Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:122
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
8,547 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.333.492/01
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. Ph.W.A.M. van Roy te Beek (Limburg),
tegen
Spera Advocaten & Rechtsanwälte N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Spera,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem,
op het bij exploot van dagvaarding van 8 maart 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 december 2022, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellante] als eiseres en Spera als gedaagde.
1De zaak in het kort
[appellante] heeft diverse juridische geschillen met haar voormalig echtgenoot en de vennootschap waarvan zij, tezamen met haar voormalig echtgenoot, bestuurder was. Zij heeft met Spera, een advocatenkantoor, een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan Spera [appellante] juridische bijstand zou verlenen bij een aantal van deze geschillen, dit tegen betaling van een vast honorarium (‘fixed fee’). [appellante] stelt zich op het standpunt dat Spera de overeengekomen werkzaamheden niet of niet juist heeft uitgevoerd, waardoor Spera tegenover haar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Zij vordert op die grond verklaringen voor recht, schadevergoeding en terugbetaling van het door Spera ontvangen honorarium. Het hof wijst evenals de rechtbank de vorderingen van [appellante] af. Het hof zal hieronder uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met productie;
de memorie van grieven met productie;
de memorie van antwoord met productie;
de akte overlegging producties van Spera met productie;
de antwoordakte van [appellante] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
4.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
4.1.1.
Spera is een advocatenkantoor waaraan onder meer mr. Spera en mr. Roo als advocaat zijn verbonden. Spera is actief in Nederland en Duitsland.
4.1.2.
[appellante] is verwikkeld in diverse juridische procedures tegen (onder meer) haar voormalig echtgenoot, [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en de vennootschap naar Luxemburgs recht [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ), waarvan zij, tezamen met haar voormalig echtgenoot, bestuurder was. Het Landgericht Trier in Duitsland heeft [appellante] bij verstekvonnis van 28 september 2016 (hierna: het verstekvonnis) veroordeeld om aan [bedrijf A] , in die procedure vertegenwoordigd door haar enig bestuurder, [persoon A] , een bedrag van € 136.000,00 met rente en kosten te betalen. [bedrijf A] heeft dit bedrag van [appellante] gevorderd omdat [appellante] een woning te [plaats A] heeft verkocht die eigendom was van [bedrijf A] , terwijl de opbrengst daarvan niet aan [bedrijf A] ten goede is gekomen.
4.1.3.
[appellante] is niet binnen de reguliere termijn van twee weken na openbare bekendmaking van het verstekvonnis in verzet gegaan. Deze termijn liep af op 17 november 2016.
4.1.4.
Op 18 april 2017 is de deurwaarder gestart met het executeren van het verstekvonnis door middel van het leggen van derdenbeslag.
4.1.5.
[appellante] heeft op 30 mei 2017 via haar vertegenwoordiger, [persoon B] (hierna: [persoon B] ), telefonisch contact opgenomen met Spera voor rechtsbijstand bij (onder meer) het voorkomen van (verdere) executie van het verstekvonnis.
4.1.6.
Mr. Roo heeft bij e-mail van 25 juli 2017 aan [appellante] een advies gestuurd. Dit advies had onder meer betrekking op het instellen van verzet tegen het verstekvonnis in het geschil tussen [appellante] en [bedrijf A] . Mr. Roo heeft dit advies afgerond met het voorstel vragen te stellen aan een Luxemburgse collega teneinde inzicht te verkrijgen in de rechtmatigheid van het handelen van [appellante] met betrekking van de verkoop van de woning te [plaats A] . Zij wijst er op dat daaraan nadere kosten zijn verbonden.
4.1.7.
Bij e-mail van 5 september 2017 heeft mr. Spera aan [appellante] en [persoon B] een plan van aanpak (‘Road Map’) voor de belangenbehartiging van [appellante] voorgelegd:
“Naar aanleiding van onze constructieve telefonische bespreking heb ik jullie voorgehouden te komen met een Road Map (hierna: RM) zulks teneinde jullie enig houvast te geven voor de wijze waarop ik meen gestalte te moeten geven aan de belangenbehartiging van [appellante] jegens [persoon A] . De RM is een leidraad voor de te verrichten werkzaamheden doch betekent geenszins dat ik niet gerechtigd ben in het voorkomende geval af te wijken van de na te melden acties. Als gevolg van voortschrijdend inzicht behoud ik mij mitsdien het recht voor de werkwijze vanzelfsprekend aldoor in overleg nader te herijken.
De navolgende acties dienen naar mijn bescheiden mening te worden gevolgd onderscheidenlijk te worden uitgevoerd:
1. Executoriaal beslag leggen voor een bedrag inclusief verschenen rente van om en nabij euro 500.000,- op de onroerende zaken gelegen in Duitsland, zulks teneinde onder meer funding te verkrijgen teneinde te kunnen voorzien in een waardig levensonderhoud;
2. Parallel aan het gestelde in sub 1 dient het verstekvonnis door [persoon A] verkregen in Duitsland zoveel mogelijk te worden gezuiverd door verzet in te stellen in Duitsland bij de bevoegde rechtbank, zodat een eventuele beroep op verrekening niet langer meer slaagt en de vordering van tafel wordt geveegd;
3. De verdeling van de gemeenschappelijke woning, staande en gelegen te Duitsland en waarvoor reeds een koper zich heeft aangediend, te bevorderen door een kortgeding te starten;
4. Daar waar mogelijk klachten tegen [persoon A] indienen bij de tuchtrechter teneinde diens actieradius zoveel mogelijk te beperken en verifiëren of en in hoeverre [persoon A] metterdaad bevoegd is op te treden als advocaat in de door laatstgenoemde geadresseerde landen;
5. In Nederland loopt een procedure; de belangen in deze kwestie worden thans behartigd door mr. Scheers te Herten; ik wens deze procedure over te nemen, zodat ik een volledig beeld krijg van wat er speelt en mogelijk proactief kan reageren in de procedures die in Duitsland en overigens elders geëntameerd zullen worden;
6. Teneinde voldoende verhaal te realiseren, dient een procedure In Luxemburg aanhangig te worden gemaakt, zodat aldaar een voor tenuitvoerlegging vatbare titel wordt verkregen; deze procedure moet een het karakter hebben van een kort geding. De titel kan vervolgens worden gebruikt om in Luxemburg verhaal te halen op de aldaar aanwezige vermogensbestanddelen;
(…).”
4.1.8.
Op 18 september 2017 heeft mr. Spera aan [appellante] een e-mail gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:
“Hierbij bevestig ik dat ik gaarne uw belangen zal behartigen inzake het geschil met de heer [persoon A] .
In dat kader zal ik namens u de navolgende werkzaamheden verrichten:
1. Mijn kantoorgenote [persoon C] zal in verzet komen tegen het ‘versaumnisurteil' (i.e. verstekvonnis); op dit moment kan niet worden ingeschat wat de succeskansen zijn;
2. [persoon C] zal de vonnissen welke inmiddels aan de wederpartij betekend zijn zoveel mogelijk executeren in Duitsland; ik zal daartoe de originele vonnissen opvragen bij van Arkel Gerechtsdeurwaarders;
3, Verder zal ik het dossier bestuderen inzake een zekere [persoon D] en de klacht inzake mr. Van der Klei. Vervolgens zal ik je omgaand omtrent mijn bevindingen informeren. Inmiddels heb ik mr. Scheers verzocht mij nopens de stand van zaken te informeren inzake de procedure welke in Nederland aanhangig is en naar uw mening voor vonnis staat.
(…).
Met betrekking tot de haalbaarheid van uw opdracht wijs ik u er nadrukkelijk op dat deze afhankelijk is van concrete feiten en omstandigheden, zoals de opstelling van uw wederpartij. Mocht het op enig moment tot een procedure komen, dan wijs ik u er nu alvast op dat de uitkomst van een procedure in beginsel afhangt van de vraag of u er in slaagt om
uw stellingen te bewijzen. (…).
Op onderhavige kwestie is een uurtarief van €285,- per uur exclusief 21% BTW, 8% kantoorkosten en verschotten van toepassing. Ik ben evenwel bereid met u een vaste prijsafspraak overeen te komen van € 10.000,- exclusief 21% BTW en verschotten. Nu u heeft toegezegd een deelbetaling te verrichten van € 10.000,-, gelieve u bijgaand de eerste factuur betreffende de prijsafspraak aan te treffen ad € 8.359,81 inclusief 21% BTW, hetgeen correspondeert met € 10.000,-. Het restant van de prijsafspraak zal op een later tijdstip uitgefactureerd worden.
Op onderhavige opdracht zijn de algemene voorwaarden van mijn kantoor van toepassing, welke u bijgaand aantreft.
Procesverloop
5.1.1.
[appellante] heeft na eisvermeerdering gevorderd dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat Spera (a) is tekortgeschoten in de nakoming van de
overeenkomst van opdracht met [appellante] en daardoor aansprakelijk is voor de
schade die [appellante] lijdt en zal lijden en (b) de zorgplicht ex artikel 7:401 BW heeft
geschonden en daardoor tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst
van opdracht/onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] en aansprakelijk is voor
de schade die [appellante] lijdt/zal lijden;
II. voor recht verklaart dat Spera aansprakelijk is voor de schade die [appellante] lijdt en zal lijden doordat Spera niet tijdig in verzet is gegaan tegen het verstekvonnis van
het rechtscollege te Duitsland/Spera niet binnen één jaar gerekend vanaf datum
openbaarmaking van het verstekvonnis, een nieuwe datum heeft verzocht om
vervolgens in verzet te kunnen gaan;
III. Spera veroordeelt tot betaling van de geleden schade, thans begroot op
€ 166.000,00 p.m., wegens de toewijzing van de vordering in het verstekvonnis, inclusief rente en bijkomende kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
januari 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;
IV. Spera veroordeelt tot terugbetaling van € 12.036,60 p.m. aan [appellante] wegens het
niet uitvoeren van overeengekomen werkzaamheden, te vermeerderen met de
wettelijke rente gerekend vanaf 6 januari 2021 tot aan de dag van algehele
voldoening,
V. Spera veroordeelt in de proceskosten in dit geding inclusief de nakosten.
5.1.2.
[appellante] heeft hieraan, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Spera haar zorgplicht als advocaat heeft geschonden, omdat zij heeft nagelaten om in Duitsland tijdig verzet tegen het verstekvonnis in te stellen en om [appellante] tijdig te adviseren over de kansen en risico’s van het instellen van het verzet. Dit levert een tekortkoming in de overeenkomst dan wel een onrechtmatige daad van Spera op en Spera dient de schade die [appellante] daardoor lijdt te vergoeden, aldus [appellante] .
5.2.
Spera heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het vorderingsrecht van [appellante] is komen te vervallen en zich daarbij beroepen op artikel 7 van de algemene voorwaarden. Daarnaast heeft zij gemotiveerd betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht.
5.3.
Bij vonnis van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het vorderingsrecht van [appellante] op de door haar aangevoerde grond is vervallen op grond van artikel 7 van de algemene voorwaarden van Spera. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, onder meer overwogen dat artikel 7 van de algemene voorwaarden geen onredelijk bezwarend beding is, dat [appellante] niet heeft betwist dat de vervaltermijn van één jaar op 15 juni 2018 is gaan lopen en dat zij Spera pas na het verstrijken van die vervaltermijn heeft gedagvaard.
De rechtbank heeft verder ten overvloede, kort samengevat, geoordeeld dat Spera haar zorgplicht niet heeft geschonden en dat van de door [appellante] gestelde beroepsfout geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er daarom geen grond om Spera te veroordelen tot het betalen van enige schadevergoeding of tot terugbetaling van enig door haar ontvangen honorarium.
De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Beoordeling
6.1.
[appellante] kan zich niet vinden in voornoemd vonnis en komt daarvan in hoger beroep. Zij voert tegen dat vonnis drie grieven aan:
- grief 1: ten onrechte is er door de rechtbank geen beroepsfout van Spera vastgesteld;
- grief 2: ten onrechte heeft Spera een bedrag van € 10.000,00 aan fixed fee mogen behouden;
- grief 3: ten onrechte is [appellante] veroordeeld in de proceskosten.
[appellante] vordert vervolgens in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog toewijzing van haar inleidende vorderingen, met veroordeling van Spera in de kosten van beide instanties.
6.2.
Spera bestrijdt de grieven en concludeert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellante] in haar hoger beroep, althans tot verwerping van de grieven, met veroordeling van [appellante] in de kosten van dit hoger beroep en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag van algehele voldoening.
Eiswijziging
6.3.
Het hof stelt vast dat [appellante] in haar memorie van grieven (voornamelijk) nieuwe gronden aanvoert op grond waarvan er volgens haar sprake is van een beroepsfout van Spera. In die zin is er sprake van een wijziging van eis of gronden daarvan zoals bedoeld in artikel 130 Rv (in verband met artikel 353 Rv). Omdat Spera daartegen geen bezwaar maakt en deze eisvermeerdering ook overigens niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, zal het hof op basis van de gewijzigde grondslag beslissen.
Beoordeling
6.4.
De vraag die aan het hof voorligt, is of mrs. Spera en Roo als advocaten van [appellante] tekort zijn geschoten in de zorgplicht die op hen rust op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht. Hierbij geldt, kort gezegd, als maatstaf hoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden zou hebben gehandeld.
6.5.
In hoger beroep maakt [appellante] Spera in dat verband, naar het hof begrijpt en kort samengevat, de volgende (nieuwe) verwijten:
Spera heeft toegelaten dat alle huizen op naam van de vennootschappen door [persoon A] zijn verkocht, terwijl de verkoopopbrengst daarvan rechtstreeks aan [persoon A] is betaald;
Spera heeft nagelaten om namens [appellante] een vordering van [appellante] op ‘ [persoon D] ’ te incasseren en zo nodig daarvoor een gerechtelijke procedure op te starten;
Spera heeft nagelaten beslag te leggen op de, zo begrijpt het hof, voormalig echtelijke woning in [plaats B] ;
Spera heeft, zo begrijpt het hof, onvoldoende gedaan in aanloop naar het verstekvonnis door het Landgericht te Trier welke procedure zag op verkoop door [appellante] van de woning in [plaats A] die in eigendom toebehoorde aan [bedrijf A] . Spera heeft na het wijzen van het verstekvonnis evenmin actie ondernomen en alle termijnen laten verstrijken. Daarnaast heeft Spera geen actie ondernomen toen door een niet bestaande vennootschap beslag werd gelegd op de bankrekeningen van [appellante] , met als gevolg dat [persoon A] zijn vordering op grond van het verstekvonnis op het saldo van de bankrekeningen kon verhalen.
Spera heeft nagelaten de incasso van aan [persoon A] verstrekte leningen op te pakken.
Wat zijn partijen overeengekomen?
6.6.1.
Spera betwist dat de werkzaamheden, waarvan [appellante] na wijziging van eis in hoger beroep stelt dat Spera deze niet of niet juist heeft uitgevoerd, onderdeel uitmaken van de door [appellante] aan Spera verstrekte opdracht. Reeds op die grond is er geen tekortkoming, zo voert zij aan. Naar het oordeel van het hof slaagt dit verweer en wel om het volgende.
6.6.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Of de door [appellante] in hoger beroep gestelde werkzaamheden behoorden tot de overeenkomst van opdracht, is een vraag van uitleg die moet worden beantwoord aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van de door hen gesloten overeenkomst mochten toekennen en op dat wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.
6.6.3.
Het hof neemt de opdrachtbevestiging van Spera aan [appellante] van 18 september 2017 (zie 4.1.8) tot uitgangspunt. Volgens de opdrachtbevestiging zijn partijen overeengekomen dat Spera, tegen betaling door [appellante] van een vast honorarium van
€ 10.000,00 exclusief btw en verschotten:
namens [appellante] verzet zou instellen tegen het verstekvonnis;
de aan [persoon A] betekende vonnissen namens [appellante] zoveel mogelijk in Duitsland zou executeren;
het dossier over ‘een zekere [persoon D] ’ zou bestuderen en [appellante] zou informeren over haar bevindingen;
de klacht van [appellante] tegen een advocaat die eerder voor haar had opgetreden zou beoordelen en [appellante] zou informeren over haar bevindingen.
6.6.4.
Uit deze opdrachtbevestiging volgt in ieder geval niet dat Spera (ook) zou voorkomen dat huizen van [appellante] en [persoon A] , althans van hun vennootschap(en) door [persoon A] zouden worden verkocht, laat staan dat is overeengekomen dat Spera had dienen te voorkomen dat de opbrengst daarvan [persoon A] ten goede kwam (zie verwijt nr. 1). Evenmin volgt hieruit dat Spera beslag zou leggen op de gezamenlijke woning in [plaats B] (zie verwijt nr. 3). Ook volgt uit die opdrachtbevestiging niet dat Spera werkzaamheden zou verrichten in aanloop naar het verstekvonnis van het Landgericht Trier danwel alles in het werk zou stellen om executiemaatregelen op grond van het verstekvonnis met betrekking tot de woning in [plaats A] tegen te houden (zie verwijt nr. 4).
6.6.5.
Het hof is van oordeel dat een nadere opdracht evenmin kan worden afgeleid uit het plan van aanpak (de ‘Road Map’) van Spera van 5 september 2017 (zie 4.1.7) en/of de Engelstalige verklaring van Spera van 27 september 2017 (zie 4.1.10).
Het plan van aanpak noemt weliswaar onder meer het leggen van executoriaal beslag op onroerende zaken in Duitsland en het bewerkstelligen van de verdeling van de gemeenschappelijke woning in Duitsland (kennelijk die in [plaats B] ), waaronder de onder 6.7.4 werkzaamheden (deels) zouden kunnen vallen, maar het gaat daarbij om een (indicatieve) opsomming van werkzaamheden die naar de mening van Spera in de verschillende geschillen tussen [appellante] en [persoon A] zouden kunnen worden uitgevoerd. In de uiteindelijke opdrachtbevestiging van 18 september 2017 komen die werkzaamheden niet één op één terug, maar is de opdracht beperkt.
6.6.5.
De Engelstalige verklaring van Spera van 25 september 2017 vermeldt naast de in de opdrachtbevestiging van 18 september 2017 genoemde werkzaamheden ‘refund of all houses sold by [persoon A] ’. Spera betwist dat deze verklaring moet worden gezien als een aanvulling op of wijziging van de opdracht van [appellante] aan Spera. Zij stelt dat zij de verklaring heeft opgesteld voor een Amerikaanse kennis van [appellante] die een deel van het honorarium betaalde. Maar wat hier van zij, de onder 6.6.4 genoemde werkzaamheden, waaronder het voorkomen door Spera van verkoop van huizen van [appellante] en [persoon A] , althans van hun vennootschap(en) zijn, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet hetzelfde als ‘refund’ en kunnen daar naar het oordeel van het hof evenmin onder worden begrepen. [appellante] voert geen nadere feiten en omstandigheden aan op grond waarvan zij redelijkerwijs had mogen verwachten dat Spera binnen het kader van de opdracht en tegen betaling van de ‘fixed fee’ (ook) deze werkzaamheden zou verrichten.
6.6.6.
De ‘kwestie [persoon D] ’ maakte volgens de opdrachtbevestiging van 18 september 2017 wel onderdeel uit van de aan Spera verstrekte opdracht. De opdracht strekte echter (nog) niet tot het incasseren van de vordering op ‘ [persoon D] ’, zo nodig door middel van een gerechtelijke procedure (verwijt nr. 2). Uit de opdrachtbevestiging volgt immers dat de opdracht met betrekking tot die kwestie (nog) was beperkt tot het geven van advies. Ook hier voert [appellante] verder niets aan op grond waarvan zij redelijkerwijs anders had mogen verwachten. Overigens blijkt uit het door Spera bij akte nagezonden eindvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 14 juni 2018 tussen [appellante] enerzijds en [bedrijf B] en [bedrijf C] (van welke vennootschap, zo begrijpt het hof [persoon D] statutair bestuurder is) anderzijds dat Spera [appellante] wel in de gerechtelijke procedure tegen deze vennootschap heeft bijgestaan. Deze procedure heeft tot een gunstig resultaat voor [appellante] geleid, te weten toewijzing van haar vordering op [bedrijf B] .
Conclusie
6.10.
Uit het bovenstaande volgt dat er ook in hoger beroep geen grond bestaat om Spera te veroordelen tot betaling van enige schadevergoeding of terugbetaling van enig door haar ontvangen honorarium. De vorderingen van [appellante] zijn dus in hoger beroep evenmin toewijsbaar. Wat betreft de gevorderde terugbetaling van de ‘fixed fee’ geldt dat een tekortkoming door Spera in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst [appellante] niet ontslaat van haar verplichting tot betaling van het door partijen afgesproken honorarium. Hiervoor zou een (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst noodzakelijk zijn geweest, wat [appellante] niet heeft gevorderd.
6.11.
Grieven 1 en 2 falen dus. Dit brengt mee dat grief 3, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, ook faalt.
7De slotsom
7.1.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
7.2.
[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Deze stelt het hof aan de zijde van Spera vast op:
salaris advocaat: € 3.572,00 (1 punt maal liquidatietarief V)
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 3.750,00
De door Spera over deze kosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, omdat hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.
8De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 december 2022;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Spera vastgesteld op € 3.750,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;
verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, F.M.T. Quaadvliet en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Beoordeling
Nu [appellante] in haar antwoordakte evenwel te kennen geeft dat zij van oordeel is dat ‘de zaak [persoon D] ’ geen enkele relevantie heeft voor onderliggende procedure en geen verband houdt met de door haar gevorderde schade in de onderhavige zaak, trekt het hof hieruit de gevolgtrekking dat zij haar stellingen omtrent de incasso in de zaak ‘ [persoon D] ’, voor zover haar vorderingen na wijziging van eis daarop zijn gegrond, heeft prijsgegeven.
6.6.7.
Wat [appellante] bedoelt met het incasseren van leningen bij [persoon A] (verwijt nr. 5), is het hof niet duidelijk. Zonder nadere toelichting, die ook hier ontbreekt, valt niet in te zien dat Spera op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht (ook) gehouden was de incasso van leningen bij [persoon A] op zich te nemen.
6.6.8.
De stelling van [appellante] dat Spera in de procedure met betrekking tot de woning in [plaats A] bij het Landgericht in Trier geen actie heeft ondernomen en alle termijnen heeft laten verlopen (zie ook verwijt nr. 4), kan het hof evenmin volgen. [appellante] voert daarbij aan dat Spera in alle gesprekken met [appellante] te kennen gaf dat het allemaal in orde zou komen en in Duitsland altijd protest kon worden ingediend en dat ‘dat zo bleef gaan tot en met het verzuimvonnis dat werd toegewezen aan [persoon A] ’. Ervan uitgaande dat met het verzuimvonnis het verstekvonnis wordt bedoeld, lijkt [appellante] hiermee te stellen dat Spera ook al tijdens de procedure die tot het verstekvonnis heeft geleid werkzaamheden voor [appellante] diende te verrichten. Tussen partijen staat echter vast dat [appellante] Spera op 30 mei 2017, dus toen het verstekvonnis al was gewezen, heeft benaderd voor rechtsbijstand bij onder meer het instellen van verzet tegen dat verstekvonnis. De overeenkomst van opdracht waar het in deze zaak om gaat, is pas daarna tot stand gekomen. Van tekortschieten is op dit punt dan ook geen sprake.
Geen schending van de zorgplicht
6.7.1.
Voor zover [appellante] met het voorgaande ook in hoger beroep bedoelt te stellen dat Spera heeft verzuimd tijdig verzet in te stellen tegen het verstekvonnis, kan haar dat evenmin baten. [appellante] heeft geen grief heeft gericht tegen het (ten overvloede gegeven) oordeel van de rechtbank dat:
de zorgplicht van Spera niet zo ver ging dat zij ter uitvoering van de opdracht zonder meer verzet had moeten instellen en dat de succeskansen sterk van invloed zijn op de vraag of uiteindelijk een juridische procedure wordt gestart (r.o. 4.10 van het bestreden vonnis);
Spera wel degelijk heeft geadviseerd over risico’s en proceskansen van een verzetprocedure in Duitsland (r.o. 4.11 van het bestreden vonnis);
Spera terecht heeft aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk was om te beoordelen of het instellen van verzet, indien dat verzet ontvankelijk zou zijn, ook inhoudelijk een kans van slagen zou hebben gehad en dat [appellante] niet, althans onvoldoende onderbouwd heeft betwist dat een advies over Luxemburgs recht niet noodzakelijk was om inzicht te krijgen in de proceskansen (r.o. 4.12 van het bestreden vonnis);
het [appellante] was die, ondanks herhaalde verzoeken van Spera om inschakeling van een Luxemburgese advocaat, om haar moverende redenen inactief bleef en geen toestemming verleende voor het inschakelen van een Luxemburgse advocaat voor het nodige advies dat vooraf ging aan een besluit om verzet in te stellen of niet (r.o. 4.13).
In hoeverre Spera op dit punt dan toch tegenover [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht, onderbouwt [appellante] in hoger beroep niet nader.
6.7.2.
Nu de conclusie luidt dat partijen de overige door [appellante] in hoger beroep gestelde werkzaamheden niet zijn overeengekomen, kan niet worden geconcludeerd dat Spera haar zorgplicht tegenover [appellante] heeft geschonden, laat staan dat Spera onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] . [appellante] stelt daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden. Zij voltstaat met blote stellingen die niet of moeilijk te volgen zijn en die zij tegenover de betwisting daarvan door Spera in het geheel niet nader onderbouwt. [appellante] heeft het bestaan van causaal verband tussen de vermeende beroepsfout/tekortkoming enerzijds en de gestelde schade anderzijds evenmin inzichtelijk gemaakt. Ditzelfde geldt met betrekking tot de hoogte van de schade, die in het geheel niet is onderbouwd.
Beroep op vervalbeding
6.8.1.
Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat de werkzaamheden waarop de in hoger beroep gegronde verwijten zien niet zijn overeengekomen en Spera niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten en de vordering op inhoudelijke gronden wordt afgewezen, behoeft het beroep van Spera op het vervalbeding in haar algemene voorwaarden geen nadere bespreking meer. Het hof voegt daar het volgende aan toe. Omdat [appellante] niet is opgekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vorderingen op grond van de toepasselijkheid van het vervalbeding, valt de vraag of het beding onredelijk bezwarend is buiten de omvang van de rechtsstrijd. Het hof is dan ook niet bevoegd daarover een beslissing te nemen. Mocht hierover anders moeten worden geoordeeld, dan geldt het volgende.
6.8.2.
Omdat de onderhavige overeenkomst van opdracht is gesloten tussen [appellante] als consument en Spera als professionele partij, moet ook het hof als appelrechter ambtshalve onderzoeken of artikel 7 van de algemene voorwaarden een oneerlijk beding is zoals bedoeld in de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn) (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.6.3 en HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, r.o. 3.4.1-3.4.3).
6.8.3.
Bovengenoemde toets vindt (onder andere) plaats via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Volgens artikel 6:233, aanhef en onder a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Voor overeenkomsten met consumenten, zoals [appellante] , geven de artikelen 6:236 en 6:237 BW een opsomming van bedingen die onredelijk bezwarend zijn (artikel 6:236) of vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn (artikel 6:237).
6.8.4.
Artikel 6:236 aanhef en onder g BW bepaalt dat een beding als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt als het beding een wettelijke verjaringstermijn verkort tot een verjaringstermijn van minder dan één jaar of een wettelijke vervaltermijn verkort tot een vervaltermijn van minder dan één jaar. Artikel 6:237 aanhef en onder h BW bepaalt dat een beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn als het beding op gedragingen of nalaten van de wederpartij als sanctie verval stelt van de haar toekomende rechten of verweren, behoudens voor zover die gedragingen dit verval rechtvaardigen. Bedingen die een wettelijke ververval- of verjaringstermijn verkorten tot een verval- of verjaringstermijn van één jaar of meer vallen niet onder artikel 6:236 aanhef onder g of onder artikel 6:237 aanhef en onder h BW. Deze kunnen wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van artikel 6:233 sub a BW.