Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:121
Civiel recht
Hoger beroep kort geding
862 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.421/01
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats], gemeente Altena,
appellant,
advocaat: mr. G. Kaya te Roosendaal (onttrokken),
tegen
Hersteld Hervormde Gemeente te [plaats A],
gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente Waalwijk,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.J.H. Post te Barneveld,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/415758 / KG ZA 23-553 gewezen vonnis van 6 februari 2024.
5Het verloop van de procedure
5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 30 april 2024 waarbij het hof op 28 juni 2024 een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, maar partijen hebben geen minnelijke regeling bereikt. Partijen hebben verzocht om aanhouding van de zaak voor schikkingsonderhandelingen. De raadsheer-commissaris heeft de zaak naar de rol van 1 oktober 2024 verwezen voor akte uitlating door partijen of de mondelinge behandeling moet worden voortgezet.
5.2.
Op die rol heeft appellant geen instructie gegeven en geïntimeerde heeft verzocht de zitting te annuleren waarna de zaak – op verzoek van geïntimeerde – op de rol van 29 oktober 2024 is verwezen voor memorie van grieven.
5.3.
Op die rol is de memorie van grieven niet genomen en heeft de advocaat van appellant zich onttrokken.
De zaak is vervolgens op de voet van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken gerechtshoven (LPR) is verwezen naar de rol van 12 november 2024 voor het stellen van een nieuwe procesvertegenwoordiger en het nemen van de memorie van grieven, ambtshalve peremptoir.
5.4.
Op die rol heeft zich voor appellant geen nieuwe advocaat gesteld. Ingevolge artikel 6.4 van het LPR is daarmee het recht van appellant om van grieven te dienen vervallen.
5.5.
Geïntimeerde heeft vervolgens op diezelfde rol het hof verzocht arrest te wijzen.
Beoordeling
Appellant heeft tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven aangevoerd. Dit brengt mee dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
7De uitspraak
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op € 2.175,- aan griffierecht en op € 1.214,- aan salaris advocaat (1 punt liquidatietarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025.
griffier rolraadsheer