Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-10
ECLI:NL:GHSHE:2025:108
Strafrecht
Hoger beroep
5,458 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000716-24
Uitspraak : 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-016259-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven te [adres 1] ,
thans verblijvende te [adres 2] (tevens postadres).
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ (feit 1 primair) en ‘medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ (feit 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en ten aanzien van beide benadeelde partijen bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en zal dit derhalve bevestigen, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust,
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsvoering in het geheel vervangen. Derhalve komt de bewezenverklaring uitsluitend te berusten op de navolgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
Bewijsmiddelen
De politierechter heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen met betrekking tot het bewezenverklaarde. Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. In de onderhavige zaak heeft de verdachte weliswaar bij de politie een bekennende verklaring afgelegd, maar ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het tenlastegelegde niet heeft begaan en tevens heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Derhalve kan met een opsomming van de bewijsmiddelen niet worden volstaan.
Het hof zal de inhoud van de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen uitwerken op de wijze als hierna vermeld. Voorts zal het hof de bewijsmiddelen aanvullen.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, district Helmond, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, proces-verbaalnummer 2024011189, gesloten d.d. 18 januari 2024, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 72. De inhoud daarvan is hierna telkens zakelijk weergegeven.
Feit 1 ( [adres 3] )
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2024, dossierpagina’s 22-23, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] :
Ik doe aangifte van brandstichting, gepleegd door vermoedelijk twee personen, van onze planten in de plantenbak, welke voor bij de voordeur op [adres 3] stond.
Op 13 januari 2024, om 19.29 uur, werd mijn vrouw gebeld door de buurvrouw van [adres 4] . Mijn vrouw hoorde dat ze zei dat er iemand iets in de plantenbak, welke op dat moment naast onze voordeur stond, had gegooid. Mijn vrouw liep al bellend naar de voordeur en zag een grote vlam voor de voordeur. Mijn vrouw gooide de telefoon op de grond en opende de voordeur. Zij zag dat er een vlam tot aan de voordeur kwam toen zij de deur opende en schrok hier van. Zij trok de plantenbak weg van de voordeur zodat de vlam van de voordeur en rolluik af waren. Ik pakte ondertussen water en gooide samen met mijn buurvrouw een emmer water over de planten. Ik hoorde van de buurvrouw dat zij twee personen had gezien bij mijn plantenbak. Ik heb nu schade aan de planten die in de plantenbak stonden.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2024, dossierpagina 32, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 13 januari 2023 (het hof begrijpt: 13 januari 2024) vond er een brandstichting plaats aan de voordeur van het pand [adres 3] . Deze brandstichting kwam naar boven naar aanleiding van een buurtonderzoek in verband met een brandstichting op [adres 5] . Deze twee adressen liggen 190 meter van elkaar verwijderd.
Ik heb op dinsdag 16 januari de camerabeelden bekeken die zicht geven op het pand [adres 3] . Ik had de verdachte van de brandstichting op [adres 5] reeds gehoord en de beelden daarvan ook gezien. Op de beelden van het [adres 3] zie ik het volgende:
- 19.28.20 uur: Twee personen komen vanaf de Prins Karelstraat [adres 3] opgelopen in de richting Dasstraat.
- 19.28.25 uur: Door licht inval is het plaatje aan de halsketting van verdachte [verdachte] te herkennen.
- 19.28.47 uur: Verdachten lopen bij de woning [adres 3] .
- 19.28.49 uur: Eén verdachte loopt door, verdachte [verdachte] draait zich om naar de voordeur van [adres 3] .
- 19.28.53 uur: Terwijl de andere persoon al een woning verder is staat verdachte [verdachte] nog bij [adres 3] voor de deur en ontstaat er een vlam.
- 19.28.55 uur: Verdachte [verdachte] vervolgt ook zijn weg richting de Dasstraat en te zien is dat er iets brandt.
- 19.29.31 uur: De buurvrouw komt thuis van de hond uitlaten terwijl er een flinke brand is voor de deur van haar buren.
- 19.29.45 uur: Flinke brand voor de voordeur.- 19.30.51 uur: De bewoners komen naar buiten en proberen de plantenbak weg te trekken bij de voordeur, - 19.31.51 uur: De buurvrouw komt helpen en met emmers water wordt de brand geblust.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 januari 2024, dossierpagina 63, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: staat voor vraag verbalisant
A: staat voor antwoord verdachte
V: Ik toon u de beelden die zijn gemaakt van bewakingscamera's.
Feiten
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen, tenzij hierna anders vermeld – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat het gemeengevaarlijke aspect voor goederen niet bewezenverklaard kan worden zonder het oordeel van een deskundige. De verbalisanten in onderhavige zaak getuigen er niet van dat zij een interne brandopleiding hebben gevolgd en geven geen onderbouwing van de risico’s vanuit een deskundig optiek. Hetgeen de verdachte verweten wordt is slechts aan te merken als ‘baldadigheid’ – zijnde een overtreding – en dan de speciale vorm brand stichten, opgenomen onder feitcode H320 van de boetebase van het Openbaar Ministerie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast. Bij de beoordeling van de verweren zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan.
Tenlastegelegde onder feit 1
Op 14 januari 2024 doet aangever [benadeelde 1] aangifte van brandstichting op 13 januari 2024 in de plantenbak bij de voordeur bij zijn woning op [adres 3] . Hierbij verklaarde hij dat zijn vrouw, nadat zij door de buurvrouw was gebeld dat er iets in de plantenbak was gegooid, naar de voordeur liep en een grote vlam zag voor de voordeur. Zijn vrouw opende de voordeur en zag een vlam tot aan de voordeur. Zij heeft de plantenbak weggetrokken van de voordeur, zodat de vlam weg was van de voordeur en het rolluik. De aangever heeft verklaard schade te hebben aan de planten in de plantenbak. Op de beelden van het incident is te zien dat de verdachte en de medeverdachte aan komen lopen, waarna de medeverdachte doorloopt en de verdachte zich omdraait naar de voordeur van [adres 3] . Terwijl de medeverdachte al een woning verder is, staat de verdachte nog bij [adres 3] voor de deur en ontstaat er een vlam. De verdachte heeft bij de politie bekend brand te hebben gesticht in de plantenbak.
Tenlastegelegde onder feit 2
Op 13 januari 2024 doet aangever [benadeelde 2] aangifte van brandstichting op 13 januari 2024 bij zijn woning op [adres 5] . Hierbij verklaarde hij dat hij gerammel hoorde aan de brievenbus. Hij heeft op zijn telefoon de beelden van de deurbelcamera uitgekeken en zag twee mannen voor de deur staan. Hij zag dat een van de mannen de klep van de brievenbus openhield en dat de andere man gebukt stond richting de brievenbus. Hij zag toen ineens vlammen en zag dat de mannen wegrenden richting de Molenstraat. De aangever heeft verklaard dat in de brievenbus in de voordeur een tochtborstel zit en dat daarachter een gordijn hangt. Daarachter hangt de kapstok met een hoop jassen. Op de beelden is te zien dat de verdachte bij de voordeur aan [adres 5] iets in zijn handen heeft en naar voren bukt. De medeverdachte staat daarnaast. De verdachte staat met zijn hoofd naar beneden en dan ontstaat er een lichtflits, waarna de verdachte en de medeverdachte wegrennen. De aangever heeft verklaard dat de tochtborstel van de voordeur werd beschadigd. De verdachte heeft bij de politie bekend met de spray op het metalen gedeelte van de brievenbus te hebben gespoten en dit te hebben aangestoken
Beoordeling
Met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 1 geldt dat de planten in een plantenbak in brand zijn gestoken. De betreffende plantenbak stond vlakbij een voordeur van een woning, waarin in ieder geval de aangever en zijn vrouw aanwezig waren. Gelet op de door verbalisant gegeven beschrijving van de brand aan de hand van de camerabeelden waarbij is geconstateerd dat de vlammen (reeds) tot bij de voordeur reikten en gelet op de tijdsduur van bijna 3 minuten gedurende welke de planten hebben gebrand (van 19:28:53 tot 19:31:51 uur), was er naar het oordeel van het hof van de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten het gevaar dat de voordeur en het rolluik van de woning door de hitte en/of het vuur hadden kunnen gaan branden, alsmede dat (vervolgens) de woning met daarin aanwezige inboedel vlam zouden kunnen vatten.
Het hof merkt daarbij tevens op dat slechts door de omstandigheid dat de vrouw van de aangever werd gewaarschuwd door de buurvrouw en de vrouw van de aangever er daardoor snel bij was om de plantenbak weg te trekken van de voordeur en het vuur tijdig gedoofd kon worden, de brand geen verdere schade (dan schade aan de planten) heeft aangericht.
Met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde feit geldt dat het medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, ten laste is gelegd. Het hof overweegt dat de vlam die de verdachte en de medeverdachte hebben ontstoken door een (spuit-)busje met een brandbaar middel aan te steken en dat middel bij en in de brievenbus te spuiten, niet zover heeft gereikt dat daardoor andere goederen vlam hebben gevat. De vlam van het (spuit-)busje is weer uit gegaan nog vóór dat andere goederen door de vlam zijn ontstoken. Dit had echter wel gekund, als het gordijn of de jassen aan de kapstok, welke zich direct achter de voordeur bevonden, vlam hadden gevat. Het is een feit van algemene bekendheid dat het verloop van een brand en de gevolgen daarvan onvoorspelbaar (en zeer ernstig) kunnen zijn. Om die reden acht het hof bewezen dat een poging tot brand stichten met gemeen gevaar voor goederen door de verdachte bewezenverklaard kan worden.
De overige in hoger beroep gevoerde bewijsverweren vinden reeds hun weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de branden niet heeft gesticht. Hij verklaarde dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij dat wel heeft gedaan, omdat hij de medeverdachte wilde beschermen. De medeverdachte zou zowel op de [adres 5] als op het [adres 3] de branden hebben gesticht. De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte past op geen enkele manier bij de feiten en omstandigheden zoals die volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten van de camerabeelden, zoals weergegeven in de door hen op ambtsbelofte dan wel ambtseed opgemaakte en ondertekende processen-verbaal van bevindingen. Het hof acht de verklaring afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep dan ook niet aannemelijk en schuift deze als ongeloofwaardig terzijde.
De tot vrijspraak strekkende verweren worden mitsdien verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier,
en op 10 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Wie zijn die personen
die daar op beeld staan.
A: Ja dat zijn ik en [medeverdachte] , we liepen vanuit de Poolse winkel in de richting van [adres 5] .
V: Wie is dan de persoon met de lichte jas en de donkere jas?
A: Met de lichte jas ben ik en de donkere is [medeverdachte] .
V: Wie is de persoon met het plaatje om zijn nek wat daar oplicht?
A: Dat ben ik.
V: Nu je de beelden hebt gezien, zie je dan wel dat jij degene bent die de brand sticht in de plantenbak?
A: Ja.
Feit 2 ( [adres 5] )
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2023, dossierpagina’s 13-14, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 2] :
Ik doe aangifte van poging brandstichting c.q. vernieling. Ik heb niemand toestemming gegeven voor het plegen van dit feit en niemand had het recht hiertoe.
Op 13 januari 2024, was ik thuis, samen met mijn vrouw thuis op [adres 5] . Omstreeks 19.30 uur hoorde ik gerammel aan de brievenbus. Hierop keek ik op mijn telefoon om de beelden uit te kijken van de deurbelcamera. Ik zag toen twee mannen voor de deur staan. Ik kan ze als volgt omschrijven:
Man 1
- Oost Europees uiterlijk
- Witte gewatteerde jas
- witte of lichtkleurige muts met een logo erop
- fles in zijn hand
- had een tas om
Man 2
- Licht getint
- Opgeschoren haar
- Stone Island Jas
- droeg een Dog tag
Ik heb de mensen alleen op de camerabeelden gezien, dit was in infrarood uitgezonden. Ik zag dat man 1 de klep van de brievenbus openhield en dat man 2 gebukt stond richting de brievenbus. Ik zag toen ineens vlammen en ik zag dat de mannen wegrenden richting de Molenstraat. Ik heb geluid op mijn deurbelcamera, maar ze hebben niets tegen elkaar gezegd.
De brievenbus van mijn huis zit in de voordeur, hierin zit een tochtborstel en daarachter hangt een gordijn. Daarachter hangt de kapstok met een hoop jassen. Het had dus makkelijk in brand kunnen vliegen. De tochtborstel is beschadigd door dit feit, de foto van de borstel heb ik toegevoegd aan het proces verbaal.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2024, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 13 januari 2024, omstreeks 19.50 uur kregen wij de melding dat er op het adres [adres 5] getracht was om vuurwerk door de brievenbus te gooien. Ter plaatse spraken wij met de bewoners van [adres 5] . Wij hoorden dat ze aangaven dat ze geluid bij de brievenbus hoorden en dat ze op de ringdeurbel zagen dat er iets bij de brievenbus in brand werd gestoken. Hierbij toonden ze ons de beelden. Op de beelden zagen wij 2 personen. 1 persoon had een muts met een opvallend logo aan de voorkant. Deze persoon stond tegen een muur bij de voordeur. Persoon 2 had een gewatteerde jas met bontkraag aan en de jas was open. Op de linkermouw van de jas zat een opvallend logo en hij droeg een opvallende ketting. Persoon 1 reikt met zijn hand naar de brievenbus waarna persoon 2 met beide handen iets deed bij de brievenbus van de woning en vervolgens was er een grote vlam te zien en renden beide personen hard weg richting de Molenstraat.
De bewoners gaven aan dat ze de beelden nogmaals op groot scherm hadden bekeken en dat ze zagen dat de persoon met de opvallende ketting een deo-bus bij de brievenbus hield en samen met een aansteker een grote vlam in de brievenbus richtte. Wij hoorden dat de bewoners vertelden dat er ook haartjes van de brievenbus verbrand waren.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2024, dossierpagina 17, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 14 januari 2024 was ik belast met het uitkijken van de camerabeelden welke gemaakt werden op de [adres 5] alwaar vernieling/brandstichting werd gepleegd door de brievenbus. Ik bekeek de camerabeelden van de ringdeurbel op het adres van de vernieling/ brandstichting en zag hier het volgende: Ik zag twee jongens in beeld, de een dichter bij de camera en een verder af. De jongen welke het dichtste bij de camera staat kan ik als volgt omschrijven:
Fors postuur
Muts op het hoofd met op de voorkant een logo
Gewatteerde jas met capuchon.
Donkere wenkbrauwen
Hierna genoemd jongen 1.
De jongen welke verder af in beeld staat en de vernieling/ brandstichting daadwerkelijk pleegt kan ik als volgt omschrijven;
Opgeschoren haar aan de zijkant.
Fors postuur
Rond gezicht
Ketting met plaatje om de nek
Parka jas met bontkraag en op de linkermouw een logo
Trui met touwtjes
Hierna genoemd jongen 2.
Ik zie dat op twee seconde dat het beeld lopen de datum en tijdstip in beeld verschijnen namelijk 13/01/2024 19:31:37. Ik zie dat jongen 2 zich naar de voor deur bukt iets in zijn handen heeft. Jongen 1 kijkt vervolgens naar achteren en daarna met een glimlach naar wat er zich schuin onder zich afspeelt. Ik zie dat jongen 2 met zijn hoofd naar beneden gebogen staat en dat er dan een licht flits ontstaat, dit even aan houdt en beide jongens dan wegrennen.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 januari 2024, dossierpagina 57, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: staat voor vraag verbalisant
A: staat voor antwoord verdachte
V: Wat heb je met die spray gedaan?
A: We hebben onzinnig er mee gespeeld. Als de spray uit de bus kwam hebben we er een
vuurtje bij gehouden en dat vonden wij wel leuk want de spray ontbrandde dan.
V: Is dat ook leuk als je dat doet door een brievenbus van een woning?
A: Ja, dat klopt, dat was een hele stomme zet.
V: Wat zie je op de fotobijlage?
A: Ik ben de man met de ketting om en de andere persoon is de man die bij mij was.
V: Wat zie je op de beelden van de deurbelcamera?
A: Ik heb met de spray op het metalen gedeelte van de brievenbus gespoten en aangestoken. Ik weet niet of het naar binnen geslagen is.
Bewijsoverwegingen