Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1151
Civiel recht
Hoger beroep
5,294 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.397/01
arrest van 22 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. S. Ikiz te Maastricht,
tegen
[geïntimeerde]
, handelend onder de naam Autobedrijf [XX],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 3 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 april 2024 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ;
- de rolaantekening dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
De kern van de zaak in hoger beroep
2.3
Deze zaak spitst zich toe op de (vaststelling van de) inhoud of omvang van een gegeven opdracht, de vraag of in de uitvoering daarvan tekort is geschoten en de kwestie welke schade in het geval van een tekortkoming moet worden vergoed.
3De beoordeling
Feiten
3.1
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. [appellant] was al jaren een vaste klant bij het autobedrijf van [geïntimeerde] .
b. Op 13 december 2021 heeft [appellant] zijn Mitsubishi Pajero Pinin (hierna: auto), bouwjaar 2002, bij [geïntimeerde] aangeboden voor een periodieke autokeuring (hierna: APK). Nadat [geïntimeerde] de auto aanvankelijk had afgekeurd, heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] herstelwerk uitgevoerd en de auto alsnog goedgekeurd. Het daarvan door [geïntimeerde] opgemaakte RDW-keuringsrapport van 21 december 2021 vermeldt:
“
(6) Reparatieadvies. advies-, reparatie- of afkeurpunt en nadere uitleg
Roestschade van 1.5 t/m 2.0E of meer dan 15% dikteafname (AC3/nat APK)
In het kader van de APK zijn de volgende gebreken hersteld:
1x Dragende delen bevestigingsmiddelen los (5.2.3/6.1.1.b); achter links.”
Van het uitgevoerde herstelwerk is geen factuur opgemaakt.
c. In december 2022 heeft [appellant] de auto opnieuw bij [geïntimeerde] aangeboden voor de APK. [geïntimeerde] heeft de auto toen afgekeurd. Het daarvan door [geïntimeerde] opgemaakte RDW-keuringsrapport van 13 december 2022 vermeldt:
“In het kader van de APK zijn de volgende gebreken geconstateerd:
1x Roestschade dragende delen en verankeringen (5.2.3/6.1.1.c)”.
d. Bij factuur 23018597 van 7 februari 2023 heeft Automobielbedrijf [YY] B.V. (hierna: [YY] ) te [plaats A] aan [appellant] € 1.893,30 in rekening gebracht voor:
“APK keuring incl. Afmeldkosten (…) 34,71
Laswerk bodem draag delen wielkast rondom (…) 0,00
Klein materiaal (…) 100,00
Werkplaatstarief (…) 1.430,00
(…)
Te betalen € 1.893,30
”
[appellant] heeft dat gefactureerde bedrag van € 1.893,30 op 7 februari 2023 ook aan [YY] betaald.
e. Op 23 februari 2023 heeft (“ [persoon A] ” van) De [YY] ten behoeve van [appellant] opgeschreven:
“Auto afgekeurd op dragende carosorie delen ophang punten links en rechts achter zo als ook links en rechts voor laswerk
volgens eerdere apk raporten is deze auto eerder door de apk gekomen wat volgens ons onmegelijk is”.
Procesverloop
3.2
In dit met de dagvaarding van 12 oktober 2023 ingeleide geding heeft [appellant] , samengevat, gevorderd dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van:
I. € 1.893,30 aan hoofdsom;
II. € 283,99 aan buitengerechtelijke kosten,
(hierna: vorderingen I en II), met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3
Na een mondelinge behandeling die op 8 februari 2024 heeft plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij het beroepen vonnis van 10 april 2014, verkort weergegeven, als volgt overwogen:
[appellant] heeft in december 2021 opdracht verleend voor de herstelwerkzaamheden benodigd om door de APK-keuring te komen (rov. 4.2). [appellant] stelt dat hij toen ook opdracht heeft gegeven om de adviespunten uit dat rapport te herstellen, maar [geïntimeerde] betwist dat en dit kan niet als vaststaand worden aangenomen (rov. 4.3).
Niet kan worden vastgesteld dat de in december 2021 door [geïntimeerde] herstelde gebreken dezelfde zijn als die in het in december 2022 vastgestelde afkeurpunt, sterker nog: in het licht van de gerapporteerde bevindingen uit februari 2023 ligt het in de rede dat die destijds correct zijn hersteld (rov. 4.4).
Er is dus niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van werkzaamheden zoals die tussen partijen zijn overeengekomen (rov. 4.5), maar zelfs als dit anders was kan dat [appellant] niet baten omdat niet vaststaat dat [geïntimeerde] op enig moment in verzuim is komen te verkeren (rov. 4.6), zodat [geïntimeerde] ook hierom niet gehouden is tot vergoeding van schade en de beweerde schade geen inhoudelijke beoordeling meer behoeft (rov. 4.7).
De kantonrechter heeft op grond van deze oordelen de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg.
Procesverloop
3.4
In dit met de dagvaarding van 3 juli 2024 ingeleide hoger beroep formuleert [appellant] vier grieven en concludeert [appellant] , in de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de afgewezen vorderingen I en II van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente.
3.5
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet in rechte verschenen en tegen hem is verstek verleend.
De omvang van het hoger beroep
3.6
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met de in hoger beroep geformuleerde vorderingen en grieven en door de devolutieve werking van het beroep liggen de vorderingen I en II vol ter beoordeling aan het hof voor.
3.7
Aan vordering I tot betaling van € 1.893,30 aan hoofdsom legt [appellant] in de kern ten grondslag dat [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd door niet alle in december 2021 opgedragen werkzaamheden te hebben uitgevoerd. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zich toen ten onrechte beperkt tot het voor de APK-goedkeuring benodigde reparatiewerk tegen de zonder factuur contant door hem betaalde prijs van € 975,-- en heeft [geïntimeerde] nagelaten tevens de vastgestelde roestschade te repareren. Ook heeft [geïntimeerde] het reparatiewerk volgens [appellant] incorrect, althans ondeugdelijk, uitgevoerd.
3.8
[geïntimeerde] betwist, samengevat, de aan hem verweten wanprestatie, ontkent dat [appellant] hem € 975,-- heeft betaald en zegt dat hij vanwege de beperkte financiële middelen van [appellant] wel eens iets uit coulance heeft gedaan. [geïntimeerde] zegt dat [appellant] de opdracht in december 2021 beperkte tot alleen het repareren van de APK-afkeurpunten en dat hij daarom de adviespunten -waaronder de roestschade- toen niet heeft gerepareerd. [geïntimeerde] zegt meermaals aan [appellant] te hebben gezegd dat de reparatiekosten niet meer in verhouding staan tot de waarde van de auto, maar dat [appellant] desondanks niet op zoek wilde gaan naar een andere auto. Volgens [geïntimeerde] heeft hij de auto in december 2022 vanwege andere roestschade wel moeten afkeuren.
3.9
Het hof overweegt dat het partijdebat over de zonder factuur contant door [appellant] betaalde prijs voor de in december 2021 door [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] verrichte werkzaamheden onbesproken kan blijven. Het zonder factuur contant betaalde bedrag vormt geen onderdeel van de in dit geding voorliggende vorderingen en ongeacht welke prijs daarvoor precies was overeengekomen en betaald, staat vast dat [geïntimeerde] zich toen heeft verbonden om als autobedrijf in opdracht van [appellant] werkzaamheden aan de auto te verrichten. Reeds hierom heeft [geïntimeerde] als goed opdrachtnemer de werkzaamheden in december 2021 moeten uitvoeren zoals dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. Dit geding spitst zich vervolgens toe op de hierna te bespreken kwesties:
- wat precies de inhoud of omvang is geweest van de door [appellant] in december
2021 aan [geïntimeerde] gegeven opdracht,
- in hoeverre [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de
overeenkomst van december 2021, en
- in hoeverre [geïntimeerde] gehouden is om schade als gevolg van een tekortkoming aan
[appellant] te vergoeden.
3.10
Waar [appellant] bij herhaling benadrukt dat [geïntimeerde] de auto in december 2021 in zijn opdracht heeft gerepareerd, zegt dat -anders dan [appellant] mogelijk meent- nog niets over de inhoud of omvang van die daartoe aan [geïntimeerde] gegeven opdracht. Vast staat dat [appellant] in december 2021 aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven voor het repareren van de APK-afkeurpunten, maar [appellant] stelt daarnaast toen ook opdracht te hebben gegeven:
voor “(…) de chassisbalken en beide wielkuipen achter.” (inleidende dagvaarding alinea 4);
“(…) de adviespunten in het keuringsrapport van 2021 (…).” (memorie van grieven alinea 8);
(…) om alles in één keer te maken, dus ook hetgeen wat betrekking heeft op roestschade.” (memorie van grieven alinea 18);
of zoals [appellant] het in eerste aanleg duidelijk(er) had verwoord:
“De opdracht die eiser aan gedaagde had gegeven was om de auto op de afkeurpunten te repareren en tevens de chassisbalken en de achterste wielkuipen te repareren op roestschade.” (inleidende dagvaarding alinea 26).
Nu [appellant] de rechtsgevolgen van de door [geïntimeerde] betwiste opdracht van december 2021 inroept, dient [appellant] de daartoe benodigde feiten niet alleen te stellen, maar ook te bewijzen.
3.11.1
Ook voor de door [geïntimeerde] betwiste tekortkoming geldt dat [appellant] zich op de rechtsgevolgen van de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van december 2021 beroept, zodat [appellant] eveneens de hiertoe benodigde feiten dient te stellen en eventueel te bewijzen.
3.11.2
Voor zover [appellant] suggereert om bewijslevering te gelasten zodat getuigen kunnen worden bevraagd over voor de gestelde tekortkoming relevant geachte feiten, miskent [appellant] dat hij in eerste instantie de relevante (voor bewijs vatbare) concrete feiten dient te stellen.
3.11.3
Met het oog op de aan [geïntimeerde] verweten tekortkoming benadrukt [appellant] meermaals dat hij destijds in de veronderstelling verkeerde dat de auto na de door [geïntimeerde] in december 2021 uitgevoerde reparaties veilig op de weg kon blijven, maar enkel hiermee onderbouwt [appellant] onvoldoende dat de auto daar toen te onveilig voor zou zijn geweest.
3.11.4
Voor zover [appellant] nog aanvullend suggereert dat zijn toenmalige veronderstelling onterecht was, ziet [appellant] er aan voorbij dat de auto op 21 december 2021 uiteindelijk APK-goedkeuring heeft verkregen en dat hij in de periode van 21 december 2021 tot 23 februari 2023 bovendien nog (222.636 - 219.425 =) 3.211 kilometer -zonder gemelde problemen- met de auto heeft gereden. Doel en essentie van de APK-keuring zijn immers juist dat enkel auto’s die voldoende veilig zijn op de openbare weg komen. Daarvoor was enkel noodzakelijk dat het afkeurpunt werd verholpen.
3.11.5
Waar [appellant] verwijst naar de in december 2022 bij de afkeuring vastgestelde gebreken, onderbouwt en staaft [appellant] onvoldoende dat diezelfde afwijkingen in december 2021 al in dezelfde staat aanwezig waren, of althans toen al in een zodanige staat verkeerden dat verdergaande reparatiewerkzaamheden aangewezen zouden zijn geweest.
3.11.6
Voor zover [appellant] verwijst naar de op 7 februari 2023 door [YY] aan haar gefactureerde werkzaamheden, zegt dat onvoldoende over de (on)deugdelijkheid of (on)volledigheid van de in december 2021 door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden of anderszins over de staat van de in december 2021 door [geïntimeerde] gerepareerde auto.
3.11.7
[appellant] wijst verder op de in februari 2023 gedane vaststelling dat gaten met een beschermend anti-roestmiddel waren dichtgesmeerd, maar die door [appellant] gewraakte handelwijze zegt te weinig over de (on)deugdelijkheid of (on)volledigheid van de in december 2021 door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, over de toenmalige staat van de auto en al helemaal niets over de noodzaak in december 2021 van eventuele verdergaande maatregelen.
Procesverloop
3.11.8
Ook waar [appellant] de (juistheid van de) ter betwisting van de tekortkoming door [geïntimeerde] aangevoerde argumenten weerspreekt of in twijfel trekt, voldoet [appellant] niet voldoende aan de eigen stelplicht met betrekking tot de aan [geïntimeerde] verweten tekortkoming.
3.12
Gezien al het voorgaande concludeert het hof dat [appellant] in beginsel dient te bewijzen dat hij in december 2021 aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven voor het repareren van (niet alleen de APK-afkeurpunten, maar) ook de adviespunten. Het hof zal [appellant] tot die bewijslevering echter niet toelaten, omdat voor de schadeplichtigheid van [geïntimeerde] daarnaast nog is vereist dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst van 2021 voortvloeiende reparatieverplichtingen en hiervoor stelt [appellant] onvoldoende. Maar zelfs al had [appellant] voor een dergelijke tekortkoming voldoende gesteld en in beginsel ook hiervoor bewijs moeten leveren, kan [geïntimeerde] uiteindelijk hooguit aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] door een tekortkoming in de nakoming van verplichtingen uit de overeenkomst van december 2021 lijdt.
3.13.1
Als zodanige schade vordert [appellant] vergoeding van het op 7 februari 2023 aan [YY] betaalde factuurbedrag van € 1.893,30.
3.13.2
Dat [YY] dit bedrag van € 1.893,30 op 7 februari 2023 heeft gefactureerd voor ter verkrijging van APK-goedkeuring aan de auto verricht reparatiewerk, maakt echter nog niet voldoende aannemelijk dat dit gefactureerde werk een gevolg was van meer dan een jaar eerder door [geïntimeerde] incorrect, althans ondeugdelijk, verrichte werkzaamheden, laat staan voor dat gefactureerde bedrag.
3.13.3
Het door [YY] gefactureerde bedrag bestaat ten minste gedeeltelijk uit kosten die [appellant] in of omstreeks februari 2023 ook zonder een uit december 2021 stammende tekortkoming van [geïntimeerde] zou hebben moeten maken, zoals de APK- en afmeldkosten en enig bedrag voor klein materiaal en voor werkplaatstarief, waaronder arbeidskosten. In zoverre staan de door [appellant] geclaimde kosten niet in causaal (conditio sine qua non-verband) met een dergelijke tekortkoming, vallen die in ieder geval niet als een gevolg daarvan aan [geïntimeerde] toe te rekenen en komen die niet voor vergoeding in aanmerking.
3.13.4
Mede in het licht van het tussen 21 december 2021 en 7 februari 2023 verstreken tijdverloop onderbouwt [appellant] verder onvoldoende dat de in februari 2023 door [YY] verrichte werkzaamheden als een gevolg van een tekortkoming van [geïntimeerde] in december 2021 moesten worden verricht.
3.13.5
[appellant] verwijst naar het op 23 februari 2023 gedateerde schrijven waarin (“ [persoon A] ” van) [YY] ten behoeve van [appellant] heeft opgeschreven:
“Auto afgekeurd op dragende carosorie delen ophang punten links en rechts achter zo als ook links en rechts voor laswerk
volgens eerdere apk raporten is deze auto eerder door de apk gekomen wat volgens ons onmegelijk is”.
Voor zover dit schrijven vermeldt dat de in februari 2023 aan [YY] aangeboden auto in een zodanige staat verkeerde dat geen APK-goedkeuring kon worden verleend, kan er niet aan worden voorbijgezien dat [geïntimeerde] de auto op 13 december 2022 ook had afgekeurd. Voor zover dit schrijven aangeeft dat de auto eerder nooit APK-goedkeuring had mogen verkrijgen, is niet voldoende gesteld of gebleken dat dit ziet op de door [geïntimeerde] op 21 december 2021 afgegeven goedkeuring en al helemaal niet dat dit is gebaseerd op bekendheid met de staat van de auto in december 2021. Over de (aard van de) in december 2021 door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden vermeldt dit schrijven verder ook niets, laat staan dat en waarom die destijds incorrect of ondeugdelijk verricht zouden zijn.
3.14
Reeds in het licht van het voorgaande is niet voldoende gesteld of gebleken dat de door [YY] op 7 februari 2023 gefactureerde werkzaamheden als (herstelwerkzaamheden voor of anderszins) een gevolg van een uit december 2021 stammende tekortkoming aan [geïntimeerde] vallen toe te rekenen. Nu vordering I tot betaling van € 1.893,30 aan hoofdsom reeds bij gebreke van voor vergoeding in aanmerking komende schade niet toewijsbaar is, kan bewijslevering inzake de in december 2021 door [appellant] verstrekte opdracht en/of een eventuele tekortkoming in de nakoming daarvan door [geïntimeerde] , tot niets meer leiden en achterwege blijven.
3.15
Bij gebreke van een (rechts)grond tot schadevergoeding is ook vordering II tot betaling van € 283,99 aan buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.
Bewijsaanbod
3.16
Het hof passeert wat [appellant] verder nog te bewijzen aanbiedt, omdat het bewijsaanbod niet ziet op voor bewijs vatbare concrete feiten die het hof anders kunnen doen beslissen.
De slotsom
3.17
Alles bij elkaar komt het hof tot de slotsom dat de aan het hof voorliggende vorderingen niet toewijsbaar zijn en de grieven doel missen. Nu [appellant] de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij blijft, heeft de kantonrechter [appellant] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen. Het hof zal de in dit beroep ongelijk krijgende [appellant] ook veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, die aan de zijde van [geïntimeerde] evenwel op nul dienen te worden gesteld. Wat verder nog is aangevoerd, bevat geen concrete feiten die het hof anders doen beslissen. Het hof beslist nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 10 april 2014;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] van dit hoger beroep ten bedrage van € 0,--;
wijst het in hoger beroep door [appellant] gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2025.
griffier rolraadsheer