Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-17
ECLI:NL:GHSHE:2025:1076
Strafrecht
Hoger beroep
2,462 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-23
Uitspraak : 17 januari 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 juni 2023, met parketnummer
02-076411-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen onder parketnummers 20-003273-19, 02-288010-22, 20-003274-19 en 20-001028-20, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in de penitentiaire inrichting te Grave.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf zijn algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Voorts heeft de politierechter als volgt beslist op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen:
de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 april 2021, gewezen onder parketnummer 20-003274-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, is toegewezen;
de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2021, gewezen onder parketnummer 20-001028-20, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, is toegewezen;
de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 8 december 2022, gewezen onder parketnummer 02-288010-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen, is afgewezen;
de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2021, gewezen onder parketnummer 20-003273-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, is afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2023 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de op te leggen straf en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 20-003273-19 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen. Ten aanzien van de overige vorderingen tot tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen zal afwijzen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij conform de politierechter zal beslissen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft bepleit dat het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder parketnummers 20-003274-19, 20-001028-20 en 02-288010-22 zal afwijzen dan wel het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 20-003273-19 dient te worden afgewezen. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair is verzocht om het toe te wijzen deel van de vordering te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarnaast zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvullen.
In hoger beroep is zijdens de verdediging nog aangevoerd dat de overtuiging ontbreekt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is gewezen op discrepanties op detailniveau in de processen-verbaal die door de verbalisanten zijn opgemaakt.
Het hof heeft echter uit het onderzoek ter terechtzitting met de advocaat-generaal en de politierechter door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarbij overweegt het hof dat de door de buitengewone opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal naar het oordeel van het hof, voor zover zij betrekking hebben op datgeen dat aan de verdachte is tenlastegelegd, in de kern overeenkomen. Het verweer wordt verworpen.
Op te leggen straf of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken, aan de verdachte een straf in de vorm van een geldboete of een voorwaardelijke taakstraf zal opleggen.
Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:
- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en
- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de belediging van een ambtenaar in functie.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffen uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 oktober 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen veelvuldig, en ook daarna nog met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, parketnummer 20-003273-19, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof
's-Hertogenbosch van 1 april 2021, parketnummer 20-003274-19, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof
's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, parketnummer 20-001028-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2022, parketnummer 02-288010-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,
en op 17 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.