Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-17
ECLI:NL:GHSHE:2025:1160
Strafrecht
Hoger beroep
5,384 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000735-24
Uitspraak : 17 januari 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-331190-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn toegewezen tot € 150,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor de overige gevorderde schadevergoeding zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal een standpunt ingenomen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 december 2023 te Heerlen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "ik ga nu naar huis, dan ga ik hem halen en dan schiet ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of vervolgens met de hand een schietbeweging te maken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12 december 2023 te Heerlen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "ik ga nu naar huis, dan ga ik hem halen en dan schiet ik je dood" en vervolgens met de hand een schietbeweging te maken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is – kort gezegd – het navolgende aangevoerd. Verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben aangifte gedaan van bedreiging. De bewoording van de geuite bedreiging zoals die is neergelegd in de processen-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn tegenstrijdig. Ook is onduidelijk of de bedreiging voorafgaand aan of volgend op het aanleggen van handboeien bij de verdachte zou zijn geuit. De processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daarnaast is aangevoerd dat de verdachte fysiek niet in staat is om een pistool-beweging te maken. Bij de verdachte ontbrak bovendien - gelet op de omstandigheden waaronder de bedreiging is gedaan - het opzet op het teweegbrengen van vrees. Daarbij was de uitlating niet van dien aard dat deze redelijke vrees zou kunnen opwekken dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] het leven zouden laten.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde(n) de redelijke vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou(den) kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Niet vereist is dat bij de bedreigde(n) in het concrete geval die redelijke vrees ook daadwerkelijk is ontstaan. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken (vgl. HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309; HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4020; HR 11 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686 en HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:190).
Het hof is van oordeel dat de niet medisch onderbouwde stelling van de verdediging dat de verdachte geen schietbeweging – uit welke beweging of stand van de hand die schietbeweging dan ook zou kunnen bestaan – zou kunnen maken in de richting van de verbalisanten, wordt weerlegd door de inhoud van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen. Dit geldt eveneens voor de enkele ontkenning dat de verdachte de woorden heeft gebezigd als in de tenlastelegging opgenomen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van verbalisanten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zoals neergelegd in hun aangiften en hun processen-verbaal, laat staan een reden om enkele processen-verbaal uit te sluiten van het bewijs. Voormelde verklaringen zijn in de kern gelijkluidend en vinden over en weer voldoende steun in elkaar.
Gelet op de aard en inhoud van de door de verdachte gebezigde bewoordingen in combinatie met de schietbeweging met (de duim en wijsvinger van) zijn hand, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat daaruit de redelijke vrees kan ontstaan dat de verdachte de daad bij het woord zal voegen. Het hof is derhalve van oordeel dat de woordelijke en feitelijke bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de bedreigingen ten uitvoer zou kunnen leggen en dat het opzet van de verdachte op het veroorzaken van die vrees was gericht. Het verweer van de verdediging dat de verdachte de uitlatingen in een op dat moment gecontroleerde situatie heeft gedaan – wat de verdediging daarmee ook bedoelt nu de verdachte toen nog niet aangehouden, laat staan voorzien van handboeien was – en dat de uitlatingen derhalve niet de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat verbalisanten door toedoen van de verdachte het leven zouden verliezen, wordt dan ook verworpen.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een straf zal worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gebracht, ter onderbouwing waarvan de raadsman stukken aan het hof heeft overgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.
Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:
- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan;
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en
- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 12 december 2023 schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht van twee bijzondere opsporingsambtenaren. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte de verbalisanten, die slechts bezig waren hun handhavende taak uit te voeren, angst en vrees aangejaagd. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten reeds eerder meermalen, zo ook bij onherroepelijk vonnis van 9 april 2019, is veroordeeld ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Die veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan.
Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte bewindvoering heeft en dat er sprake is van mentorschap. De verdachte heeft begin 2024 een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg ontvangen, waaruit blijkt dat hij recht heeft op zorg in de vorm van beveiligd wonen met zeer intensieve begeleiding op grond van de Wet Langdurige Zorg.
Naar het oordeel van het hof kan – in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Alle omstandigheden afwegend acht het hof – met de advocaat-generaal – passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.
Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 420,00 aan immateriële schade. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is gesteld dat hij ten gevolge van de bewezenverklaarde bedreiging immateriële schade heeft geleden. Daartoe is aangevoerd dat de gedachte dat hij niet wist of de verdachte een wapen bij zich zou hebben, hem beangstigde. Hij vreesde voor zijn leven en hij heeft een dag na het incident een dag verlof gekregen van de procescoördinator.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,
en op 17 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Feiten
Daarnaast heeft hij een paar dagen last gehad van slaapproblemen. [slachtoffer 1] is sinds de bedreiging alerter geworden tijdens zijn werk en is terughoudender in het contact met anderen. Voor de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding is verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 juni 2018 met ECLI:NL:GHAMS:2018:3159.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft te kennen gegeven de oorspronkelijke vordering te handhaven in hoger beroep.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gesteld dat hij ten gevolge van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Ter onderbouwing van die gevorderde schadevergoeding heeft hij gesteld dat hij door het handelen van de verdachte voorzichtiger is geworden in zijn optreden.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vordering in verband met de bepleite vrijspraak.
Subsidiair dienen de vorderingen van de benadeelde partijen te worden afgewezen c.q. dient het hof de hoogte van de toe te wijzen bedragen aanzienlijk te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Blijkens het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelden lichamelijk letsel hebben opgelopen, in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte geen lichamelijk letsel hebben opgelopen en evenmin daardoor in hun eer of goede naam zijn geschaad.
De vraag die voorligt is of de benadeelde partijen op andere wijze in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof hebben de benadeelde partijen onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen en onderbouwd, op basis waarvan het bestaan van een aan de bewezenverklaarde bedreigingen te relateren aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW kan worden vastgesteld. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel enige impact zal hebben gehad op de benadeelde partijen, hebben zij onvoldoende onderbouwd op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen. Nadere bewijslevering zou echter een onwenselijk geachte vertraging in de afdoening van de strafzaak betekenen. Verder doet zich in de onderhavige zaak niet het geval voor dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen. Dit alles brengt met zich mee dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof van oordeel is dat de vordering van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard en dat de benadeelde partijen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Met betrekking tot de proceskosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften