Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:1082
Strafrecht
Hoger beroep
1,394 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000044-24
Uitspraak : 21 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-233877-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - diefstal in vereniging door middel van braak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.555,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (eveneens hoofdelijk) en de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is primair niet-ontvankelijkheid bepleit en subsidiair is het hof verzocht te beslissen zoals de rechtbank heeft gedaan, met dien verstande dat de verplichting tot schadevergoeding niet hoofdelijk wordt opgelegd, maar tussen de verdachte en de medeverdachte wordt verdeeld.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met de redengeving waarop dit berust.
straftoemeting
Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel betreffende de op te leggen sanctie dan de rechter in eerste aanleg.
benadeelde partij
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering zoals ingediend in eerste aanleg in hoger beroep te handhaven.
ontvankelijkheid
De verdediging heeft zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet is gebleken dat [aangever] , de persoon die de vordering namens [benadeelde] heeft ingediend, gemachtigd is om de vennootschap ter zake van de vordering tot schadevergoeding te vertegenwoordigen.
Het hof schaart zich achter hetgeen hierover door de rechtbank is overwogen. Het gaat hier om een kwestie van interne vertegenwoordigingsbevoegdheid, die op basis van het procesdossier kan worden aangenomen ook indien, zoals in het onderhavige geval, een stuk waaruit expliciet van de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt, ontbreekt (ECLI:NL:HR:2018:2006). De interne vertegenwoordigingsregeling van de rechtspersoon strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon zelf en niet ter bescherming van de belangen van de verdachte.
Hoofdelijkheid
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om veroordeling tot vergoeding van de schade niet hoofdelijk op te leggen, maar aan ieder van de verdachten voor de helft, overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij (naar burgerlijk recht) hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke hoofdelijke verbondenheid en aansprakelijkheid zoals volgt uit de artikelen 6:6 en 6:7 BW.
Gelet op bovenstaande ziet het hof in hetgeen is aangevoerd ter zake van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. J.J. Peters, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 21 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.