Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-17
ECLI:NL:GHSHE:2025:1090
Strafrecht
Hoger beroep
4,634 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002216-24
Uitspraak : 17 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 19 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-211463-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 9.476,70 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het ‘overige’ gedeelte is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De door de benadeelde partij gevorderde proceskosten zijn afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Voorts zal het hof – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, alsmede het door hof daaraan toegevoegde bewijsmiddel van de eigen waarneming van het hof, zoals gedaan ter terechtzitting van 13 december 2024, uitwerken als hierna vermeld.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen onder 1 tot en met 6 zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, [registratienummer] , gesloten d.d. 15 april 2024 (pg. 1-32), nader te noemen: het politiedossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2024 (pg. 5-8), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij] :
(pagina 5)
Plaats delict: Eindhoven
Ik, [benadeelde partij] doe aangifte namens mijn bedrijf [benadeelde partij] , tegen [verdachte] (het hof: de verdachte) van diefstal uit mijn bedrijf. Ik ben directeur van mijn bedrijf. Op 1 juni 2018 trad [verdachte] bij mij in dienst. [verdachte] werkte als medewerker plaatbewerking en werkte in ploegendienst. [verdachte] had in maart 2023 zijn ontslag ingediend om voor zichzelf te beginnen. [verdachte] trad op 31 maart 2023 uit dienst. [verdachte] had zich binnen een maand na uit dienst treden ziek gemeld. Omdat ik eigen risicodrager ben, was ik hierdoor verantwoordelijk voor de re-integratie van [verdachte] . Op woensdag 3 januari 2024 is [verdachte] begonnen aan zijn re-integratie traject bij mij op kantoor. [verdachte] zou twee uur per dag bij mij licht administratieve werkzaamheden verrichten.
(pagina 6)
Ik had omstreeks november 2023 camera's op laten hangen op de werkplek van mijn bedrijf. Op 14 januari 2024 zag een medewerker van mijn bedrijf op zijn telefoon dat er op 13 januari 2024 iemand in de werkplaats was geweest. Dit viel hem op, omdat dit een ongewone tijd betrof. Deze medewerker herkende de persoon als [verdachte] en hij hoorde daar op dat moment niet te zijn. Ik vermoed dat er op zaterdag 13 januari 2023 een sleutel is gebruikt om mijn bedrijf binnen te komen. Er waren geen braaksporen en ik had geen alarm melding gehad. Op bovengenoemde dag om 23.20 uur werd het alarm eraf gehaald. Dit werd later bevestigd door de alarmcentrale. Er is geen unieke code beschikbaar.
Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] met een heftruck messing platen uit het magazijn haalt en naar buiten verplaatste. Deze platen kunnen alleen op aanvraag in- en uitgevoerd worden uit onze materiaaltoren. Er zijn hier maar vijf werknemers in getraind, waaronder [verdachte] . De platen zijn van een dusdanig gewicht dat deze niet in een personenauto te vervoeren zijn. Op de camerabeelden van onze overburen is te zien in de weerspiegeling van de glazen laaddeuren, dat voertuigen de oprit van mijn bedrijf op- en afrijden.
Ik kan de [voertuig] als volgt omschrijven:[voertuig] . Kenteken onbekend.
2. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 18 januari 2024 (pg. 9-10), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij] :
(pagina 9)
Ik ben nog nagegaan wat er exact gestolen is. Dit betreffen 60 platen messing van 2000x1000x1mm. Mijn collega wist me nog te vertellen dat eenzelfde voertuig, betreffende een [voertuig] als op de filmpjes, voor de deur staat bij [verdachte] (het hof: de verdachte). Op weg van werk naar huis fietst hij daar dagelijks langs.
3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2024 (pg. 12-13), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
(pagina 12)
Ik ben werkzaam bij [benadeelde partij] (het hof: [benadeelde partij]). Ik stuur het magazijn aan. Er zijn maar vier mensen die het magazijn kunnen besturen. Op 14 januari 2024 keek ik in de ochtend op de camerabeelden. [benadeelde partij] is in de weekenden gesloten. Ineens zag ik in de avond van 13 januari 2024 omstreeks 23.40 uur beweging op de camerabeelden. Ik zag dat een oud-werknemer van [benadeelde partij] het magazijn binnenliep. Ik herkende deze oud-werknemer als zijnde [verdachte] . Ik herkende hem aan [signalement] . Ik zag dat [verdachte] een heftruck pakte en met de heftruck messing platen pakte om hier vervolgens mee naar buiten te rijden. Maandagochtend heb ik de voorraad gecheckt en er misten inderdaad messingplaten.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2024 (pg. 15-17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pagina 15)
Op 16 februari 2024 uur was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met de taak tot het uitkijken en beschrijven van camerabeelden (het hof: de bewakingsbeelden van [benadeelde partij]). Er zijn tien filmpjes met camerabeelden ter beschikking gesteld. Op beeld 8 zie ik een datum linksboven in het scherm staan. Deze datum betreft 13 januari 2024 met tijdstip 23:34:31 uur.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.476,70 (zegge: negenduizend vierhonderdzesenzeventig euro en zeventig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
wijst af de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten van een bedrag van € 2.615,34 (zegge: tweeduizend zeshonderdvijftien euro en vierendertig cent);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.476,70 (zegge negenduizend vierhonderdzesenzeventig euro en zeventig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 82 (tweeëntachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier,
en op 17 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Ik zie een man in een heftruck zitten met het volgende signalement:
[signalement]
Op beeld 9 zie ik een dezelfde man als in beeld 8 in de eerdergenoemde heftruck zitten. Ik zie dat de man de heftruck bestuurt en de lepels in een pallet met platen steekt. Ik zie dat
de man de heftruck in de achteruitrijversnelling zet en achteruit begint te rijden. Ik zie dat de man een stapel platen op de lepels van de heftruck heeft liggen.
(pagina 16)
Op beeld 10 zie ik dezelfde man als in beeld 8 wederom in de eerdergenoemde heftruck
zitten. Ik zie dat de man vooruit begint te rijden en rechtsaf slaat voorbij de stellingen waar de man de platen uitgetild heeft met de heftruck. Ik zie de man vervolgens rechtdoor wegrijden naar een andere hal. Ik zie dat de man uit beeld verdwijnt.
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2024 (pg. 18-19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pagina 18)
Op 2 februari 2024 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met de taak tot het bekijken van camerabeelden en het vergelijken van een identiteitsbewijs met de persoon op deze camerabeelden. De camerabeelden betreffen bewakingsbeelden van [benadeelde partij] (het hof: [benadeelde partij]). Ik zie dat het gezicht van de persoon op het legitimatiebewijs sterke overeenkomsten vertoont met de persoon op de camerabeelden. Beide tonen [signalement] Hiermee durf ik met grote zekerheid te zeggen dat de man op de camerabeelden de man van het legitimatiebewijs betreft.
De persoonsgegevens op het legitimatiebewijs betreffen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992.
6. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2024 (pg. 23-30), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
(pagina 25)
V: Wat is jouw relatie tot het bedrijf genaamd [benadeelde partij] ?
A: Ik heb daar denk ik 5 jaar gewerkt.
(pagina 26)
V: Aangever (het hof: aangeefster [benadeelde partij]) verklaart dat jij sinds 1 april 2023 in een langdurig ziekteverzuim traject zit en dat jij op 3 januari 2024 begonnen was aan een re-integratie traject voor 2 uur per dag licht administratieve taken te verrichten. Klopt dat?
A: Ja, dat klopt.
7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Aangeefster (het hof: aangeefster [benadeelde partij]) zegt dat zij het vermoeden heeft dat [verdachte] (het hof: de verdachte) een sleutel heeft laten bijmaken. Na de diefstal hebben zij ondervonden dat het sleutelplan van het bedrijf geen beveiligd sleutelplan is en dat het makkelijk is om een kopie te laten bijmaken. [verdachte] was ten tijde van de diefstal wel in het bezit van de code van het alarmsysteem. De code is namelijk in de periode van uit dienst treden tot aan de diefstal niet veranderd. [verdachte] moest in de periode dat hij nachtdiensten draaide, regelmatig gebruik maken van deze code en zal deze onthouden hebben.
8. De eigen waarneming van het hofgedaan ter terechtzitting van 13 december 2024, dat de persoon op ‘beeld 8’ van de camerabeelden [signalement] en dat die uiterlijke kenmerken van de persoon op de beelden overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van de verdachte.
Op te leggen straffen
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van messingplaten. De verdachte heeft bij het bedrijf van zijn (voormalig) werkgever zestig messingplaten weggenomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van de benadeelde. Dergelijk handelen veroorzaakt niet alleen materiële schade, maar zorgt eveneens voor overlast en ergernis. De verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar was uitsluitend gericht op het verrijken van zichzelf. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Bovendien acht het hof het kwalijk dat de verdachte, zelfs na confrontatie met de camerabeelden, geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, doch niet voor soortelijke strafbare feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij inmiddels is hersteld van de medische problemen die hij destijds had, dat hij samenwoont met zijn vriendin, dat hij als zzp’er werkzaam is in de bouw, dat zijn inkomen ongeveer drieduizend euro per maand is, dat hij schulden heeft en dat hij twee kinderen heeft uit een eerdere relatie.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.597,60. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij te kennen gegeven het gevorderde bedrag te verlagen tot een bedrag van € 9.476,70. De vordering behelst de kosten voor de door diefstal van de weggenomen messingplaten.
Hoewel op pagina 9 van het vonnis in het dictum staat vermeld dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is, is de vordering naar het hof begrijpt integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering van € 9.476,70 in hoger beroep te handhaven.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag aan materiële schade is naar het oordeel van het hof niet bovenmatig of onredelijk en door de verdachte niet inhoudelijk betwist. Het hof zal de vordering dan ook integraal toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.