Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:120
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep kort geding
13,534 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.229/01
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[stichting A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Heerlen,
appellante,
hierna aan te duiden als [stichting A] ,
advocaat: mr. M.P. Loth te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Gooise Meren,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 23 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 januari 2024 (hierna: het bestreden vonnis), door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [stichting A] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties 17 tot en met 19;
de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties 15 tot en met 18;
de mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
In het door [geïntimeerde] ingestelde incidenteel hoger beroep heeft zij twee grieven geformuleerd tegen feitelijke vaststellingen in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.3 van het bestreden vonnis. Het gaat om de incidentele grieven 1 en 2. Het hof overweegt daarover als volgt.
3.2.
Het hof stelt voorop dat het vaststellen van de feiten is voorbehouden aan de rechter, zij het dat diens feitenvaststelling, in het licht van wat partijen met betrekking tot de feiten over en weer hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd, juist en begrijpelijk dient te zijn. De enkele omstandigheid dat een partij in hoger beroep terecht een grief heeft geformuleerd tegen een door de lagere rechter vastgesteld feit leidt echter niet zonder meer tot de (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis. Voor dat laatste is pas plaats als het slagen van de betreffende grief ook dient te leiden tot een ander dictum dan het dictum in het bestreden vonnis. Dat is in deze zaak niet het geval. Daarbij is in de onderhavige zaak van belang dat [geïntimeerde] blijkens de conclusie aan het slot van de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel niet de (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis nastreeft.
3.3.
Met inachtneming van het voorgaande stelt het hof de feiten als volgt vast.
a. [geïntimeerde] exploiteert een onderneming op het gebied van ICT en levert en implementeert onder meer planningstools voor zorgaanbieders. [geïntimeerde] is in 2015 door [persoon A] (hierna: [persoon A] ) opgericht. Door middel van zijn persoonlijke holding is [persoon A] bestuurder van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft tot in de loop van 2022 deel uitgemaakt van een groep van vennootschappen waarvan [holding A] (hierna: [holding A] ) de holdingmaatschappij was. Tussen 25 april 2019 en 28 april 2022 was [holding A] een van de bestuurders van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] hanteert in het handelsverkeer onder meer de handelsnaam ‘ [handelsnaam A] ’.
b. [stichting A] is een zorgaanbieder. Zij richt zich onder andere op volwassenenrevalidatie, arbeidsre-integratie en kinderrevalidatie.
c. In 2019 en de eerste helft van 2020 hebben tussen Gebruikersvereniging [gebruiksvereniging A] (hierna: [gebruiksvereniging A] ), waarvan [stichting A] lid is, enerzijds en [bedrijf A] en [geïntimeerde] anderzijds onderhandelingen plaatsgevonden over de levering en implementatie van een nieuw elektronisch patiëntendossier (hierna: EPD) genaamd [gebruiksvereniging A] , dat door [bedrijf A] zou worden geïmplementeerd en geleverd, in combinatie met een planningstool, geheten ‘ [handelsnaam A] ’, die door [geïntimeerde] zou worden geïmplementeerd en geleverd. [bedrijf A] is een vennootschap die in het verleden onder andere de handelsnaam ‘ [holding A] ’ heeft gevoerd en waarin destijds [holding A] een 100%-belang had. [bedrijf A] - dat destijds ook tot de groep van vennootschappen behoorde waarvan [holding A] de holdingmaatschappij was - zal hierna verder ‘ [bedrijf B] ’ worden genoemd. De bedoeling was dat [gebruiksvereniging A] het EPD zou vervangen dat destijds door de leden van de Gebruikersvereniging [gebruiksvereniging A] werd gebruikt, ‘E-caris’ genoemd. De aanschaf van [gebruiksvereniging A] als EPD vereiste ook de aanschaf van [handelsnaam A] als planningstool.
d. In het kader van de hiervoor bedoelde onderhandelingen is door [holding A] en [geïntimeerde] gezamenlijk een zogeheten Quickscan uitgevoerd om “op duidelijke wijze de omvang, toepassing en aandachtspunten van het project in kaart te brengen” en voor “het inkaderen van het project en het uitbrengen van een gerichte offerte”.
e. Begin 2020 is tussen [gebruiksvereniging A] en [holding A] een overeenkomst gesloten tot het leveren en implementeren van [gebruiksvereniging A] als EPD.
f. [geïntimeerde] en [stichting A] hebben op 30 juli 2020 een zogenoemde dienstverleningsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten. De overeenkomst strekte tot de levering en implementatie van ‘de Dienst’ zoals nader beschreven en gespecificeerd in de artikelen 1.1 en 1.2. van bijlage 2 bij de overeenkomst:
“1.1. De Dienst bestaat uit een slimme planningstool gekoppeld aan het Elektronisch Patiënten Dossier. De Dienst neemt het complexe denkwerk, prioriteren en efficiënt plannen over welke nodig is om een goede agenda voor de cliënt en een goed rooster voor elke behandelaar in de organisatie te maken, binnen de geldende afspraken. De Dienst is in staat om op basis van door de organisatie opgegeven prioritering en roosterregels een planning te genereren.
1.2.
Op basis van het behandelprogramma (de revalidatiepaden), de wensen/eisen van de cliënt en de agenda’s van de behandelaren (met hierin hun beschikbaarheid en specialiteit) wordt er als onderdeel van de Dienst een rooster gegenereerd welke rekening houdt met roosterregels en agenda’s van cliënt en behandelaar.”
g. Bijlage 1 bij de overeenkomst bevat een offerte, gedateerd 6 maart 2020, op briefpapier met daarop de logo’s van [bedrijf B] (met op pagina 3 een verwijzing naar de naam ‘ [holding A] ’) en [handelsnaam A] . Pagina 4 van die offerte noemt onder meer de realisatiekosten voor de op pagina 1 omschreven gezamenlijke levering en implementatie van [gebruiksvereniging A] in combinatie met [handelsnaam A] . Daarbij wordt uitgegaan van vier implementatierondes waarmee in totaal 40 weken zijn gemoeid. In de offerte is op pagina 5 onder het kopje ‘Betalingscondities en additionele afspraken’ bij punt 3 het volgende opgenomen: ‘[stichting A] heeft het recht om, als zij gedurende het lopende en opvolgende jaar een EPD selecteert waarvan geen bewezen koppeling bestaat met [handelsnaam A] of welke zich niet beschikbaar stelt om te koppelen, het contract op te zeggen’.
h. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, waarna de overeenkomst stilzwijgend wordt verlengd voor de duur van één jaar. De prijs voor de dienst bedraagt € 65.000,- exclusief btw per kwartaal. Ten aanzien van de tussentijdse opzegging is in de overeenkomst het volgende bepaald:
“22. Additionele afspraken
[stichting A] heeft het recht om, als zij gedurende het lopende en opvolgende jaar een EPD selecteert waarvan geen bewezen koppeling bestaat met [handelsnaam A] of welke zich niet beschikbaar stelt om te koppelen, het contract op te zeggen.”
i. Bij e-mail van 25 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] in de persoon van haar bestuurder [persoon A] aan [stichting A] onder meer het volgende bericht:
“De afgelopen 4 jaar hebben we als [handelsnaam A] hard gewerkt om een koppeling met [gebruiksvereniging A] en later User tot stand te brengen. Dit proces heeft gelijktijdig gelopen met het ontwikkelen van [gebruiksvereniging A] als ook grote updates aan User bij [bedrijf B] [ [bedrijf B] , verduidelijking hof]
Dit heeft tot heden niet geresulteerd in een koppeling die demo of productie waardig is. Op basis van het verleden is gebleken dat de tijdslijnen betreffende [gebruiksvereniging A] erg vaak over lange perioden schuiven, wat aan onze zijde tot veel verkwiste (ontwikkel)tijd, in-efficiency en frustratie heeft geleid.
Procesverloop
3.4.
In de procedure bij de voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] gevorderd bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [stichting A] te gebieden om de overeenkomst na te komen tot minimaal 30 juli 2025, althans de overeengekomen vergoeding te (blijven) betalen, hetgeen betekent:
( i) dat [stichting A] wordt veroordeeld om de achterstallige facturen ad € 97.819,- aan [handelsnaam A] te betalen;
(ii) dat [stichting A] wordt veroordeeld tot betaling van de toekomstige facturen, steeds uiterlijk op de volgende uiterste betaaldata:
1 januari 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 februari 2024;
1 april 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 mei 2024;
1 juli 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 augustus 2024;
1 oktober 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 november 2024;
1 januari 2025 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 februari 2025;
1 april 2025 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 mei 2025,
met veroordeling van [stichting A] in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen.
3.5.
[geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, zakelijk samengevat, dat geen grond bestond voor tussentijdse opzegging. [stichting A] is daarom gehouden tot nakoming van de overeenkomst. De vergoeding die [stichting A] verschuldigd is, heeft [geïntimeerde] hard nodig om haar onderneming kostendekkend te laten zijn. Daarom heeft [geïntimeerde] een spoedeisend belang bij betaling van de openstaande facturen en ook moeten de toekomstige facturen binnen de geldende termijnen worden voldaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
3.6.
[stichting A] heeft in de procedure bij de voorzieningenrechter verweer gevoerd. Verkort weergegeven, ging het om de volgende verweren:
( i) de zaak leent zich niet voor kort geding omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende vereisten en omdat spoedeisend belang ontbreekt;
(ii) de betalingsverplichting is niet opzegbaar vanwege het ontbreken van acceptatie door [stichting A] van het geleverde;
(iii) de overeenkomst is rechtens opgezegd sinds juli 2023 op grond van artikel 22 van de overeenkomst;
(iv) er is daarnaast sprake van overige gronden voor opzegging van de overeenkomst;
( v) [stichting A] komt een beroep toe op opschorting van haar betalingsverplichtingen en verrekening van de verschuldigde bedragen met de schade die zij heeft geleden en nog steeds lijdt als gevolg van het handelen en nalaten van [geïntimeerde] ;
(vi) er is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerde] ;
(vii) [geïntimeerde] heeft tegenover [stichting A] haar bijzondere zorgplicht als IT-leverancier geschonden.
[stichting A] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.7.
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter [stichting A] veroordeeld om de overeenkomst na te komen tot minimaal 30 juli 2025, en beslist dat dit betekent:
a. dat [stichting A] wordt veroordeeld om de achterstallige facturen van € 97.819,- aan [geïntimeerde] te betalen;
b. dat [stichting A] wordt veroordeeld tot betaling van de toekomstige facturen, steeds uiterlijk op de volgende uiterste betaaldata:
- 1 januari 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 februari 2024;
- 1 april 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 mei 2024;
- 1 juli 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 augustus 2024;
- 1 oktober 2024 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 november 2024;
- 1 januari 2025 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 februari 2025;
- 1 april 2025 € 78.650,- uiterste betaaldatum: 1 mei 2025.
Verder heeft de voorzieningenrechter [stichting A] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [stichting A] heeft vervolgens uitvoering gegeven aan het bestreden vonnis.
Het hoger beroep
3.8.
[stichting A] heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Zij heeft twee grieven geformuleerd die beide zijn voorzien van een toelichting. Zij heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis, het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [stichting A] van alle bedragen die zij aan [geïntimeerde] heeft betaald uit hoofde van het bestreden vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, een en ander op de wijze zoals verwoord aan het slot van de memorie van grieven.
3.9.
[geïntimeerde] heeft de grieven van [stichting A] bestreden. Daarnaast heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij drie grieven geformuleerd die alle zijn voorzien van een toelichting. Daarvan zijn de incidentele grieven 1 en 2 hiervoor al aan de orde gekomen (rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3). [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot, zakelijk samengevat, bekrachtiging van het bestreden vonnis, zo nodig met aanvulling of verbetering (het hof begrijpt: van gronden) en met inachtneming van het aangevoerde in incidenteel hoger beroep, en afwijzing van de vorderingen van [stichting A] in hoger beroep, met veroordeling van [stichting A] in de kosten van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep.
3.10.
[stichting A] heeft de incidentele grieven van [geïntimeerde] bestreden en in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven, afwijzing van het incidenteel hoger beroep met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten ervan.
De grieven in het principaal hoger beroep en grief 3 in het incidenteel hoger beroep
3.11.
Met principale grief 1 betoogt [stichting A] , verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter het in dit geding toepasselijke rechtskader onjuist of onvolledig heeft toegepast. Volgens [stichting A] is de zaak ongeschikt voor behandeling in kort geding, waartoe zij er onder meer op wijst dat [geïntimeerde] betaling van een geldsom vordert in kort geding, de zaak een gecompliceerd geschil betreft en de voorzieningenrechter bij de te verrichten afweging van belangen ook het restitutierisico moet betrekken.
Met principale grief 2 richt [stichting A] zich tegen de rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.8 van het bestreden vonnis, waarbij zij aanvoert, summierlijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter in de context van die rechtsoverwegingen ten onrechte heeft overwogen dat [stichting A] niet bevoegd was de overeenkomst op te zeggen, onder verwijzing naar onder andere de achtergrond van de opzegging en de bedoeling van partijen en het bepaalde in artikel 25 Rv.
Met incidentele grief 3 keert [geïntimeerde] zich tegen rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis, meer in het bijzonder tegen het deel daarvan waarin de voorzieningenrechter overweegt dat wanneer al bij aanvang problemen waren met de ontwikkeling en implementatie van [gebruiksvereniging A] door [bedrijf B] , het op de weg van [stichting A] had gelegen om in 2020 of 2021 tot opzegging over te gaan en dat het keuzemoment in 2020 of 2021 nog tot een opzegging zou kunnen leiden, zoals [stichting A] heeft betoogd, nergens uit blijkt en ook niet logisch voorkomt.
3.12.
De principale grieven en incidentele grief 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Feiten
[handelsnaam A] [ [geïntimeerde] , verduidelijking hof] heeft er derhalve voor gekozen om te wachten tot [bedrijf B] uitkomt met een productiewaardig (door de klant geaccordeerd) [gebruiksvereniging A] alvorens opnieuw significant tijd te investeren in de koppeling.
Het is in geen geval zo dat het een tijd, middelen en/of kennis probleem is voor het realiseren van de koppeling aan de zijde van [handelsnaam A] , maar ik moet wel waken voor een efficiëntie [het hof begrijpt: efficiënte] inzet van de betreffende zeer schaarse ontwikkeluren. Daarom heb ik een lijn getrokken. Het vertrouwen is er niet dat dit op deze manier een goede en snelle afloop heeft dat overeenkomt met de geschepte verwachtingen.
[handelsnaam A] realiseert zich dat dit mogelijk een nare boodschap is voor jullie als klant, maar ik wil geen verkeerde verwachtingen scheppen. Laat duidelijk zijn dat wij als [handelsnaam A] met alle EPD’s willen koppelen.”
j. Op 9 december 2022 hebben delegaties van onder andere [stichting A] een bespreking gehad met [geïntimeerde] in de persoon van [persoon A] . Bij e-mail van 16 december 2022 heeft [persoon B] (hierna: [persoon B] ), voorzitter van de raad van bestuur van [stichting A] , daarvan aan [geïntimeerde] , in de persoon van [persoon A] , een verslag gezonden. Daarin bevestigt [persoon B] dat onder meer is besproken dat: [persoon A] geen vertrouwen heeft in de mensen bij [bedrijf B] ; de visie van [persoon A] op software en de ontwikkeling daarvan sterk afweek van die van [bedrijf B] ; [persoon A] nog wel bereid is een koppeling met [gebruiksvereniging A] te realiseren maar dat [persoon A] vooralsnog niet zag dat dit ging gebeuren omdat [gebruiksvereniging A] nog steeds niet functioneerde; [persoon A] nog steeds bereid was om een koppeling met andere EPD’s te realiseren; en dat, samengevat, er wat [persoon A] betreft geen basis is voor continuïteit, vertrouwen en stabiliteit tussen [persoon A] en [bedrijf B] . Verder bevat het verslag van [persoon B] het volgende:
“Op vraag wat dit nu betekent voor [stichting A] (…) gaf je aan te beseffen dat het grote consequenties kan hebben, zeker voor [stichting A] . Ik heb aangegeven dat door [bedrijf B] in de tijd dat [geïntimeerde] daar deel van uitmaakte en jij in de directie zat, [stichting A] (en anderen) verplicht werden [handelsnaam A] te implementeren omdat [gebruiksvereniging A] niet zonder [handelsnaam A] zou kunnen functioneren. We zijn ondertussen veel geld, veel tijdsinvestering en een paar jaar verder en nu dreigt de situatie dat dat onnodig of zelfs voor niets is geweest. Jij gaf aan dat te beseffen en daar ook de zakelijke gevolgen van te zien. Samen constateerden we dat we hoe dan ook om tafel zullen moeten gaan over de zakelijke gevolgen zowel als we verder gaan maar ook als dat niet zo is. De komende periode zullen we beide moeten reflecteren over de vervolgstappen.”
k. [persoon C] (hierna: [persoon C] ), directeur Services van [stichting A] , heeft bij e-mailbericht van 19 juli 2023 aan [persoon A] , met als onderwerp ‘Contract opzegging’, aangekondigd dat [stichting A] de overeenkomst formeel wenst op te zeggen.
l. Bij brief van 20 juli 2023 heeft [stichting A] de overeenkomst tegen 1 september 2023 opgezegd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Hierbij verwijzen wij naar onderstaand artikel 22 (…).
[stichting A] heeft het recht om, als zij gedurende het lopende en opvolgende jaar een EPD selecteert waarvan geen bewezen koppeling bestaat met [handelsnaam A] of welke zich niet beschikbaar stelt om te koppelen, het contract op te zeggen.”
m. Bij e-mail van 24 juli 2023 heeft [geïntimeerde] aan [stichting A] bericht, kort gezegd, dat zij het recht van [stichting A] om de overeenkomst per 1 september 2023 op te zeggen, betwist.
n. Bij brief van 2 augustus 2023 heeft [persoon B] namens [stichting A] aan [geïntimeerde] geschreven, kort gezegd, dat [stichting A] de betwisting van [geïntimeerde] onbegrijpelijk vindt en dat [stichting A] haar standpunt en de opzegging handhaaft, en zich het recht voorbehoudt om de gronden voor opzegging “en overige beëindiging” later aan te vullen.
o. Bij brief van 8 augustus 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [stichting A] bericht dat volgens [geïntimeerde] geen grond bestaat voor tussentijdse opzegging en dat zij nakoming verlangt. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 20.1 van de overeenkomst is voorgesteld om op korte termijn met het bestuur van [geïntimeerde] en het bestuur van [stichting A] bij elkaar te komen, om te bezien of tot een minnelijke oplossing kan worden gekomen.
p. Op 25 september 2023 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden, maar deze heeft niet tot een minnelijke regeling geleid.
q. De laatste betaling die [stichting A] indertijd heeft verricht is een deel van de factuur van 1 juli 2023. Die factuur had betrekking op de periode juli, augustus en september 2023. [stichting A] heeft een betaling verricht die ziet op de maanden juli en augustus 2023. Het bedrag dat betrekking had op de maand september 2023, zijnde € 19.169,-, heeft [stichting A] destijds onbetaald gelaten. Ook de factuur van oktober 2023 van € 78.650,- is destijds onbetaald gelaten.
Procesverloop
Het hof overweegt als volgt.
De aard van de gevorderde voorlopige voorziening en de toepasselijke toetsingsmaatstaf
3.13.
Het in deze hoger beroep-procedure bestreden vonnis is een kort geding-vonnis. De vordering van [geïntimeerde] waarover in het bestreden vonnis is beslist, is naar de kern genomen een geldvordering. Daaraan kan niet afdoen dat de aanhef ervan suggereert dat een gebodsvordering wordt ingesteld. Uit de verdere bewoordingen van de vordering en haar onderbouwing blijkt dat het [geïntimeerde] in wezen te doen is om spoedige betaling te verkrijgen van geldsommen die [stichting A] volgens [geïntimeerde] aan haar verschuldigd is of zal worden op grond van de overeenkomst.
3.14.
De kortgedingrechter dient zich bij de beslissing van het hem voorgelegde geschil in het algemeen te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure (HR 15 april 2016, NJ 2016/211). De regels van bewijsrecht gelden in kort geding in het algemeen niet. De voorzieningenrechter dient zich een voorlopig oordeel te vormen over de rechtsverhouding van partijen op basis van de toepasselijke materiële rechtsregels, en aan de hand daarvan over de aannemelijkheid van de vordering. Daarbij is de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de verwerende partij tot een bepaalde prestatie is gehouden en daarom gerechtvaardigd is dat de verwerende partij (voorlopig) tot het verrichten van die prestatie wordt veroordeeld. Daarnaast dient de kortgedingrechter steeds ook een belangenafweging te maken.
3.15.
Volgens vaste jurisprudentie past de kortgedingrechter terughoudendheid wanneer aan hem een geldvordering ter beoordeling is voorgelegd. Hij dient dan te onderzoeken of het bestaan van een geldvordering voldoende aannemelijk is en of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Ook dient de rechter in kort geding in de afweging van de belangen van de partijen te betrekken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de gevorderde voorziening. Verder geldt dat van de rechter die in kort geding een geldvordering toewijst, mag worden verwacht dat hij naar behoren feiten en omstandigheden aanwijst die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden.
De aannemelijkheid van het bestaan van een geldvordering
Artikel 22 van de overeenkomst
3.16.
De vordering die [geïntimeerde] stelt te hebben op [stichting A] strekt tot nakoming door [stichting A] van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Niet in geschil is dat partijen de overeenkomst zijn aangegaan. Evenmin is in geschil dat de overeenkomst strekt tot de levering en implementatie door [geïntimeerde] van een planningstool (zie hiervoor rechtsoverweging 3.3 onder f). Ook is niet in geschil dat de overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van vijf jaar, met mogelijkheid van verlenging (zie hiervoor rechtsoverweging 3.3 onder g).
3.17.
Ter afwering van de vordering van [geïntimeerde] beroept [stichting A] zich erop dat zij de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Primair wijst [stichting A] daarvoor op haar brief aan [geïntimeerde] (toen nog genaamd ‘ [handelsnaam A] ’) van 20 juli 2023. Daarin zegt [stichting A] de overeenkomst op per 1 september 2023 met een beroep op artikel 22 van de overeenkomst (zie hiervoor rechtsoverweging 3.3 onder h). [geïntimeerde] betoogt dat deze opzegging geen rechtsgevolg heeft gehad, omdat geen grond voor tussentijdse opzegging bestaat. Daarbij twisten partijen over de uitleg van artikel 22 van de overeenkomst.
3.18.
De uitleg die [stichting A] aan artikel 22 geeft, luidt - zakelijk samengevat - dat als door [stichting A] in 2020 of 2021 een EPD wordt geselecteerd en dat EPD niet blijkt te kunnen koppelen met de planningstool ‘ [handelsnaam A] ’, [stichting A] dan het recht heeft om de overeenkomst op te zeggen. Partijen zijn volgens [stichting A] nadrukkelijk een opzeggingsregeling overeengekomen voor het geval [gebruiksvereniging A] door [bedrijf B] niet geleverd zou (kunnen) worden. De achtergrond van de opzeggingsregeling was voor alle betrokken partijen (i.e. [stichting A] , [geïntimeerde] en haar directie, [bedrijf B] ) bekend: de aanschaf van [handelsnaam A] heeft alleen plaatsgevonden omdat dit volgens [geïntimeerde] en [bedrijf B] een noodzaak was voor de implementatie van [gebruiksvereniging A] . Volgens [stichting A] hebben de jaren die worden genoemd in artikel 22 - het jaar 2020 en het jaar 2021 - geen betrekking op het moment waarop wordt besloten tot opzegging van de overeenkomst, maar op het moment waarop wordt besloten om [gebruiksvereniging A] als EPD te gaan gebruiken. De bepaling vereist niet een keuze voor een ander EPD dan [gebruiksvereniging A] ; de in artikel 22 bedoelde selectie van een EPD omvat ook de keuze voor het EPD ‘ [gebruiksvereniging A] ’. [stichting A] heeft in één van de twee in artikel 22 genoemde jaren [gebruiksvereniging A] geselecteerd als EPD, namelijk in 2020. [gebruiksvereniging A] blijkt echter niet te kunnen koppelen met de planningstool ‘ [handelsnaam A] ’, terwijl wegens verdere gebeurtenissen rondom [gebruiksvereniging A] niet valt te verwachten dat [gebruiksvereniging A] in de toekomst wel zal zijn te koppelen met de planningstool ‘ [handelsnaam A] ’, aldus nog steeds [stichting A] .
3.19.
[geïntimeerde] betoogt over de uitleg van artikel 22, zakelijk weergegeven, dat destijds uitdrukkelijk is stilgestaan bij de mogelijkheid dat [gebruiksvereniging A] niet levensvatbaar zou zijn. Die mogelijkheid realiseerde [stichting A] zich al in december 2019, in welk geval [handelsnaam A] ervoor openstond om te koppelen met een ander EPD dan [gebruiksvereniging A] . Op grond van dat artikel kan alleen rechtsgeldig tussentijds worden opgezegd als [stichting A] in 2020 of 2021 zou hebben gekozen voor een ander EPD dan [gebruiksvereniging A] en de planningstool ‘ [handelsnaam A] ’ niet aan dat andere EPD kan koppelen. Ná 2021 bestaat de opzeggingsbevoegdheid van artikel 22 niet meer. [stichting A] is in 2020 of 2021 niet overgestapt naar een ander EPD dan [gebruiksvereniging A] (en overigens ook daarna niet), laat staan naar een EPD waarmee de planningstool ‘ [handelsnaam A] ’ niet kan koppelen, aldus nog steeds [geïntimeerde] onder verwijzing naar een interne e-mail van [holding A] van 23 december 2019 (productie 12 van [geïntimeerde] in de procedure bij de voorzieningenrechter).
3.20.
Volgens vaste jurisprudentie moet de uitleg die toekomt aan een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en hebben afgeleid uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Ook omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de uitleg van het beding.
3.21.
Partijen hebben in hun respectieve gedingstukken (nagenoeg) niet geconcretiseerd, aan de hand van specifieke feiten en omstandigheden van voor, bij of na het sluiten van de overeenkomst, waarom, in het licht van de toe te passen maatstaf, de eigen uitleg van artikel 22 dient te worden gevolgd.
Procesverloop
Zo is niet geconcretiseerd wanneer ten tijde van de onderhandelingen over de overeenkomst door wie namens partijen over artikel 22 en de daaraan te geven betekenis is gesproken, en wat in dat verband precies aan de orde is gekomen. Ook zijn door partijen nagenoeg geen stukken overgelegd, althans niet kenbaar voor het hof, die concreet licht werpen op de bedoeling die partijen met artikel 22 voor ogen stond en wat zij dienaangaande over en weer redelijkerwijs dienden te begrijpen. Weliswaar is door [geïntimeerde] in dit verband gewezen op de hiervoor genoemde interne e-mail van [bedrijf B] van 23 december 2019, maar daarin wordt niet gesproken over het latere artikel 22 van de overeenkomst. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt voorshands niet in te zien dat uit die e-mail volgt dat [stichting A] nadien redelijkerwijs diende te begrijpen dat de opzeggingsbevoegdheid in artikel 22 van de overeenkomst alleen beoogde te zien op de situatie dat [stichting A] een ander EPD dan [gebruiksvereniging A] in gebruik neemt waaraan [handelsnaam A] niet kan worden gekoppeld, temeer niet nu artikel 22 niet expliciet stipuleert dat het moet gaan om een ander EPD dan REFEX.
3.22.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof nader met partijen gesproken over de wijze waarop artikel 22 in de overeenkomst terecht is gekomen, wie bij de totstandkoming betrokken was en wat daarbij tussen partijen is besproken ten aanzien van de bedoeling van artikel 22. Toen kon geen zekerheid worden verschaft over welke personen daarbij precies betrokken waren en wat tussen de representanten van partijen destijds precies is besproken met betrekking tot het doel en de strekking van artikel 22, en wanneer dat is gebeurd. De lezingen daarover liepen uiteen. Duidelijk is wel dat zijdens partijen in de aanloop naar het sluiten van de overeenkomst over een opzegmogelijkheid is gesproken. Die mogelijkheid staat ook in de eerdere offerte (zie hiervoor rov. 3.3 onder g). Aan de zijde van [stichting A] zijn de gesprekken hierover volgens [persoon B] gevoerd door het management en staffunctionarissen (en niet door hemzelf). Aan de kant van [geïntimeerde] zijn volgens [persoon A] , naast hijzelf ‘ [persoon D] ’ en ‘ [persoon E] ’, de verkoopmedewerker, betrokken geweest. Geen van deze andere personen was tijdens de mondelinge behandeling aanwezig. Van deze personen zijn ook geen schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd. Uit de verklaringen van [persoon B] en [persoon A] leidt het hof af dat de opzegmogelijkheid op initiatief van [persoon B] in de overeenkomst is gekomen, en dat artikel 22 door [geïntimeerde] is geformuleerd. Daarbij hebben partijen geen juridisch bijstand gehad. Gezien zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling, wilde [persoon B] een opzegmogelijkheid in de overeenkomst omdat hij van [handelsnaam A] af wilde kunnen als [gebruiksvereniging A] niet zou werken. Naar het hof begrijpt, had [persoon A] had geen probleem met de opzegmogelijkheid zoals geformuleerd in artikel 22 omdat [handelsnaam A] ook zonder [gebruiksvereniging A] is te gebruiken. De opzegmogelijkheid is volgens hem opgenomen voor het geval [stichting A] in 2020 of 2021 zou kiezen voor een EPD waarmee [handelsnaam A] niet te koppelen was. Op basis van de processtukken en de informatie verkregen tijdens de mondelinge behandeling kan het hof niet op voorhand vaststellen wat partijen ten aanzien van de opzegmogelijkheid redelijkerwijs over en weer moesten begrijpen. Denkbaar is dat in een bodemprocedure door nadere bewijslevering, bijvoorbeeld door nadere bewijsstukken of het horen van getuigen, meer duidelijkheid zal kunnen worden verkregen over wie betrokken was bij de onderhandelingen over de overeenkomst en wat door de betrokken personen is besproken over de bedoeling en strekking van artikel 22. Dit geding leent zich, gelet op haar aard, niet voor dergelijke nadere bewijslevering.
3.23.
Het voorgaande betekent dat voorshands rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de door [stichting A] bepleite uitleg van artikel 22 van de overeenkomst de juiste is. In het licht van de verdere feiten en omstandigheden in deze zaak kan niet op voorhand worden vastgesteld dat haar geen beroep op het bepaalde in artikel 22 toekomt. Niet in geschil is immers dat de selectie door [stichting A] van [gebruiksvereniging A] als nieuw EPD in 2020 heeft plaatsgevonden, dus in één van de twee in artikel 22 genoemde jaren. Ook is niet in geschil dat in 2022 [handelsnaam A] (als planningstool) nog steeds niet was gekoppeld met [gebruiksvereniging A] (als EPD), omdat [gebruiksvereniging A] nog niet voldoende functioneerde en dat [geïntimeerde] (in de persoon van [persoon A] ) toen geen vertrouwen had dat een koppeling binnen afzienbare tijd tot stand viel te brengen, zoals [geïntimeerde] bij e-mail van 25 oktober 2022 (productie 5 bij conclusie van antwoord) zelf met zoveel woorden aan [stichting A] had laten weten. Naar het oordeel van het hof is daarom het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde geldvordering voorshands niet voldoende aannemelijk voor toewijzing in kort geding.
Beëindiging van de overeenkomst op andere gronden dan artikel 22
3.24.
Naast het voorgaande acht het hof het volgende van belang.
3.25.
Met verwijzing naar wat zij in paragraaf 8 van haar conclusie van antwoord heeft aangevoerd, heeft [stichting A] in de toelichting op grief 2 (het hof begrijpt: subsidiair) aangevoerd (memorie van grieven, randnummers 2.24 en 2.25) dat, naast artikel 22 van de overeenkomst, ook andere gronden voor opzegging van de overeenkomst aanwezig zijn, onder verwijzing naar de brief van [persoon B] namens [stichting A] aan [geïntimeerde] van 2 augustus 2023 (productie 10 bij conclusie van antwoord). Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 24 en 25 Rv had de voorzieningenrechter de zaak moeten onderzoeken en beoordelen op de gronden die [stichting A] aan haar verweer in dit geding ten grondslag heeft gelegd en zo nodig de rechtsgronden moeten aanvullen, aldus nog steeds [stichting A] .
3.26.
Naar het voorshandse oordeel van het hof heeft [stichting A] met de brief van [persoon B] van 2 augustus 2023 aan [geïntimeerde] redelijkerwijs voldoende duidelijk gemaakt dat zij zich, om tot beëindiging van de overeenkomst te komen, niet alleen beroept op de opzeggingsgrond van artikel 22 van de overeenkomst, maar ook op andere gronden. Zij behoudt zich daarin immers onder meer het recht voor de gronden voor opzegging “en overige beëindiging” nadien aan te vullen. Daarbij heeft [geïntimeerde] naar het voorshandse oordeel van het hof redelijkerwijs ook moeten begrijpen dat die andere gronden wat [stichting A] betreft zijn gelegen in, samenhangen met en zijn gebaseerd op de verdere feiten en omstandigheden die in de brief van [persoon B] van 2 augustus 2023 zijn weergegeven. [persoon B] schrijft in dat verband, voor zover hier van belang:
“Zoals jullie weten, was de implementatie van [handelsnaam A] een uitdrukkelijke randvoorwaarde van [bedrijf A] ( [bedrijf B] ) voor de oplevering van [gebruiksvereniging A] . Zonder die eis vanuit [bedrijf A] ( [bedrijf B] ) zouden wij niet met [handelsnaam A] in zee zijn gegaan en zouden wij onszelf de onnodige kosten hebben bespaard. (…).
Dat [geïntimeerde] nu doet alsof deze samenhang tussen [gebruiksvereniging A] en [handelsnaam A] niet bekend is en dat zij onaangenaam verrast is door het besluit van [stichting A] is bijzonder. Ten eerste was [geïntimeerde] destijds onderdeel van [bedrijf A] en maakte u zelf deel uit van de directie daarvan. [geïntimeerde] was dus ook bij die kant van het proces nauw betrokken. Ten tweede heeft [stichting A] ook later (i.e. 9 december 2022) nog overleg gehad met [geïntimeerde] naar aanleiding van het mislukken van de oplevering van [gebruiksvereniging A] .
Procesverloop
Tijdens dat gesprek heeft u zelf ook toegegeven geen vertrouwen te hebben in de directie en het management van [bedrijf B] en heeft u bevestigd geen mogelijkheden te zien om alsnog een werkend EPD te realiseren waarmee [handelsnaam A] zou kunnen koppelen. Tijdens datzelfde gesprek in december heeft u aangegeven te begrijpen dat [stichting A] ondertussen veel tijd verder is en jarenlang onnodig heeft betaald voor [handelsnaam A] . Ik verwijs in dit kader ook naar het verslag van ons gesprek – (…) – zoals gedeeld met u op 16 december 2022 [het verslag dat is overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord, zo begrijpt het hof].”
3.27.
Dat sprake was van samenhang tussen [gebruiksvereniging A] (als EPD) en [handelsnaam A] (als planningstool) en dat zij in 2019/2020 tezamen als één product door [holding A] en [geïntimeerde] werden aangeboden, vindt naar het voorshandse oordeel van het hof steun in het document dat is getiteld ‘Verslag bijeenkomst GVR- [bedrijf B] 15-11-2019’ (productie 3 bij conclusie van antwoord). Daarin is onder punt 2 bij ‘Reactie [bedrijf B] ’ opgenomen, voor zover hier van belang:
“ [gebruiksvereniging A] vormt met [handelsnaam A] 1 product, maar door de juridische structuur (twee werkmaatschappijen) staan er twee prijzen. Als het vanuit 1 werkmaatschappij aangeboden had kunnen worden, dan was er 1 bedrag geweest.
Je kunt [handelsnaam A] aanschaffen zonder [gebruiksvereniging A] , maar [gebruiksvereniging A] niet zonder [handelsnaam A] .
(…).”
3.28.
Uit deze passage in het verslag volgt dat [gebruiksvereniging A] en [handelsnaam A] destijds aan (onder meer) [stichting A] zijn gepresenteerd als vormend één product, waarvan de samenstellende onderdelen afkomstig waren van twee separate vennootschappen, [holding A] en [geïntimeerde] , waarbij deze vennootschappen indertijd aan (onder meer) [stichting A] zijn gepresenteerd als werkmaatschappijen van een en dezelfde groep van vennootschappen. Dat stemt ook overeen met de organisatiestructuur van de [bedrijf B] -groep van vennootschappen zoals deze blijkt uit productie 16 bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Pas in de loop van 2022 is [geïntimeerde] als zelfstandige vennootschap verder gegaan, los van de [bedrijf B] -groep van vennootschappen, zo begrijpt het hof hetgeen partijen hierover verder hebben aangevoerd.
3.29.
Steun voor de hiervoor bedoelde samenhang blijkt ook uit de inhoud van het document dat als bijlage 1 behoorde bij de overeenkomst (productie 2 bij conclusie van antwoord). Dat is de eerder in dit arrest al besproken offerte aan [stichting A] van 6 maart 2020 op briefpapier waarop de logo’s van zowel [bedrijf B] als [handelsnaam A] zijn vermeld. Verdere steun biedt naar het voorshandse oordeel van het hof het document, getiteld ‘Quickscan Implementatie [handelsnaam A] ’, van 17 januari 2020 (productie 4 bij conclusie van antwoord). Uit wat onder 2.1 (‘Leveranciersgegevens’) staat vermeld, volgt dat de implementatie van [gebruiksvereniging A] (als EPD) in combinatie met [handelsnaam A] (als planningstool) een gezamenlijk project van [holding A] en [geïntimeerde] zou zijn.
3.30.
Het voorgaande voert het hof tot het voorshandse oordeel dat de overeenkomst niet op zichzelf moet worden beschouwd, maar moet worden bezien als onderdeel van een door [geïntimeerde] in samenwerking met [holding A] te realiseren totaalproject dat was gericht op de implementatie van [gebruiksvereniging A] (als EPD) in combinatie met [handelsnaam A] (als planningstool) voor en ten behoeve van (onder meer) [stichting A] .
3.31.
Dat [geïntimeerde] in de persoon van [persoon A] in de loop van het project het vertrouwen verloor in het management van [holding A] als ook in de mogelijkheid dat [holding A] [gebruiksvereniging A] zodanig operationeel zou krijgen dat [handelsnaam A] daaraan gekoppeld zou kunnen worden, blijkt naar het voorlopige oordeel van het hof voldoende uit de e-mail correspondentie tussen partijen van respectievelijk 25 oktober 2022, 14 november 2022 en 16 december 2022 (producties 5, 6 en 7 bij conclusie van antwoord). Daaruit blijkt ook voldoende dat een en ander voor [geïntimeerde] ( [persoon A] ) toen reden was om, in ieder geval vooralsnog, de gezamenlijke implementatie met [holding A] van [gebruiksvereniging A] (als EPD) in combinatie met [handelsnaam A] (als planningstool) eenzijdig te staken.
3.32.
Onder de zojuist besproken omstandigheden moet er naar het voorlopige oordeel van het hof rekening mee worden gehouden dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat een en ander de tussentijdse beëindiging door [stichting A] van de overeenkomst rechtvaardigt, door middel van opzegging of anderszins. Naar het oordeel van het hof is ook om deze reden het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde vordering voorshands niet voldoende aannemelijk. Weliswaar is in dit verband door [geïntimeerde] nog aangevoerd dat [handelsnaam A] ook kan worden gekoppeld met andere EPD’s dan [gebruiksvereniging A] en dat [handelsnaam A] zich daarvoor beschikbaar stelt als ook dat [handelsnaam A] momenteel daadwerkelijk bruikbaar is voor [stichting A] en ook werkelijk door haar wordt gebruikt, maar dit alles legt binnen het kader van dit geding onvoldoende gewicht in de schaal. Door [geïntimeerde] is niet (voldoende concreet) gesteld wat zij na oktober/november 2022 concreet heeft ondernomen om tot de koppeling van [handelsnaam A] met een ander EPD te komen en [stichting A] bij te staan bij de eventuele selectie van een daartoe geschikt alternatief EPD. In het licht van haar eenzijdige staken van de met [holding A] gezamenlijk uit te voeren implementatie van [gebruiksvereniging A] (als EPD) en [handelsnaam A] (als planningstool) voor en ten behoeve van (onder andere) [stichting A] mocht naar het voorshandse oordeel van het hof van haar in dat verband in ieder geval een actieve rol worden verwacht. Verder is door [stichting A] binnen de kaders van dit geding voldoende concreet betwist dat [handelsnaam A] thans voor haar bruikbaar is en werkelijk wordt gebruikt.
Tussenconclusie
3.33.
Uit het voorgaande volgt dat het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde geldvordering voorshands niet voldoende aannemelijk is. Uit het voorgaande volgt ook dat de door [geïntimeerde] opgeworpen incidentele grief 3 niet slaagt.
Belangenafweging
3.34.
Een afweging van de belangen van partijen leidt er niet toe dat, ondanks dat het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde geldvordering voorshands niet voldoende aannemelijk is, zij toch alsnog moet worden toegewezen. Daartoe wijst het hof op het volgende.
3.35.
Dat het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde geldvordering voorshands niet voldoende aannemelijk is, acht het hof in het kader van de te maken belangenafweging een zwaarwegende factor. Daartegenover legt het door [geïntimeerde] gestelde spoedeisende belang onvoldoende gewicht in de schaal. Dát [geïntimeerde] ten tijde van het wijzen van dit arrest een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening is op zichzelf voldoende gebleken. [geïntimeerde] heeft de spoedeisendheid onderbouwd met een winst- en verliesrekening over de maanden januari tot en met november 2023 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) en aan de hand daarvan betoogd, kort gezegd, dat zij de vergoeding die [stichting A] verschuldigd is op grond van de overeenkomst nodig heeft om haar onderneming kostendekkend te laten zijn en zo de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Hetgeen [stichting A] in de toelichting op principale grief 1 daartegen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Procesverloop
Dat komt er in essentie op neer dat zij de waarachtigheid van de door [geïntimeerde] gepresenteerde winst- en verliesrekening in twijfel trekt als ook dat de enkele omstandigheid dat daaruit blijkt van een negatief eindresultaat niet betekent dat sprake is van acute financiële problemen. [geïntimeerde] heeft een verklaring van [persoon F] (hierna: [persoon F] ) van accountantskantoor [bedrijf C] overgelegd, gedateerd 4 juli 2024 (productie 17 bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel). Daarin verklaart [persoon F] dat de inhoud van de hiervoor bedoelde winst- en verliesrekening juist is. Dit is door [stichting A] niet nader betwist, zodat het hof voorshands uitgaat van de juistheid van de winst- en verliesrekening. Daaruit blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat [geïntimeerde] de betalingen die [stichting A] op grond van de overeenkomst in beginsel verschuldigd is, nodig heeft om haar onderneming draaiend te houden. De keerzijde daarvan is echter dat daarmee voor [stichting A] het risico toeneemt dat [geïntimeerde] niet in staat zal zijn tot terugbetaling, indien in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [geïntimeerde] ten onrechte aanspraak maakt op de door haar gevorderde geldbedragen. Nu in dit geding is geoordeeld dat voorshands het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde geldvordering niet voldoende aannemelijk is, dient laatstbedoeld risico dat [stichting A] loopt zwaarder te wegen dan het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening.
De slotsom
3.36.
Zoals hiervoor is overwogen, past volgens vaste jurisprudentie de kortgedingrechter terughoudendheid wanneer aan hem een geldvordering ter beoordeling is voorgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in dit geval niet de vereiste terughoudendheid in acht genomen. Het bestaan van de geldvorderingen van [geïntimeerde] is niet zodanig aannemelijk geworden dat deze in het kader van artikel 254 Rv bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad kunnen worden toegewezen. Daarbij is met name van belang dat partijen verschillende uitleg geven aan de door hen gesloten overeenkomst, in het bijzonder de opzegmogelijkheid zoals geformuleerd in artikel 22. Om de juiste uitleg vast te stellen, is nader feitenonderzoek nodig en mogelijk het horen van getuigen. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Te meer omdat er sprake is van restitutierisico, had de voorzieningenrechter de gevorderde voorziening moeten afwijzen.
3.37.
Het voorgaande voert tot de conclusie dat [stichting A] op goede gronden principaal hoger beroep heeft ingesteld. Het bestreden vonnis zal daarom worden vernietigd. Het hof zal opnieuw rechtdoen en daarbij de door [geïntimeerde] gevorderde voorlopige voorziening afwijzen en haar veroordelen tot terugbetaling van hetgeen op basis van het bestreden vonnis al is betaald, een en ander zoals in het dictum zal zijn verwoord. Met betrekking tot het door [geïntimeerde] ingestelde incidenteel hoger beroep is hiervoor (rechtsoverweging 3.2) al geconstateerd dat [geïntimeerde] daarmee geen ander dictum nastreeft. Verder verwijst het hof naar wat zij eerder in dit arrest heeft overwogen over de door [geïntimeerde] opgeworpen incidentele grieven.
3.38.
[geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en de procedure bij de voorzieningenrechter, een en ander op de wijze zoals in het dictum van dit arrest zal zijn bepaald waarbij wat betreft de ingangsdatum voor de gevorderde wettelijke rente naar redelijkheid een termijn van 14 dagen zal worden aangehouden. Wat betreft het incidenteel hoger beroep zal een proceskostenveroordeling op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966, rov. 3.2) achterwege blijven.
3.39.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
4De uitspraak
Het hof:
in het principaal hoger beroep
4.1.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
en opnieuw rechtdoende:
4.2.
wijst het door [geïntimeerde] gevorderde af;
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [stichting A] van alle bedragen die [stichting A] op basis van het bestreden vonnis over de periode vanaf september 2023 aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectieve bedragen vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele terugbetaling aan [stichting A] ;
in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal hoger beroep en de procedure bij de voorzieningenrechter, welke kosten worden begroot:
- wat betreft het principaal hoger beroep op € 115,12 aan explootkosten, € 2.175,- aan griffierecht en € 10.572,- voor salaris advocaat (2 punten maal tarief VII),
- wat betreft de procedure bij de voorzieningenrechter op € 688,- aan griffierecht en
€ 1.079,- aan salaris advocaat,
met bepaling dat indien de hiervoor genoemde kosten betreffende het principaal hoger beroep en de procedure bij de voorzieningenrechter niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest zullen zijn voldaan, daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de 14de dag;
4.5.
verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen onder 4.3 en 4.4 uitvoer bij voorraad;
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, B.E.L.J.C. Verbunt en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025.
griffier rolraadsheer