onze brigade omdat u illegaal verblijft binnen Europa/Nederland, kunt u mij uw verhaal vertellen?
A: Ik was bij mijn vriend en hij ging naar Nederland en ik ging mee want ik wilde asiel aanvragen.
V: Waar wilde u het liefst naar toe gaan?
A: Ik wilde naar Nederland.
V: Hoe bent u vanuit Düsseldorf naar Nederland gegaan?
A: Een vriend van mij belde dat hij naar Nederland wilde komen en ik ging met hem mee.
V: Hoe heet deze vriend?
A: [verdachte] , zijn achternaam weet ik niet.
A: Ik heb hem leren kennen in Düsseldorf.
A: In een café.
V: Wist [verdachte] dat je graag naar Nederland zou willen?
A: Ja, ik had hem verteld dat ik graag naar Nederland toe wou gaan en dat als hij daar heen zou gaan, ik graag mee zou willen gaan.
V: Heeft u ook verteld tegen [verdachte] waarom u naar Nederland wilde?
A: Ik heb tegen hem gezegd dat ik asiel wilde aanvragen in Nederland.
V: Heeft [verdachte] gevraagd waarom je asiel wilde aanvragen?
A: Nee.
V: Heeft [verdachte] gevraagd naar uw documenten?
A: Nee.
V: Hoelang kent u [verdachte] al?
A: 1 maand ongeveer, ik heb hem in het café leren kennen.
V: Waar heeft [verdachte] je opgehaald?
A: In Düsseldorf
V: Ben je alleen met [verdachte] naar Nederland gekomen?
A: Ja ik ben alleen met hem naar Nederland gekomen?
V: Waar waren jullie onderweg naar toe?
A: Ik was van plan om asiel aan te vragen.
V: Waar was u van plan om heen te gaan om asiel aan te vragen?
A: Ik was van plan naar het centrum te gaan om daar asiel aan te vragen. Ik heb tegen hem gezegd, zet mij gewoon in Venlo af en ik ga zelf kijken waar ik asiel ga aanvragen.
3. Een proces-verbaal d.d. 7 mei 2024 (pg. 51-53), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 3]:
Op dinsdag 7 april 2024 is mijn expertise gevraagd omtrent het analyseren van de veiliggestelde data van twee in beslag genomen mobiele gegevensdragers en de daarbij behorende simkaarten. Dit betrof een gegevensdrager van een verdachte mensensmokkel en een gegevensdrager van een getuige/gesmokkelde in dezelfde zaak.
GEANALYSEERDE DATA
SAMSUNG GALAXY FLIP (VERDACHTE)
- Ik, [verbalisant 3] , zag dat ertussen 28-03-2024 en 26-04-2024, 56 maal is gecommuniceerd, of een poging daartoe heeft plaatsgevonden, met een contact welke benoemd is als: [medeverdachte] . Dit contact maakt gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
SONY XPERIA (GETUIGE)
- Ik, [verbalisant 3] , zag dat ertussen 10-04-2024 en 26-04-2024, 49 maal is gecommuniceerd, of een poging daartoe heeft plaatsgevonden, met een contact welke benoemd is als: [verdachte] . Dit contact maakt gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
BEANTWOORDING ONDERZOEKSVRAAG
- Graag uitzoeken tot 1 maand terug of de verdachte en gesmokkelde contact hebben gehad over grensoverschrijding.
Tijdens de analyse komen de tijden van de gesprekken welke over en weer hebben plaatsgevonden 100% overeen, hierdoor is vast te stellen dat de verdachte gebruik maakt van het telefoonnummer: [telefoonnummer 2] , en de getuige gebruik maakt van het telefoonnummer: [telefoonnummer 2] .
Deze twee telefoonnummers hebben middels telefoongesprekken contact gehad tussen 28-03-2024 en 26-04-2024.
4. Een proces-verbaal d.d. 8 mei 2024 (pg. 93-94), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 4]:
Op 26 april 2024 werd aan mij door personeel van de brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord een voorwerp aangeboden, met het verzoek om vast te stellen of het aangeboden voorwerp valt onder de bepalingen van de Wet Wapens en Munitie.
Dit voorwerp is op vrijdag 26 april 2024 onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen.
Hij heeft het busje pepperspray tijdens de staande houding uit het voertuig waarin hij zat gepakt en aan de collega's overhandigd.
Ik, verbalisant, zag dat het voorwerp een gasbusje met pepperspray betrof. Dit zag ik aan de tekst "OC" die op het busje stond. Ik, verbalisant, zie verder de volgende teksten op het gasbusje staan: "Germany KH security, abwehrspray gegen angreifende tiere,
Ik, verbalisant, zie op de zijkant van het gasbusje twee gevaarsymbolen staan namelijk: gevaarsymbool met een uitroepteken die staat voor "irriterende stoffen" en een
gevaarsymbool met een vlam die staat voor "ontvlambaar".
Dit voorwerp is, volgens het opschrift op dit gasbusje bestemd voor het treffen van dieren met pepperspray zijnde giftige en/of een verstikkende en/of weerloos makende en/of traan verwekkende of soortgelijke stof.
Dit voorwerp, bestemd voor het treffen van dieren met giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende en soortgelijke stoffen, is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, sub 6 Wet Wapens en Munitie.
Het voorhanden hebben van een wapen van de categorie II sub 6 van Artikel 2 lid 1 Wet Wapens en Munitie is verboden en strafbaar gesteld.
Verbodsbepaling: Artikel 26, lid 1 Wet Wapens en Munitie.
Strafbaarstelling: Artikel 55, lid 3 onder a Wet wapens en munitie.
5. Een proces-verbaal d.d. 26 april 2024 (pg.
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met eenproeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van feit 2 is de politierechter overgegaan tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en ten aanzien van feit 2 toepassing te geven aan het bepaalde van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht om, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor de feiten onder 1 en 3 een lagere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel. Mensensmokkel is een ernstig feit; het doorkruist immers niet alleen het overheidsbeleid aangaande de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland, maar faciliteert tevens illegale binnenkomst en doorreis naar andere landen van de Europese Unie. Bovendien draagt mensensmokkel bij aan het in stand houden van een illegaal circuit dat allerhande maatschappelijke ongewenste effecten met zich brengt en niet zelden persoonlijk leed tot gevolg heeft. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje pepperspray. Het voorhanden hebben van pepperspray door personen die daartoe niet de bevoegdheid en training hebben brengt een gezondheids- en veiligheidsrisico met zich voor de maatschappij. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het dragen, in de zin van: op de openbare weg in de door hem bestuurde auto onverpakt bij zich hebben, van een mes. Het ongecontroleerd bezit van messen brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Het hof rekent de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw van de verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte de zorg heeft voor zijn nog jonge kinderen en zijn vrouw die zwanger is.
Het hof heeft tevens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS)’, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, in aanmerking genomen. Volgens die oriëntatiepunten kan voor mensensmokkel (hulp bij illegale toegang of doorreis) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als uitgangspunt voor de op te leggen straf worden genomen.
Voor de overige bewezenverklaarde feiten ligt volgens voornoemde oriëntatiepunten het opleggen van een geldboete in de rede.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Gelet op de aard en de ernst van met name het onder 1 bewezenverklaarde feit, acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
In hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding tot verdere matiging van de duur van die gevangenisstraf, dan wel om een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen of over te gaan tot oplegging van een andere strafmodaliteit.
In de geringe ernst van de overtreding zoals bewezenverklaard onder 2, ziet het hof aanleiding om conform de beslissing van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal, toepassing te geven aan het bepaalde van artikel 9a Sr.
Beslag
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte afstand gedaan van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (busje pepperspray en mes). Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen beslissing op enig beslag meer is vereist.
Toepasselijke wettelijke voorschriften