Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:1068
Strafrecht
Hoger beroep
8,530 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002145-24
Uitspraak : 9 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 12 augustus 2024, parketnummer 01-047062-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-132420-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
thans verblijvende in de P.I. [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege gelast. Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging bevolen van een bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 18 februari 2022 (parketnummer 01-132420-21) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- het tenlastegelegde bewezen zal verklaren, met dien verstande dat er levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest;
- de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen;
- de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden zal bevelen.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden, met dien verstande dat er geen gevaar voor personen, zowel in de vorm van levensgevaar als in de vorm van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te duchten was. Meer subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van alle vormen van gevaar, heeft de verdediging een verweer tegen de op te leggen sanctie gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging bepleit dat deze afgewezen dient te worden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 8 februari 2024 te Eindhoven opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of een hoofdkussen in verblijfs- (en/of woon-)ruimte nummer 2083 op afdeling BIZ, in het gebouw van [benadeelde] aan [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten overig meubilair en/of naastgelegen verblijfsruimtes, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten het personeel en andere cliënten van [benadeelde] die op dezelfde afdeling aanwezig waren,
te duchten was.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 8 februari 2024 te Eindhoven opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een matras in ruimte nummer 2083 op afdeling BIZ, in een gebouw van [benadeelde] aan [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten overig meubilair en naastgelegen verblijfsruimtes, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten het personeel en andere cliënten van [benadeelde] die op dezelfde afdeling aanwezig waren,
te duchten was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2024, dossierpagina's 8-9, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] namens [benadeelde] en opgemaakt door [verbalisant 1] , surveillant van politie:
(Dossierpagina 8)
Op 8 februari 2024 hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn: [aangever] . Hij deed aangifte namens [benadeelde] , gevestigd op [adres 2] .
Op 8 februari 2024 was ik werkzaam als avond/weekend/nachthoofd binnen de organisatie van [benadeelde] te Eindhoven. Omstreeks 17:08 uur hoorde ik over de portofoon de beveiliging melden dat er een brandvooralarm afging op de afdeling BIZ. De bedrijfshulpverlener van dienst was ter plaatse gegaan. Hij gaf een terugkoppeling nadat hij bij de brandsituatie was geweest. Ik hoorde hem zeggen dat er een matras in brand stond en dat zelf blussen onmogelijk was. De meldkamer van [benadeelde] gaf aan dat ze de brandweer op gingen roepen. Na deze constatering ging ik zelf ook ter plaatse naar de afdeling waar de brand was. Ter plaatse legde ik contact met de bedrijfshulpverlener. Ik hoorde hem zeggen dat de cliënt, [verdachte] , overgeplaatst was naar de separeerruimte voor de veiligheid en dat de brand in haar kamer was ontstaan.
Toen de brandweer te plaatse kwam, heb ik met de brandweerman, die met de blusslang naar binnen ging, contact gehouden via het raam. Door dit raam had ik zicht op de kamer waar de brand was.
(Dossierpagina 9)
Ik zag niet veel want er was hele dichte rook in de gang. Toen de brandweer ging blussen, kwam er nog veel zwarte rook uit de kamer.
[verdachte] zit op de afdeling BIZ. Zij heeft een eigen kamer die zij niet deelt met anderen personen. Het kamernummer betreft 2083. [verdachte] zat vanaf 7 februari in een geslotenkamer programma. Dit betekent dat zij een individueel begeleidingsprogramma heeft en tijdens dat het programma voortduurt geen aanstekers of andere middelen om vuur te maken bij zicht mag hebben.
Door deze brandstichting heeft [verdachte] ervoor gezorgd dat er veel onrust teweeg is gebracht binnen de afdeling. Door de brand moest het gebouw ontruimd worden en moesten alle cliënten op de binnenplaats verzamelen. Op deze afdeling zijn ongeveer 50 cliënten aanwezig en ongeveer 15 personeelsleden.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 februari 2024, dossierpagina's 10-11, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
(Dossierpagina 10)
Op 8 februari 2024 was ik als verpleegkundige werkzaam op afdeling BIZ aan [adres 2] . Ik zag een collega genaamd [getuige 2] met de portofoon de afdeling op komen lopen. Ik hoorde dat [getuige 2] zei dat op kamer 2083 een voormelding was. De voormelding betekent dat er mogelijk brand is, in ieder geval rook. Ik ben samen met [getuige 2] en [getuige 3] naar de deur van kamer 2083 gelopen. Ik had ondertussen een brandblusser meegenomen. We hoorden [verdachte] , die in de kamer zat, roepen.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdediging heeft verzocht het feit in (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van psychiater drs. [psychiater] over verdachte d.d. 13 mei 2024,en het rapport van klinisch psycholoog [psycholoog] over verdachte d.d. 14 mei 2024.
Het rapport van psychiater [psychiater] houdt – voor zover hier relevant en zakelijk/verkort weergegeven – het volgende in:
Betrokkene is lijdende aan schizofrenie, differentiaal-diagnostisch aan een schizoaffectieve stoornis. Ook kan een persoonlijkheidsstoornis geclassificeerd worden.
(…)
Dit was ook het geval ten tijde van het tenlastegelegde.
(…)
De eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.
(…)
Ondanks de beschreven beperkingen van het onderzoek kan op basis van de verkregen informatie van betrokkene en informatie uit haar dossier aangenomen worden dat de brandstichting waar betrokkene van verdacht wordt, indien bewezen, tot stand is gekomen vanuit hevige boosheid, voortvloeiend uit ervaren onrecht over de opsluiting waarvoor zij, gezien haar traumatische voorgeschiedenis met opsluitingen extra gevoelig is. Dit in combinatie met boosheid voortvloeiend uit haar beleving iedere nacht verkracht te worden door GGZ-medewerkers. Gezien haar beperkt ontwikkelde emotie-en impulsregulatie, gezien haar beperkte copingvaardigheden om met stress en de heftige emoties om te gaan wist zij geen andere aanpak te bedenken dan haar toevlucht nemen tot brandstichten, indien dit bewezen wordt geacht. Het is aannemelijk dat de gestelde diagnosen en bijbehorende kenmerken, haar gedrag en haar vermogen andere keuzes te maken dan de gemaakte keuzes hebben beïnvloed. Daarom wordt geadviseerd het haar tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Hoeveel verminderd is lastig te bepalen gezien de beperkt verkregen, en voorhanden zijnde, informatie. Toch is het niet aannemelijk dat haar gedragingen, overwegingen en keuzes volledig in het teken stonden van psychotische overtuigingen. Betrokkene noemt herhaaldelijk dat boosheid het leidend motief was en niet dat er psychotische motieven zouden zijn zoals bijvoorbeeld het horen van opdracht gevende stemmen. Bovendien verbleef zij in een gesloten kamerprogramma hetgeen inhield dat zij geen middelen bij zich mocht hebben om vuur te maken.
Het rapport van forensisch psycholoog [psycholoog] houdt – voor zover hier relevant en zakelijk/verkort weergegeven – het volgende in:
Bij betrokkene is sprake van een ernstige en chronische psychotische stoornis
(schizofrenie) en persoonlijkheidsproblematiek met gemengde paranoïde, antisociale en borderline trekken. Mogelijk is ook sprake van een PTSS en stoornis in
cannabisgebruik, maar dat kan momenteel niet goed worden bepaald vanwege
de floride psychose.
(…)
Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was sprake van bovenbeschreven
psychische stoornissen.
(…)
Deze psychische stoornissen hebben betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed.
(…)
Gegeven de huidige informatie wordt geadviseerd om betrokkene het tenlastegelegde in ieder geval verminderd toe te rekenen.
(…)
Het is aannemelijk dat de chronische en ernstige psychische problematiek haar gedragskeuzes en gedragingen op de bovenbeschreven manier voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde hebben beïnvloed. In welke mate dit precies gebeurde is als gevolg van de beschreven onderzoeksbeperkingen (vooral: floride psychotisch beeld, geen toestemming om informatie bij [benadeelde] op te vragen en summiere informatie ten aanzien van het tenlastegelegde vanuit de gerechtelijke stukken) niet eenduidig vast te stellen. Betrokkene zelf heeft aangegeven dat ze geen uitweg meer zag, maar het is niet duidelijk geworden wat ze wilde bereiken met het tenlastegelegde. Waarschijnlijk hebben niet goed gekanaliseerde boosheid en angst een aansturende werking hebben gehad in betrokkenes gedrag. Echter niet telkens wanneer ze boos of geagiteerd is, en blijkens het dossier komt dit vaak voor, pleegt ze een agressief delict zoals brandstichting (indien bewezen verklaard). Mogelijk betekent dit dat ze haar gedrag deels wel heeft kunnen sturen maar het is niet goed te bepalen in welke mate en hoe. In lijn hierbij zij opgemerkt dat betrokkene een aansteker op haar kamer had, hetgeen verboden was. Het is zeer onwaarschijnlijk dat betrokkene dit niet geweten heeft. Mogelijk zit hier een stukje bewust gedrag in, al kan niet worden uitgesloten dat er een (deels) psychotisch motief aan vooraf ging.
Het hof stelt vast dat beide deskundigen hebben geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie en een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast hebben beide deskundigen geconcludeerd dat er een rechtstreeks verband is tussen de psychische problematiek en het tenlastegelegde feit.
Het hof stelt vast dat de conclusies van de deskundigen ook overeenstemmen met betrekking tot de mate van toerekenbaarheid. Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat aan de verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate is toe te rekenen.
Het hof volgt voornoemde conclusies van de deskundigen en neemt deze over. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte strafbaar is en dat het bewezenverklaarde de verdachte verminderd kan worden toegerekend. Het hof zal bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houden met de verminderde toerekenbaarheid.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft primair verzocht de verdachte alleen te veroordelen tot een gevangenisstraf en geen tbs-maatregel op te leggen. Indien het hof een tbs-maatregel met dwangverpleging zal opleggen, heeft de verdediging subsidiair bepleit dat deze gemaximeerd dient te worden.
Het hof overweegt als volgt.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte brand heeft gesticht op de gesloten afdeling van de zorginstelling waar zij verbleef. Zij heeft tegen de regels in een aansteker mee naar haar kamer genomen en haar matras in brand gestoken, omdat zij het niet eens was met haar plaatsing op deze afdeling.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant van 26 maart 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 februari 2022, parketnummer 01-132420-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 9 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie, Eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2024029019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , ondertekend en gesloten op 9 februari 2024, doorgenummerde dossierpagina’s 1-41, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Inleiding
We hebben vervolgens het luik opengemaakt. Ik zag door het luik dat op het matras van [verdachte] vlammen te zien waren. De vlammen waren ongeveer 70cm breed en ongeveer 50cm hoog, geschat. Ik vermoed dat er iets op het matras lag want de matrassen zijn brandvertragend. Ik zag [verdachte] niet staan en heb haar bevolen naar de deur te kruipen. Dit deed ze. Ik vroeg haar op de deur te kloppen als ze bij de deur was. Dit deed ze. We hebben vervolgens de deur opengedaan en [verdachte] uit de kamer gehaald.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2024, dossierpagina's 14-16, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
(Dossierpagina 14)
Op 8 februari 2024 kregen wij de melding om te gaan naar [adres 2] . Dit betreft een gebouw op het terrein van de GGZ instelling [benadeelde] . Op een van de afdelingen zou er brand zijn gesticht door een client. Om 17.12 uur kwamen wij ter plaatse. [adres 3] betreft een gebouw waar meerdere afdelingen in gevestigd zijn. Deze gebouwen vallen onder beveiligingsniveau 2, wat betekent dat dit een afgesloten en beveiligd gebouwd is.
Wij zagen dat er op het binnenterrein ongeveer 70 mensen stonden. Dit betroffen de cliënten en medewerkers die in dit gebouw gevestigd waren. Deze personen waren allen al ontruimd.
Wij hoorden van de medewerkers van [benadeelde] dat de gang van de afdeling genaamd ‘de BIZ’ onbewoonbaar was en dat de cliënten die op diezelfde gang gevestigd waren ergens anders ondergebracht moesten worden.
Een van de medewerkers leidde ons naar de kamer waar zojuist de brand gewoed had. Wij zagen dat de deur zwarte vlekken had. Wij roken een sterke brandlucht. In de kamer zagen wij dat het hoofdkussen en het matras aan het hoofdeinde flink beschadigd waren. Wij zagen dat het kussen en een deel van het matras zwart van kleur was en dat het er verkoold uitzag. Wij zagen dat de plastic lampenkap die boven het bed hing gesmolten was en dat het plastic uitgelopen was naar onder. Ook zagen wij dat een deel van het hoofdbord zwart van kleur en verkoold was. Verder zagen wij dat in de gehele kamer een zwarte laag roet op de muren en kasten stond. Wij zagen dat er op de grond een laag water van ongeveer drie centimeter stond en dat een raam naar buiten van ongeveer anderhalf bij één meter gebarsten was en dat er in de onderste helft van dit raam een groot gat zat. Wij zagen dat je door dit gat direct naar buiten keek.
4. Een e-mail van de betrokken bevelvoerder van de brandweer d.d. 8 februari 2024, dossierpagina's 32-33, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4] :
(Dossierpagina 33)
Hierbij een korte uiteenzetting van een brandmelding op [adres 3] , [benadeelde] , op 8-2-2024 met incidentnummer: 44827.
Voorval: Bij aankomst van de brandweer stond op de begane grond in een cliëntenkamer een matras in brand. Een blussing en brandbestrijding is door ons gedaan. Nadat het vuur gedoofd was, zijn we overgegaan tot ventileren middels overdruk ventilatoren van de brandweer en van de [benadeelde] . Door de schade, stank, CO2 en de rook kan de afdeling BIZ vandaag niet meer in gebruik worden genomen.
Gevaarzetting: De gevaarzetting bij dit incident zit hem vooral in de rookontwikkeling. De ingeademde rook is giftig en heeft bovendien een verstikkende werking. Ik kreeg te horen dat er ongeveer 30 mensen zijn geëvacueerd. Als bewoners of personeel hieraan worden blootgesteld, is dit niet goed voor de gezondheid.
5. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 29 juli 2024:
Het klopt dat ik brand heb gesticht. Ik stak mijn matras in brand. Ik had een aansteker op mijn kamer zodat ik kon roken terwijl ik wist dat ik geen aansteker op mijn kamer mocht hebben.
Bewijsoverwegingen
I
De verdediging heeft ten eerste integrale vrijspraak bepleit, omdat verdachte meent dat zij is vrijgesproken door de rechtbank en voorts alleen een vrijspraak recht zou doen aan de situatie van verdachte.
De verdediging heeft voorts bepleit dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden, met dien verstande dat er geen gevaar voor personen, zowel in de vorm van levensgevaar als in de vorm van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te duchten was. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van een voorzienbaar gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar nu de situatie snel onder controle is gebracht en de bewoners direct zijn geëvacueerd. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat uit het e-mailbericht van de bevelvoerder van de brandweer blijkt dat de belangrijkste zorg de rookontwikkeling betrof, maar dat daarbij niet blijkt dat de rookontwikkeling heeft geleid tot gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar en dit gevaar voorzienbaar was, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, heeft de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat zij brand heeft gesticht door haar matras in brand te steken. Daarvoor is zij blijkens het vonnis van de rechtbank veroordeeld en niet vrijgesproken. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat door het handelen van verdachte gemeen gevaar voor goederen te duchten was, hetgeen door de verdediging ook niet is betwist.
Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er naast gevaar voor goederen ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Voor het antwoord op deze vraag is van belang dat het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevond(en).
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat er door de brandstichting levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen personen te duchten was. De verdachte heeft de brand gesticht op een gesloten afdeling van een zorginstelling waar op dat moment meerdere cliënten aanwezig waren, die niet vrijelijk zelf hun kamers, dan wel de afdeling waar zij verbleven, konden verlaten en daarvoor afhankelijk waren van het personeel. Er is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van te duchten gevaar voor de bewoners en het personeel van de [benadeelde] -instelling, aangezien van hen verwacht wordt dat zij patiënten in een dergelijke noodsituatie veilig naar buiten begeleiden. Daarnaast waren er boven de kamer waar de verdachte brand heeft gesticht ook wooncomplexen aanwezig. Zoals de bevelvoerder van de brandweer in zijn e-mail heeft geschreven, was de gevaarzetting met name gelegen in de rookontwikkeling. De ingeademde rook is giftig en heeft een verstikkende werking, hetgeen niet goed is voor de gezondheid van zowel bewoners als het personeel.
Het hof verwerpt het verweer.
II
Feiten
Daarbij heeft zij geen acht geslagen op het gevaar dat daardoor ontstond voor de andere bewoners en het aanwezige personeel. Dat er niet meer schade is ontstaan en dat er geen letsel is ontstaan bij anderen, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Door het handelen van de verdachte is een zeer gevaarlijke situatie ontstaan.
Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van de feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2025, waaruit blijkt dat zij in 2016 en in 2022 onherroepelijk is veroordeeld voor brandstichting.
Het hof heeft tevens gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hieruit blijkt dat de verdachte nu ruim een jaar in voorarrest zit en momenteel in de penitentiaire inrichting in Zwolle verblijft.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De verminderde toerekeningsvatbaarheid is daarbij meegewogen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Op te leggen maatregel
De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zoals hier – kort gezegd – brandstichting – en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van de hiervoor vermelde rapporten van psychiater drs. [psychiater] en klinisch psycholoog [psycholoog] . Het hof heeft hiervoor, onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’, reeds de relevante passages uit deze rapporten aangehaald met betrekking tot bij de verdachte bestaande stoornissen. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar die passages. Het hof stelt op grond van de inhoud van voornoemde rapporten in het bijzonder vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Het rapport van psychiater [psychiater] houdt – naast hetgeen hiervoor daarover reeds is weergegeven – onder meer het volgende in:
Op basis van klinische inschatting in combinatie met de uitkomsten van de risicotaxatie-instrumenten is het eindoordeel dat er nauwelijks tot geen beschermende factoren zijn en een hoog risico op geweldsdelicten waaronder brandstichting, wanneer betrokkene in de huidige toestand terugkeert in vergelijkbare omstandigheden als voor detentie.
(…)
Geadviseerd wordt de boven beschreven behandeling en begeleiding vorm te geven binnen de maatregel TBS met verpleging van overheidswege.
Het rapport van forensisch psycholoog [psycholoog] houdt – naast hetgeen hiervoor daarover reeds is weergegeven – het volgende in:
Het recidiverisico op agressief gedrag zoals brandstichting wordt als zeer hoog ingeschat.
(…)
Gezien de ernstige en chronische psychotische stoornis (schizofrenie) en persoonlijkheidsproblematiek, in combinatie met een zeer hoog recidiverisico, wordt geadviseerd om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Het hof verenigt zich met de weergegeven bevindingen van de deskundigen met betrekking tot het recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling. Zonder een dergelijke behandeling acht ook het hof de kans op recidive vanuit de stoornissen van de verdachte (zeer) hoog.
Het hof stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat op grond van het vorenstaande vaststaat dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis bestond en het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tevens vindt het hof tegen de achtergrond van de ernst van het feit en de overwegingen van de gedragsdeskundigen dat het gevaar dat van de verdachte uitgaat zodanig hoog is, dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de verpleging van overheidswege eist. Het is naar het oordeel van het hof, gelet op het recidivegevaar, onverantwoord om te volstaan met een behandeling in een minder stringent kader dan in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het hof zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.
De tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van ‘opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’, een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 februari 2022 (parketnummer 01-132420-21) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Hoewel verdachte zich binnen de proeftijd wederom schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, hetzelfde delict waarvoor onder meer ook de voorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd, acht het hof van belang dat spoedig wordt gestart met de binnen het kader van de TBS plaats te vinden behandeling en begeleiding van verdachte. In dat kader acht het hof toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging thans niet opportuun en daarom zal deze vordering, gelijk als door de verdediging verzocht, worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften